DE C IN DE N.C.R.V.
De C (afkorting voor ohristelijk) voor elke vereniging is een aangevochten zaak naar buiten en naar binnen. Het verleden en het heden van elke vereniging kan dit boekstaven. Zo is het ook met de N.C.R.V. Hoevele jaren heeft zij niet moeten strijden om een erkende positie te krijgen. Deze strijd luwt eigenlijk nooit. Wanneer op het ene front de vrede is bevochten, breekt op een andere plaats de oorlog weer uit. Wij kunnen dat opmerken aan de bestrijding waaraan elke vereniging, dus ook de N.C.R.V., van de zijde van de doorbraak blootstaat.
Dat kan ook niet anders, omdat wanneer deze C. in de N.C.R.V. geen vlag is maar een werkelijkheid, deze tegenspraak oproept. Ten diepste is het de oude strijd, die in het Paradijs een aanvang nam.
Toch blijkt de C. in de N.C.R.V. niet alleen tegenspraak van buiten, maar ook opspraak van binnen te verwekken. Immers blijkens een artikel van de voorzitter van de N.C.R.V., de heer A. B. Roosjen, in de Omroepgids van 4 maart 1961, zijn er steeds weer briefschrijvers, die een lofzang op „de goede oude tijd" laten volgen door een klaaglied op „het donkere heden". Er zijn dus mensen in de N.C.R.V., die menen, dat deze vereniging aan liet veranderen is om niet te zeggen aan het vervagen is.
Wie al deze briefschrijvers zijn, is ons Onbekend. Wel weten wij van een brief van het Streekverband van de Ned. Herv. Mannenverenigingen op G.G. op Goeree- Overflakkee gericht aan het Bestuur van de N.C.R.V. Daarin wordt erkend dat zowel radio als televisie gaven Gods zijn. Verder dat deze verenigingen dankbaar zijn voor wat de N.C.R.V. voor het Prot. Chr. volksdeel geweest is.
Daarna komen de bezwaren los. Men meent dat er bij de N.C.R.V. een zekere koerswijziging plaats vindt. De programma's worden meer op de wil van het volk afgestemd dan op het reformatorische deel daarvan. Men meent dit te kunnen aantonen door een sporadisch vragen van Hervormd Gereformeerde predikanten in de overdenkingen. Verder maakt men het bestuur opmerkzaam op het inkrimpen van de godsdienstige uitzendingen van het gesproken woord en het gezongen lied. Daarnaast valt te constateren een uitbreiding van dans- en jazzmuziek. In de ontspanningsavonden meent men geen evangeliserende strekking te kunnen onderkennen.
Nog groter zijn de bezwaren tegen de televisie-uitzendingen. Uitzendingen als „De bloeiende Perzik" en „De wachters bij het graf' ontmoeten protest. De zondagavond mag niet gebruikt worden voor uitzendingen van films, toneelstukken en concerten.
Dringend wordt tenslotte de N.C.R.V. verzocht van deze wegen terug te keren en in de uitzendingen te bedoelen de eer van Gods Naam en het heil van mensen.
Tot zover deze brief.
Het zal wel mede op deze brief zijn, dat de voorzitter van de N.C.R.V. in de Omroepgids reageert.
Hij begint met uiteen te zetten, dat het de taak van iedere Kerk en van ieder Christen is om alom bekend te maken het woord dat hun van dit Kindeke gezegd wordt. Dit was de taak van de herders, dit is ook de taak van de N.C.R.V. Maar de taak van de N.C.R.V. is meer dan alleen en uitsluitend Evangelisatieomroep te zijn. Ook het geven van concerten en ontspanningsavonden, van reportages en landbouwkwartiertjes, enz. behoort tot haar taak. Het is onmogelijk om onafgebroken de zendtijd te gebruiken voor de godsdienstige uitzendingen in woord en lied zonder meer. Ook het leven van een christen — zijn gewone doen van elke dag — moet beheerst zijn door het geloof. Evenzo moeten de uitzendingen van de N.C.R.V. beheerst worden door het geloof als een zoutend zout. De voorzitter geeft toe, dat dit werk gebrekkig is. Het is dan ook een ontzettend zware opgave het Evangelie gestalte te geven in de samenleving door middel van radio en televisie. Tenslotte geeft de voorzitter uiting aan het verlangen van de N.C.R.V. om aan haar opdracht ook in de toekomst getrouw te willen blijven. Tot zover de heer Roosjen in de Omroepgids.
Wat van dit alles te zeggen?
