De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

We menen te moeten constateren, dat de zaak prof. Smits nu wel in de kerkelijke doofpot zit. Zeker, de pot is nog wel grimmig heet, vanwege het vele vuur dat er in opgehoopt zit, maar het deksel zit er toch wel op, en daarmee is de zaak dus in geordende banen geleid; de rest komt nu verder wel vanzelf.

In „De Gereformeerde Kerk" wijdt prof. V. Itterzon er nog een uitvoerig artikel aan onder de titel: De zaak-Smits in het garen verstrikt. Hij gaat in dit artikel uit van een antwoord van de redactie van Hervormd Nederland op een ingezonden stuk in dat blad, welk ingezonden stuk zo ongeveer de mening van prof. v. Itterzon weergaf.

De hem onbekende schrijver van dit redactionele antwoord duidt 'hij dan aan als X. Na op verschillende vaagheden en onjuistheden in dit antwoord gewezen te hebben, valt de klemtoon van het betoog van prof. v. I. op het feit, dat X met stelligheid beweert, dat Ord. 13.29.5 in de zaak Smits niet mocht worden gehanteerd. Maar het eigenaardige van het geval is nu, dat het breed moderamen niets anders gedaan heeft, dan als maar en alleen maar handelen volgens Ord. 13.29.5. Dit wordt dan vervolgens uitvoerig aangetoond en toegelicht. Prof. v. I. komt dan tot de volgende conclusie:

Geloof mij, waarde lezer: de zaak is op dood spoor. De synode, hoe verontrust ook, komt er niet meer uit. Haar behandeling van de zaak, in strijd met het besluit van de generale commissie, in strijd ook met de kerkrechtelijke wetenschap van X, is nog steeds niet die van Ord. 11, hoofdstuk IV. Voorlopig is deze weg gebarricadeerd. De zaak Smits (prettig voor de betrokkene, als hij er onder uit wil; — jammer voor hem, als hij een beslissing had begeerd) zit in het garen verstrikt. De kerk komt er niet meer uit.

Verandering van spijs doet eten, en daarom is het goed om ook eens naar andere geluiden uit de kerkelijke pers te luisteren. We lazen in „De Saambinder" van 9 maart het vervolgartikel van ds. H(egeman) over de bestrijding van de kinderdoop. Op het ogenblik zijn dan de doopsgezinden aan de beurt. Dat wil zeggen, niet hun leer, hun bestrijding van de kinderdoop, doch alleen nog maar allerlei persoonlijke wetenswaardigheden over doopsgezinden van vroeger en nu, naast sommige gebruiken en opvattingen die bij hen in zwang zijn. Hun bestrijding van de kinderdoop zal stellig later ter sprake komen.

In dit artikel vertelt ds. H. dan, dat de doopsgezinden van de oude stijl niet willen weten van een bijzondere opleiding; van studie dus. Ds. H. verdedigt het belang en de noodzaak van de studie met een beroep op Mozes, de profetenscholen en Paulus. Een enkele keer komt wel eens de ondeugende gedachte op, dat hij veel overtuigender de noodzaak van studie kan aantonen, door alleen maar te zeggen: Lees dit blad (de Saambinder). Immers bij het lezen van de artikelen gevoelt men toch wel erg pijnlijk het ontbreken van studie. We wezen er al eens op hoe in „De Saambinder" van 12 januari de Kanttekeningen van de Statenvertaling uit hun verband gerukt en verminkt werden. Ook bij het lezen van het nummer van 9 maart hebben we onze ogen weer uitgewreven.

Niet vanwege het feit dat er gezegd wordt dat Guido de Brés de gemeente van Rijssen gediend heeft, want dat is natuurlijk een drukfout. Maar vooral lazen we met verbazing de mededeling van de hoofdredacteur onder het artikel van ds. H. De hoofdredacteur had namelijk een ingezonden stuk ontvangen over de „Kinderdoop" van een baptist uit Amerika. Dit stuk zal echter niet opgenomen worden, want ten eerste belooft ds. R. dat de inzender op veel punten antwoord zal krijgen uit de artikelen van ds. H. En dan schrijft hij:

Verder wil ik hem mededelen geen enkel nut er in te kunnen ontdekken, zijn alleszins aanvechtbare meningen in deze aan anderen ook nog openbaar te maken. Het is wel een droevig teken des tijds, dat steeds meerderen tegenwoordig menen, zonder daartoe bevoegd te zijn, zich het recht te mogen aanmatigen om over diep theologische zaken, zowel exegetisch als dogmatisch officiële uitspraken zelfs zodanig te doen, alsof deze onfeilbaar waren.

