De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De bekering in de brieven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De bekering in de brieven

9 minuten leestijd

Nogmaals willen wij op de bekering van Saulus van Tarsen terugkomen. Wij achten het namelijk niet van belang ontbloot, wanneer wij nog even zullen nagaan, wat er in verband met dit feit in zijn brieven verhaald wordt.

Met de brief aan de Galaten zullen wij beginnen. Naar de tijd van ontstaan gerekend, kan daar het oudste getuigenis van Paulus zelf gevonden worden. Uitvoerig beschrijft de apostel in hoofdstuk 1, hoe hij tot het apostelschap gekomen is. Dat was bittere noodzaak voor hem. Hij gaf die beschrijving niet, omdat hij met zichzelf en met de weg, die God de Heere met hem gehouden had, wilde pralen. De toestand der gemeenten in Galatië dwong hem daartoe. Er waren dwaalleraars gekomen, die van de gelovigen eisten, dat zij zich zouden houden aan de ceremoniële wetten van het Oude Testament. Het onderhouden van die wetten zou heilsnoodzakelijk zijn. Daartegen verzette zich Paulus met al de kracht, die in hem was. Zijn oordeel over de leer van deze dwaalleraars was, dat zij een evangelie brachten, dat in wezen geen evangelie was, omdat het volkomen onrecht deed aan het werk van Christus. Het evangelie, dat hij zelf de Galatiërs gepredikt had, was een ander geweest. Het was een evangelie, dat hij niet van enig mens ontvangen had, maar dat hem door openbaring van Jezus Christus geschonken was.

Hij zegt dan in vss. 12-16: „Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgde, en haar verwoestte; en dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloediglijk ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen. Maar wanneer net Gode behaagd heeft, die mij van mijner moeder lijf aan afgezonderd heeft en geroepen door Zijn genade, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Dezelve door het evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed ..."

Wij zien hier, dat de apostel zijn bekering beschouwd heeft in het licht van het welbehagen Gods. Met woorden, die aan de profeten Jesaja en Jeremia herinneren '-), wijst hij er op, dat hij thans zichzelf van zijn geboorte af aan al afgezonderd weet door de Heere. Maar hoewel God hem er toe bestemd had om Zijn Zoon in hem te openbaren, niettemin volgde de genadige roeping eerst later. Kennelijk doelt hij hier op hetgeen nabij Damascus gebeurde. Daar werd hij geroepen. Toen heeft God hem Jezus als Zijn Zoon geopenbaard. Dat staat wel vast, ook al noemt hij de plaats der bekering niet. Het mag onze aandacht ook niet ontgaan, dat hij uitdrukkelijk zegt, met welk doel de Zoon Gods in hem geopenbaard werd bij zijn roeping. Gods bedoeling was, dat Paulus Christus onder de heidenen zou gaan verkondigen. Daartoe riep Hij hem. Ten stelligste wordt het genade-karakter van de roeping Gods door Paulus onderstreept.

Vervolgens zijn het enkele uitspraken in de eerste brief aan de Corinthiërs, waarbij wij moeten stilstaan. 1 Corinthe dateert waarschijnlijk uit ongeveer 54 of 55 na Christus. Te Efeze vertoevend, had Paulus aldaar geen al te beste geruchten vernomen over het gemeentelijk leven van de „heiligen" te Corinthe. Naar men hem bericht had, waren er twisten en onenigheden in de gemeente. Ook kwamen er ernstige misstanden voor op zedelijk gebied, en aarzelde men niet om de hulp van heidense rechters in te roepen om allerlei juridische gevallen te beslechten. Voorts zaten sommigen in grote moeilijkheden met het probleem, of men wel mocht eten van vlees, dat aan de afgoden geofferd was, en dat op de markt aan een ieder te koop aangeboden werd. De wijze, waarop in Corinthe het Heilig Avondmaal gevierd werd, was eveneens ten zeerste laakbaar. En tenslotte waren er zelfs nog mensen, die de opstanding des vleses meenden te moeten loochenen. Dit alles vormde voor Paulus de aanleiding tot het schrijven van de eerste brief aan de Corinthiërs. Hij begeerde zich tot hen te richten teneinde hen te vermanen en raad te geven.

In 1 Cor. 9 vers 1 schrijft hij dan: „Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onze Heere, gezien.''

Als Paulus vraagt, of hij niet de Heere Jezus gezien heeft, dan stelt hij die vraag in zulk een vorm, dat zij alleen maar bevestigend beantwoord kan worden. Het antwoord zal moeten luiden: Inderdaad, zo is het; gij hebt de Heere gezien. Zó gezien — gelijk uit de grondtekst blijkt — dat er nog dagelijks de gevolgen van ondervonden worden, en er nog immer de vruchten van geplukt worden. Het is wel zeker, dat Paulus hier zinspeelt op hetgeen hem nabij Damascus wedervaren is. Wat eenmaal daar plaats gevonden heeft, dat is voor hem nog belangrijk tot op dit ogenblik toe. Waarom echter beklemtoont de apostel hier zo sterk, dat hij met zijn eigen ogen de Heere heeft aanschouwd? Dat is onzes inziens wel duidelijk, als wij letten op Hand. 1 vers 21 v. Het was een onontkoombare voorwaarde voor het apostelschap. Wanneer men na de hemelvaart de lege plaats van Judas weer vervullen wil, zegt Petrus: „Het is dan nodig, dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al de tijd, in welke de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is, beginnende van de doop van Johannes, tot de dag toe, in welke Hij van ons opgenomen is, één derzelven met ons getuige worde van Zijn opstanding". Aan die eis moest een apostel voldoen ").