In de eerste plaats mogen wij de voorzitter van onze N.C.R.V. dankbaar zijn, dat hij verzekert, dat de N.C.R.V. in haar ideaal wil volharden om een christelijke omroep te zijn en te blijven. Het kan niet anders dan heilzaam zijn, dat wij allen in onze arbeid telkens weer teruggeworpen worden en herinnerd worden aan het uitgangspunt van elke christelijke vereniging. Immers wij blijven allen in de hoge idealen zover onder de maat. Daarin hebben wij elkander niet te verwijten, maar ons allen te verootmoedigen. Het is ook een enorm zware opgave om aan het Evangelie in deze tijd gestalte te geven door radio en televisie. Vooral de televisie verkeert in veel opzichten nog in het stadium van het experiment. Het is dan ook noodzakelijk, dat wij op allerlei wijzen van harte meeleven met de arbeid van de N.C.R.V. en deze arbeid dragen in de gebeden. Hoezeer staan wij allen ook in dit laatste schuldig? Juist daar waar de strijd op de voorposten gestreden wordt, dient wel een bijzondere tere verhouding met God te zijn om niet te struikelen en niet af te wijken. Juist de eigenaardige positie van de verenigingen met een C. in een land, dat met „levensbeschouwelijke richtingen" in ons volk rekening houdt geeft gevaren aan deze verenigingen. Immers dan moet men door een groot aantal leden aantonen, dat men er is en recht heeft op een plaats. Maar het zien naar een groot getal leden brengt ook weer het gevaar mee om mensen zo veel mogelijk te gaan behagen. Het behagen van mensen is toch altijd nog iets anders dan het voluit met de vragen van deze tijd staan in de wereld van vandaag.
Wij hebben het vermoeden, dat deze geweldige uitbreiding van het aantal leden bij de N.C.R.V. niet alleen winst is, maar dat daardoor de diepte aan het werk hoe langer hoe meer gaat ontbreken. Natuurlijk is het onbillijk, wanneer wij gaan zeggen: Vroeger was alles goed en tegenwoordig is alles mis. Dat is een wit-zwart schema, dat niet valt te hanteren. Maar met erkenning van het goede en met aanvaarding van bet willen vasthouden van het ideaal moet toch worden geconstateerd, dat de uren aan bijbellezingen besteed en aan het christelijk lied gewijd, steeds zijn ingekrompen. Dat valt toch niet te weerspreken? Waaraan is dat te wijten? Wij willen toch gaarne erkennen dat er in de brief van deze Mannenverenigingen waarheidselementen liggen, die de N.C.R.V. alleen maar tot eigen schade naast zich kan neerleggen. Het bestuur dient er zich wel van bewust te zijn, dat soortgelijke brieven ingegeven zijn door grote liefde en grote dankbaarheid voor het werk van de N.C.R.V. Daarin klinkt door de bezorgdheid over de ontwikkeling in de N.C.R.V. Deze bezorgdheid kan in de oren klinken als bedilzucht, maar dan heeft men de diepste intenties niet gevat. Het onbehagen, dat uit deze brief spreekt is vrij algemeen in de kringen van de gereformeerde gezindheid in en buiten de Hervormde Kerk. Zeker wij weten, dat de N.C.R.V. een vereniging is, die het gehele protestants christelijke volksdeel wil omvatten. Dat aanvaarden wij ook. Maar wij merken met smart op, dat het volk, dat zeer dicht bij de Schrift leeft een- en andermaal bedroefd wordt door de meer „wereldse inslag" van verschillende uitzendingen. Wie wel eens ziet naar de televisieuitzendingen op de zaterdagavonden, vraagt zich af: Is dit nu een voorbereiding op de dag des Heeren? Worden hier hart en zinnen voorbereid op het ontvangen van het Woord Gods?
Tenslotte de uitzendingen, waarbij Hervormd Gereformeerde predikanten voorgaan. Ik heb geen lijst voor mij van het aantal, dat per jaar spreekt. Het komt mij voor, dat dit aantal te gering is. De N.C.R.V. kan er niets aan doen, dat het Ikor zeer sporadisch een Hervormd Gereformeerd predikant vraagt. Maar zou het niet mogelijk zijn, dat het onrecht, dat de Hervormd Gereformeerden wordt aangedaan van de zijde van het Ikor, door de welwillende houding van de N.C.R.V. in de week wordt gecompenseerd? Enkele jaren geleden werd — dacht ik — daaraan van de zijde van de N.C.R.V. meer aandacht besteed dan nu. Wellicht kan een en ander nog eens nader door het bestuur van de N.C.R.V. worden bezien.
Tenslotte willen wij met de Mannenverenigingen van Goeree-Overflakkee het bestuur van onze N.C.R.V. van harte de voorlichting door de Heilige Geest toebidden. Want de taak is zwaar en de verantwoordelijkheid is groot!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's