Hier wordt dus aan de lezers een artikelenreeks geboden over de bestrijding van de kinderdoop om hen te onderwijzen in de zuivere leer en hen te wapenen tegen allerlei dwaalleer, maar de hoofdredacteur ziet er geen enkel nut in om de aanvechtbare meningen van deze bestrijders ook nog aan anderen openbaar te maken.

Onze verbazing is echter nog lang niet ten einde. De hoofdredacteur acht het namelijk een droevig teken des tijds, dat meerderen tegenwoordig menen zich het recht te mogen aanmatigen om over diep theologische zaken een uitspraak te doen, zonder dat zij daartoe bevoegd zijn. Hoewel we oprecht geloven, dat dit niet de bedoeling is, zitten we niettemin hier toch echt midden in Rome. We willen in dit verband alleen maar wijzen op een woord van Calvijn. Kardinaal Sadolet verwijt Calvijn, dat zijn volgelingen zich maar het recht aanmatigen om allerlei uitspraken te doen en dat deze mensen zich niet onderwerpen aan de meningen van hen, die daartoe bevoegd zijn. De kardinaal vond dit maar een droevig teken des tijds. In zijn antwoord schrijft Calvijn dit aan de kardinaal terug: „Gij laat de menigte der gelovigen in de geschillen der religie niets anders dan het zich met afgewende ogen onderwerpen aan de geleerden. En aangezien toch een ziel, die op iets anders steunt dan op God alleen, zonder twijfel aan de satan vervallen is, hoe ellendig zijn die mensen er dan aan toe, die zich zulk een geloofs-A-B-C laten opdringen. Uw theologie is ons veel te gemoedelijk. Neem nu eens, — ik wil niet zeggen één of andere onontwikkelde —, maar een echte ruwe zwijnenhoeder. Die moet in de hachelijke strijd tegen satan het zwaard des Woords kunnen voeren. Wie in deze kamp op geleerden bouwt, is verloren".

Wat is voortdurende studie toch een noodzakelijk iets; men weet anders niet, waar men zo ongemerkt en ongewild terecht kan komen.

In een „Wat-elders-gebeurt" uit Woord en Dienst van 4 maart lezen we:

Ds. J. Pronk te Rotterdam schrijft in de Rotterdamse kerkbode dat hij in de laatste tijd nogal wat gesprekken heeft gevoerd met mensen die zich zorgen maken over de relatie van de kerk en de wereld. In dit verband verzet hij zich tegen het experimenteren dat hier en daar in de kerk plaats heeft. Hier beginnen, aldus ds. Pronk, velen te vragen of de kerk zich niet teveel met het moderne leven vereenzelvigt. Moet de aanpassing van de gemeente zover gaan dat men eigenlijk geen verschil meer ziet? Het zijn niet alleen ouderen die zich afvragen of de kerk haar „geheel-anders"-zijn bezig is kwijt te raken. Ook vele jongeren stellen deze vraag. Iemand die allerlei experimenten heeft gevolgd en als afgestudeerde midden in het leven staat, zei: „Waarom doen velen zo gewild populair? Ik verwacht van de gemeente iets anders: vertolking van het Woord Gods in deze tijd. Wij zijn al vrijblijvend genoeg en dat hoeft de kerk niet te vertolken".

We achten het overbodig om aan deze stem uit de kerk nog nadere commentaar toe te voegen.

Vlak voordat we de kopij voor dit nummer moesten verzenden, kwam ons nog onder ogen een artikel van ds. Groenewoud in „De Gereformeerde Kerk" onder het opschrift: Wat is nu eigenlijk Confessioneel. Met name keert hij zich tegen de neiging van verschillenden, die de confessionele prediking willen horen, en die daartoe zich dan gaan wenden tot de Geref. Bondsprediking, aangezien men die confessionele prediking bij vele confessionele predikanten niet meer hoort; velen van hen zouden namelijk bij de midden-orthodoxie terecht zijn gekomen. Aanleiding tot zijn schrijven is vooral een artikel in de kerkbode van Alblasserdam van ds. De Bie, die dit dan ook zo stelt.

