MEDITATIE
God heeft het gewild
Doch het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt. Jesaja 53 : 10a,
De tekst legt er de nadruk op, dat het lijden en sterven van de Knecht des Heeren door God Zelf is gewild. Bij het overdenken van deze woorden moeten wij eerst stilstaan bij de tegenstelling die hier aan het licht treedt. Het woordje „doch" noopt ons ook aandacht te geven aan vers 9. Dan blijkt, dat er twee tegenstellingen zijn. De eerste is deze: Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld. Dat deden dus de mensen. Maar toch is het de Heere, Die Hem verbrijzeld heeft. Men deed Hem al die jammeren aan. Maar toch is het God, Die Hem krank gemaakt heeft.
En dit is de tweede tegenstelling: Geen onrecht heeft de Knecht des Heeren gedaan, geen bedrog was in Zijn mond. Toch heeft het de Heere behaagd Hem te verbrijzelen. Hem krank te maken.
Elk van beide tegenstelingen gaan we nu nader bezien.
De mensen hebben dus Christus die smarten aangedaan en Hem gedood. Maar achter het doen van de mensen staat het welbehagen des Heeren. God heeft het gewild, dat de Zoon des Mensen zou lijden en sterven. Het zijn niet alleen de mensen, die Jezus hebben uitgestoten en vervloekt. In laatste instantie — of beter — in hoogste instantie deed het de Heere.
Wij zien dat bevestigd in Johannes 11 : 49—52. Het was niet alleen de opzet van Kajafas Jezus ter dood te brengen, maar 't behaagde God Zelf Zijn Knechtgeworden Kind te verbrijzelen.
Hoe moeten wij hier nu mee aan?
Is Kajafas dan te verontschuldigen? Zijn de Joden dan vrij te pleiten? Is het Pilatus niet toe te rekenen, dat Jezus gekruisigd is? Worden wij, die mede schuldig zijn aan Jezus' dood, er dan niet op aangekeken? Dat zouden wij wel willen.
Wij wentelen graag de verantwoordelijkheid voor het zondige in ons doen en laten op God. Vooral, wanneer wij zoals in Handelingen 2 : 23 lezen, dat een en ander is geschied door de bepaalde raad en voorkennis Gods.
Toch gaat dat niet op. Want al gebeurt er geen ding buiten Gods wil om, toch blijven wij verantwoordelijk voor onze daden. De Heere werkt de zonde niet, maar wij zijn schuldig. Het kwaad echter, dat door mensen gedaan wordt, gebruikt God tot het volvoeren van Zijn Raad.
Zo heeft Hij gehandeld met 't kwaad, dat de broeders Jozef hebben aangedaan. God heeft dat ten goede gekeerd, naar Jozefs eigen getuigenis, om een groot volk in het leven te behouden.
Zo heeft de Heere ook het grote kwaad, dat wij de Heere Jezus aangedaan hebben, ten goede gekeerd, om een groot volk voor eeuwig te behouden.
Maar allen, die door de boosheid van hun hart zich tegen Christus gekeerd hebben, blijven ten volle verantwoordelijk voor hun daden en zijn dus schuldig. Dat blijft vaststaan, ook al lezen wij hier, dat het de Heere behaagde Hem te verbrijzelen.
Waarom het de Heere behaagd heeft, dat wordt verklaard, wanneer wij letten op de tweede tegenstelling.
Omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond is geweest, daarom behaagde het de Heere Hem te verbrijzelen.
Maar, zeggen we, dat is toch het hoogste onrecht een onschuldige ter dood over te geven!
Ja, als wij mensen het doen, als Pilatus het doet, dan is het een afschuwelijk onrecht. Maar als het de Heere behaagt deze Onschuldige te verbrijzelen onder het gewicht van Zijn toorn, dan is dat de hoogste gerechtigheid.
In antwoord 40 van de H. Catechismus vinden wij het zo uitgedrukt: dat vanwege de gerechtigheid en de waarheid Gods niet anders voor onze zonde kon betaald worden dan door de dood van de Zoon Gods.
Dat moest immers gebeuren: er moest voor onze zonde betaald worden. Dat eiste de gerechtigheid van God. Hij kon de zonde niet door de vingers zien. De straf moest worden ondergaan. Wij weten welke straf dat is: de dood. God had Adam gewaarschuwd: „Ten dage als gij daarvan eet zult gij de dood sterven." Na de val moest de Heere dit tot werkelijkheid maken. Dat vergde de Waarheid Gods.
Om de zondige mens van de straf te verlossen, heeft God Zijn Zoon gezonden. Door Zich in hun plaats te stellen is Christus Borg geworden voor mensen, die de dood en de verdoemenis verdiend hebben.
Juist omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond is geweest, kon Hij voor anderen betalen. Iemand die zelf schuld heeft kan immers nooit Borg zijn.
Daarom behaagde het de Heere Hem te verbrijzelen in de plaats van Zijn volk. Dat is de wóndere weg der verlossing, die God heeft uitgedacht en tot werkelijkheid gemaakt.
Het behaagde de Heere niet Zijn schuldig volk te verbrijzelen. Dat wilde Hij sparen. Dat wilde Hij Zijn genade bewijzen. Hen wilde Hij als Zijn kinderen aannemen.
Maar dan moest Zijn eniggeboren Zoon de straf dragen, lijden, sterven, nederdalen ter helle. Want aan Gods gerechtigheid en Waarheid moest worden.
Hij heeft Hem krank gemaakt. Dat kan ook betekenen: Hij heeft Hem met zwakheid geslagen. God heeft Hem zo verbrijzeld, dat er geen kracht meer in Hem overbleef. Als de geheel krachteloos gemaakte hing Hij aan het kruis, totdat de levenskracht van Hem week en Hij de laatste adem uitblies.
Wat zou van Jezus' lijden het zwaarste geweest zijn? Het schrijnen van Zijn wonden, de wondkoortsen, het sterven? De hoon en de smaad door de mensen Hem aangedaan? Dat was heel erg. Maar vreselijker was het te moeten doormaken, dat Zijn Vader Zijn aangezicht voor Hem verbergde, zodat het buitenste duisternis was in Zijn ziel. Zozeer heeft de Heere Hem verbrijzeld, dat Hij het uitriep: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? "
Dat heeft de Man van smarten willen lijden om zondaren zalig te maken.
Het lijden en sterven van Christus openbaart ons, hoezeer wij mensen, u en ik, wetsovertreders zijn, die God haten en onze naaste. Gods Geest lere ons het hoofd te buigen en met verbrijzeld hart onze schuld te belijden, zo, dat wij er kapot van zijn.
Het lijden en sterven van de Heere Jezus openbaart ons, hoe Hef God goddelozen heeft. Het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen, opdat het verbrijzeld hart verheugd zou worden door de vergeving der zonden en de verzoening met God.
Lezer, dit Evangelie des kruises moge ook uw hart troosten. Wanneer het dat niet doet, bedenk dan, dat dit niet aan God ligt, maar aan uw ongeloof.
Dat heeft u wat te zeggen.
Wilt u daar dan eens verder over nadenken!
(IJsselmuiden)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's