Het vraagstuk behandelend, of het een Christen geoorloofd is vlees van afgodenoffers te eten, stelt Paulus nu, dat in dezen niet de vrijheid, maar de liefde tot de broeder in Christus het leidend beginsel moet wezen. Als een van de mede-christenen er door ten val gebracht zou kunnen worden, dan zal men het uit liefde moeten nalaten. Hij haalt zichzelf daarbij als voorbeeld aan. Hij bezit óók de vrijheid van een Christen, en de rechten van een apostel. Hij heeft toch de Heere gezien, toen Deze aan hem verscheen. Dat kan niemand ontkennen. Maar desniettegenstaande beoefent hij het beginsel der liefde, en niet dat der vrijheid, bij zijn werkzaamheid als apostel des Heeren. Van zijn rechten als apostel maakt hij geen gebruik, hoe zeer hem dat ook vrijstaat.

Houden wij het verband van 1 Cor. 9 vers 1 met Hand. 1 vers 21v. vast, zo moeten wij daaruit de gevolgtrekking maken, dat de gebeurtenis van Damascus niet een visioen of een gezicht geweest is, maar een reëel feit, dat sedertdien het gehele leven van de apostel bepaald heeft.

Ook moeten wij 1 Cor. 15 vers 8-10 nog noemen. Sprekend over de rij van getuigen, aan wie de Heere Jezus na Zijn opstanding verschenen is, zegt Paulus: „En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom, dat ik de gemeente Gods vervolgd heb. Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben".

Aan Paulus is dus hetzelfde voorrecht te beurt gevallen als aan de andere personen, die hij opsomt. Ook hij heeft Christus na Zijn opstanding mogen zien. Ten laatste van allen. En als een ontijdig geborene. Het behoeft geen bewijs, dat hij het hier heeft over datgene, dat hem op de weg naar Damascus overkwam. In grote ootmoed spreekt hij daarover. Dat hij de opgestane Heere heeft mogen zien, en als apostel hem dienstbaar worden mocht, was hij niet waard. Als vervolger der gemeente had hij dat niet verdiend. Vandaar, dat hij zichzelf niet op de borst kan slaan, maar enkel in Gods genade, aan hem bewezen, roemen kan. Door die genade is hij, wat hij is: een apostel van Christus Jezus.

Wat Paulus precies op het oog heeft, als hij zich een „ontijdig geborene" noemt, is niet gemakkelijk te verklaren. Het ligt voor de hand om te veronderstellen, dat hij denkt aan de tijd voor zijn bekering, en aan wat hij was op het moment, toen de Heere hem tot stilstand bracht. Het woord, dat hij gebruikt, ektrooma, is als een soort vergelijking bedoeld. Maar wat is het punt van vergelijking? Dat is de vraag, die zich aan ons opdringt, als wij er de betekenis van pogen vast te stellen.

Ektrooma komt van een werkwoord, dat „een miskraam veroorzaken, abortus plegen", beduidt. In de geschriften van Griekse geneeskundigen als Hippocrates kan men het herhaaldelijk vinden. En in een papyrus uit de 4e eeuw na Christus kunnen wij lezen, dat bij een vrouw, Tarsis geheten, eens iets dergelijks geschiedde, toen zij geslagen werd. Ten gevolge van die mishandeling kreeg zij een ontijdige geboorte. Een ektrooma is dus een onvoldragen, onrijpe lichaamsvrucht, die levend of dood ter wereld gebracht wordt. Schneider, in Kittel's Wörterbuch, merkt op, dat het abnormale tijdstip van de geboorte, en de onvolkomen vorm van de geborene daarbij beslissend is").

Dit wetend, hebben wij er voor te waken, dat wij Paulus niet zo verstaan, alsof hij zeggen wil, dat hij vergeleken met de anderen te laat geboren is. Dat is niet waar. Wie hem dit in de mond leggen wil, laat zich te veel leiden door het: „ten laatste van allen", dat er onmiddellijk aan vooraf gaat.

Maar wat had Paulus dan wel in zijn gedachten, toen hij dit neerschreef? Om dat te kunnen doorzien, is het nuttig, dat wij niet vergeten, dat hij in 1 Cor. 15 vers 8 terugblikt op zijn verleden, en dat hij zichzelf veroordelen moet, wanneer hij ziet op wat hij vroeger geweest is.

Hij is als het ware een mens, die niet op de juiste tijd geboren is, in geestelijke zin althans. Hij werd niet op een normale manier tot apostel geroepen. Een bijzondere verschijning van Christus was daarvoor van node. Geheel anders dan de andere discipelen is hij tot het apostelschap gebracht. Op een zeer hardhandige wijze is hij uit zijn vroegere leven overgezet in het rijk van Christus. Het komt ons voor, dat wij alleen zo recht doen aan Paulus' vergelijking, en dat alle andere verklaringen van „ontijdig geborene" niet uitgaan van de betekenis, die dit woord voor de apostel zélf gehad heeft.


1) Jesaja 49 : 1; Jeremia 1: 5.

2) Zie: H. N. Ridderbos in „Christelijice Encyclopedie" '•2, Kampen, 1956, deel I, pag. 265v.v.

3) Th. W. B., II, S. 463 f.f.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De bekering in de brieven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's