Natuurlijk kunnen we begrijpen dat dit bij ds. G. tegen het zere been is, maar uit z'n artikel menen we meteen ook te kunnen opmaken, dat hij ook heel erg met dit probleem zit. Om te beginnen wordt het ons op geen enkele manier duidelijk gemaakt wat nu eigenlijk confessioneel is, ondanks de veelbelovende titel boven z'n artikel. We nemen namelijk aan dat ds. G., die van ds. De Bie verlangt dat hij wat dieper graaft en niet alleen maar met wat leuzen zwaait, toch niet veronderstelt dat hij ons verteld heeft wat nu eigenlijk confessioneel is, door er slechts op te wijzen, dat bij de confessionelen in de prediking en in het theologisch denken de nadruk valt op Jezus Christus, en dat het christocentrische kenmerkend is voor het confessionele.

Maar dan gaat ds. G. ons vervolgens wel uitvoerig vertellen wat de Geref. Bondsprediking is. We doen maar een greep.

Men stelt de bevinding dikwijls boven het geloof; de bevinding is eerst het echte! Hoe onbijbels. De Schrift noemt alleen het geloof als middel waardoor wij God kennen, Christus aannemen, in Hem nieuwe mensen zijn, zekerheid des heils hebben. De nadruk op de bevinding van de vrome mens heeft ook tot gevolg, dat het evangelie niet voluit als het Woord van Gods genade wordt verkondigd, waarop men mag vertrouwen. Er moet eerst wat met de mens gebeurd zijn, eer hij mag geloven. Het schuldbesef, de ervaring van de zonde en verlorenheid, de verslagenheid des harten moet er eerst zijn, eer men mag geloven.

We menen juist, dat bij de Geref. Bond, daar waar men zo nadrukkelijk opkomt voor het werk van de Heilige Geest in de prediking, dit werk van de Geest wordt gezien als een afzonderlijk werk, naast dat van Christus, buiten het Woord om. We menen dat dit een afwijking is van de reformatorische en dus confessionele gedachte, dat de Geest werkt door het Woord, en dat men dus geen geesteswerkingen buiten het Woord om moet zoeken, geen geestesopenbaringen los van het Woord, omdat men anders uitkomt bij de geestdrijverij . . . .

Het gevaar is zelfs niet denkbeeldig, dat men door zeer uitdrukkelijk te spreken over de Geest en Zijn werk, meent over de werking des Geestes te kunnen beschikken.

Na deze fraaie tekening van de Geref. Bond gaat ds. G. echter verder met z'n vrees uit te spreken, dat vele Geref. Bondscollega's zullen zeggen: het beeld dat gij van de Bond tekent is er naast. En inderdaad — zo schrijft hij — de situatie die ik tekende geldt niet voor de gehele Geref. Bond. Dikwijls heeft hij preken gehoord van Geref. Bondspredikanten, die zo recht voluit Christusverkondiging waren, zo troostrijk en bemoedigend, dat hij er van ganser harte mee instemde. Maar zo hier en daar is het toch nog zo zoals hij tekende, zo zijn sommige predikanten nog, en ook nog gemeenteleden, waar de predikanten al lang niet meer zo zijn. Er is in de Bond grote verscheidenheid.

Het is natuurlijk wel prettig om ds. G. min of meer te horen toegeven, dat hij een caricatuur van de Geref. Bond gegeven heeft. Blijkbaar heeft 'hij met z'n betoog willen uit komen bij de grote verscheidenheid die er in de Bond zou zijn, maar hij gelooft er zelf niet in. We zouden wel eens willen horen wat ds. G. op dit punt denkt van de Confessionele vereniging. Daar is toch „de grote verscheidenheid in de G.B." maar kinderspel bij.

We hebben het idee, dat ds. G. het tegendeel bereikt heeft van dat wat hij beoogde met z'n artikel. Hij trekt te velde tegen mensen die de confessionele prediking willen blijven horen, en die menen dat zij daartoe aangewezen zijn op predikanten die men kan rekenen tot de Geref. Bond. Daartoe gaat hij een vertekend beeld van de Bond geven om dan te eindigen in de grote verscheidenheid die daar is. Bij de Bond moet men dus niet wezen, want zo hier en daar is er nog geestdrijverij en staat niet Christus, maar de vrome mens in het centrum van de prediking. We worden door dit artikel er echter allerminst van overtuigd, dat als men niet een middenorthodoxe maar een echt confessionele prediking zoekt, dat men zich dan slechts te wenden heeft tot die predikanten die aangesloten zijn bij de Confessionele Vereniging.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's