„...EN HET KONINKRIJK VAN JEZUS CHRISTUS TE DOEN VORDEREN ...”
Subsidiepolitiek.
Het rumoer rondom de jongste Kabinetscrisis begint te verstommen. De discussies over de „schuld-vraag" zijn nog wel niet geheel geluwd, maar andere problemen dringen inmiddels naar voren. Voor een daarvan, wordt hier de aandacht gevraagd.
In december 1.1. verscheen een ruim 40 bladzijden tellende brochure met de titel „Subsidie-Politiek". (Uitgave: J. B. van den Brink te Zutphen, prijs ƒ 1, 50). Het is een rapport van het College van Advies der Anti-Revolutionaire Partij. Het rapport heeft niet een officiële status in die zin, dat het „de" mening van „de Aniti-revolutionaire Partij" vertolkt, maar het is wèl een weergave van de opvatting, die leeft bij de doorsnee leden van de A.R.P.
Subsidies spelen in de tegenwoordige tijd een belangrijke rol; het lijkt wel of er geen enkele actie ontplooid kan worden, of er wordt in de een of andere vorm een beroep gedaan op de overheid om financiële steun; men denke aan onderwijs, bibliotheekwezen, sport, cultuurmanifestaties (of wat voor cultuur moet doorgaan).
Het rapport stelt, naast andere aangelegenheden, aan de orde de vraag: wanneer is het de taak van de Overheid bepaalde activiteiten te steunen door middel van subsidieverlening.
Onder meer wordt besproken, of de Overheid bij het al dan niet verlenen van een subsidie onderscheid moet (mag) maken naar gelang de levensbeschouwelijke grondslag van de subsidievragende instelling. Moet, concreet gesteld, de Overheid Christelijke organisaties wel, en niet Christelijke organisaties niet subsidiëren, althans onderscheid maken, of moet de Overheid afzien van de maatstaf der grondslag.
In een staat, waarin alle burgers dezelfde geloofsovertuiging zijn toegedaan, doet deze vraag zich niet voor. Helaas vertoont het Nederland van de 20e eeuw een staalkaart van kerkelijke schisma's, die het tegendeel is van „één volk één kerk", te zwijgen nog van het aantal buiten-kerkelijken. De scheiding van Kerk en Staat, die wij in Nederland kennen, — daarbij in het midden latende of deze nu uit volle overtuiging verdedigd moet worden, dan wel hartgrondig betreurd — is een feit en een onloochenbare realiteit. De Overheid als zodanig heeft geen zeggenschap in enige kerk, evenmin als de uitspraken van enige kerk bindend zijn voor de Overheid.
De scheiding van Kerk en Staat beslist echter niet over de vraag, of de staat nu neutraal en godsdienstloos is, dan wel gehoorzamend aan Gods Woord. Ook bij de scheiding van Kerk en Staat blijft van kracht, dat de Overheid is en behoort te zijn Gods dienaresse, u ten goede.
De A.R.P. staat in zijn beginselprogram op het standpunt, dat het Overheidsgezag gebonden is aan de Ordinantiën Gods, en dat de Overheid als dienaresse Gods gehouden is tot verheerlijking van Gods Naam. Het beginselprogram is al meer dan 10 jaar op de helling, en zal vermoedelijk binnenkort opnieuw worden vastgesteld. Het is thans niet de bedoeling in te gaan op de vraag, of de vernieuwing een verbetering is, en of op de jarenlang bestaande knelpunten nu wordt tegemoetgekomen aan de bij de Hervormd Gereformeerden levende bezwaren. Geconstateerd wordt thans slechts met dankbaarheid, dat in het beginselprogram met zoveel woorden wordt gesteld, dat de A.R.P. het als haar roeping ziet werkzaam te zijn en de strijd te voeren voor het behoud en de versterking van het beslag van Gods Woord op het openbare leven.
Het rapport „Subsidiepolitiek" bevat de stellingen „Discriminatie naar louter levensbeschouwelijk standpunt verdraagt zich niet met de geestelijke „vrijheid, die uitvloeisel is van de Christelijke beginsel van souvereiniteit in „eigen kring" en: „Het bevorderen van „een bepaalde levensovertuiging behoort niet tot de taak der Overheid". Wel moet, aldus het rapport, de Overheid de subsidieverlening weigeren, als de betreffende organisatie de Christelijke grondslagen van onze maatschappij bedreigt.
Niet alle leden van het College van Advies waren het met deze stelling eens; in een minderheidsrapport merkt een van de leden op:
Ik ben van oordeel, dat de Overheidstaak zich niet dient te beperken tot de verdediging van de christelijke grondslagen van onze samenleving, maar ook dient te strekken tot versteviging van deze grondslagen. De eerste taak van de Overheid is te streven naar de verwezenlijking van de Christelijke rechtsstaat.
Het ligt niet in de bedoeling de argumenten van de meerderheid te gaan ontleden, noch die van de minderheid.
Slechts de aandacht wordt gevestigd op de twee gesignaleerde stromingen, waaraan het meerderheidsstandpunt tot opvallende consequenties leidt, als: wèl subsidiëring van het Humanistische Verbond, en geen subsidiëring van Evangelieverkondiging, respectievelijk van Godsdienstonderwijs op openbare scholen.
Dat het Humanistische Verbond (Mens en Wereld, 28 januari 1961) met waardering kennis nam van het meerderheidsstandpunt, zal dan ook wel niet bevreemden. De juichkreet: „Hier was nu eindelijk eens wat anders, dan Holland-op-zijn-smalst" werd gevolgd door de lofprijzing: „Hier waren kennelijk echte geestelijke voortrekkers aan het woord".
Het 'hierboven weergegeven standpunt van de minderheid — een Chr. Geref.politicus — spreekt ons veel meer aan dan het meerderheidsstandpunt. Wij willen daar gaarne rekenschap van geven.
Artikel 36 N.G.B, belijdt, dat het tot het ambt der Overheid behoort de hand te houden aan de heilige Kerkedienst om te weren en uit te roeien alle af- goderij en valse godsdienst, om het rijk van de antichrist te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God door een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord „gebiedt".
Derhalve: zowel de Christelijke grondslag verdedigen als de Christelijke grondslag verstevigen.
Neutraliteit is uit den boze. De anthitese is onontkomelijk: „Wie niet vóór Mij is, is tegen Mij".
Ook de subsidiepolitiek kan dienstbaar gemaakt worden aan de verdediging en versteviging van de Christelijke grondslagen van ons hedendaags staatsbestel in Nederland.
Nadat het College van Advies bovengenoemd rapport het licht had doen zien, heeft dit College in pleno de zaak nog eens aan de orde gesteld. Blijkens een verslag, dat omtrent deze vergadering gemaakt is, waren er nogal wat bezwaren aangevoerd tegen de opvatting van de meerderheid. Men vond het standpunt van de (meerderheid der) oommissie wel wat „neutraal", en meende dat Calvijn voorop gegaan was door aan de Overheid de eis te stellen, dat zij integraal een Christelijke Overheid behoort te zijn. Tot een bepaalde conclusie is de vergadering kennelijk niet gekomen. Het verslag besluit met de opmerking, dat het duidelijk is geworden, dat het gesprek over de grondkwesties van de A.R. Politiek voortgang moet vinden.
Voor dit gesprek zij dit artikel een bijdrage. Indien de Christelijke partijen zich voor ogen houden dat het tot het ambt der Overheid behoort „de hand te houden aan de heilige Kerkedienst om het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen" zullen de discussies aan inhoud winnen.
Huizen, maart 1961.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's