De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

12 minuten leestijd

31 oktober 1945 — Over de verhouding van Bijbel en Kerkorde — Inauguratie van prof. C. V. d. Woude — Het komende Vaticaanse concilie en de vereniging aller „Katholieken" — Johannes de Heer heengegaan.

De 31e oktober 1945 moest voor de Ned. Herv. Kerk een historische dag zijn. Toen is in de Nieuwe Kerk te Amsterdam de periode van de „werkorde" voor die kerk ingeleid, die zou eindigen, wanneer de beloofde nieuwe Kerkorde klaar zou zijn en ingevoerd. Dr. Gravemeyer heeft in die samenkomst, mede ten overstaan van genodigden uit andere kerken, de Bijbel gelegd op de reglementenbundel. Een symbolisch gebaar, waarmede werd te kennen gegeven, dat voortaan in onze kerk niet, zoals voorheen, het reglement zou prevaleren boven de H. Schrift, maar de Kerkorde ondergeschikt zijn aan de Bijbel.

Aan deze vergadering op 31 oktober 1945 — die datum was natuurlijk wel met bijzondere bedoeling gekozen! ~ moest ik denken toen ik kennis nam van een polemiek tussen ds. Landsman en prof. Herman Ridderbos. De eerste had zich nogal geladen gekeerd — zie in Herv. Nederland, d.d. 11 maart 1961, het artikel „Bedenkelijke voorlichting" — over wat de laatste geschreven had in „Gereformeerd Weekblad" (uitgave J. H. Kok), d.d. 24 februari 1961, onder het hoofd: „Bedenkelijke beslissing". In de vorige „Kroniek" heb ik uit dat artikel iets overgenomen, waardoor m.i. de werkelijke situatie in onze kerk scherp in het licht werd gesteld.

Ds. Landsman meent, dat prof. R. in zijn typering bezijden de waarheid is geweest als hij „zonder daarvoor enige grond te vinden in het verslag van de vergadering der generale synode zonder blikken of blozen durft te beweren, dat de generale synode het beleid van haar moderamen zou hebben goedgekeurd, omdat zij bang was voor de terugslag, die een ontnemen van de emeritaatsrechten in de kerk zou hebben gewekt". Dit is eigenlijk wel de kern van het artikel van ds. L., dat te lang is om het hier in zijn geheel over te nemen. Ds. L., die zegt „al de vergaderingen" over deze procedure te hebben meegemaakt, verzekert prof. R., dat „overwegingen, die hij de Herv. synode toeschrijft, nooit enige rol in de besluitvorming hebben gespeeld".

In het „Geref. Weekblad" (uitgave J. H. Kok), d.d. 17-3-'61, beantwoordt prof, R. onder het opschrift „Teveel gezegd? " ds. L. Ik kan ook daaruit niet alles overnemen. Prof. R. zegt eerst dat ds. L. en hij het over twee dingen hebben: nl. ds. L. „als insider" over de procedure-Smits, over de kerkrechtelijke gang van zaken, zoals slechts enkele die kennen — „De spreek", zo zegt hij dan, „als buitenstaander over het verschijnsel Smits, zoals dat de aandacht heeft getrokken van heel kerkelijk en theologisch Nederland". Over de mogelijkheid of de kerkrechtelijke uitspraak over de zaak Smits anders had kunnen zijn — de meningen van de twee omnium consensu beste experts van het huidige hervormd kerkrecht, ds. Landsman en prof. Van Itterzon staan hier diametraal tegenover elkaar — zegt prof. R. niet te kunnen oordelen. Wat hij schreef, was wat de werkelijke toestand van de Herv. Kerk te zien geeft. Hij vervolgt dan:

„Maar gesteld nu eens, dat ds. Landsman en niet prof. Van Itterzon gelijk zou hebben en dat dus de beslissing, die men nam, inderdaad de door de ordinantiën aangewezene zou zijn, vervalt daarmee voor mij het recht om te zeggen: de samenstelling van de Ned. Herv. Kerk laat geen andere beslissing toe en daarom is er ook geen andere genomen? Want dan komt toch onmiddellijk de vraag op: hoe komt een kerk aan zulke ordinantiën, die het onmogelijk maken bepaalde ambtsdragers te beletten de kern van het evangelie aan te tasten, zoals prof. Smits dat deed? En wanneer een kerk, laat ons zeggen: door een vergissing of een omissie, zulke ordinanties heeft, hoe kan zij dan na twee jaar beraad zich in haar hoogste colleges ertoe bepalen te constateren, dat het haar niet mogelijk is in te grijpen, anders dan op de wijze van „het gesprek"? Dat is, naar mijn oordeel, alleen dan mogelijk, wanneer deze omissie of leemte een punt raakt waarover men het krachtens de samenstelling van die kerk niet eens is en voorlopig ook wel niet eens zal worden. Want anders zou men in twee jaar tijd wel. gezorgd hebben, dat in deze leemte was voorzien.

Als ds. Landsman tegenover degenen die zeggen: laat de Schrift toch boven de kerkorde gaan, antwoordt: dat kunt ge alleen zeggen, als ge geen eerbied hebt voor de rechtszekerheid in de kerk — kan hij, formeel gesproken, zéér wel gelijk hebben. Het is.best mogelijk, dat de door de ordinantiën gestipuleerde rechtszekerheid niet toelaat, dat in een bepaald geval de Schrift boven de kerkorde zou gaan."

Waar zo de dingen staan, meent prof. R. te mogen constateren, dat men zich vastbeet in het formele, het kerkrecht liet prevaleren, boven het goddelijk recht. Letterlijk zegt hij dan:

„Dat kan ik mij alleen voorstellen van een Synode, die juist over dat goddelijk recht in de kerk het in de grond der zaak niet eens is.

Daarom heb ik als mijn oordeel te kennen gegeven, dat krachtens de samenstelling van de Herv. Kerk (en niet slechts vanwege een lacune in de ordinanties) de beslissing gevallen is zoals zij viel."

Hij voegt er aan toe „peccavi" — ik heb gezondigd — te zullen zeggen als ds. L. hem van een onjuiste zienswijze overtuigt. Hij besluit als volgt:

„Dan moet hij mij uitleggen, hoe het komt dat deze menselijke ordinanties tot nu toe kunnen frustreren wat voor mij en — ik ben er van overtuigd — ook voor hem een goddelijke ordinantie voor de kerk is: dat het geheimenis van de verzoening door het bloed van Christus in de kerk niet alleen niet op grove wijze gelasterd, maar ook niet in onberispelijke vorm geloochend zal worden.

Pas als hij zou kunnen duidelijk maken, dat deze ongerijmdheid niet gelegen is in de innerlijke tegenstrijdigheden van de eenheid der Ned. Herv. Kerk, zou hij, dacht ik, het recht hebben mij een bedenkelijke voorlichting te verwijten."

Ik meen, dat prof. R. de situatie in onze kerk juist gepeild heeft en niet teveel heeft gezegd, toen hij sprak van „rep en roer", indien aan prof. Smits de rechten van emeritus-predikant waren ontnomen. De leertucht-clausule moet bij de opstelling en aanvaarding der kerkorde 'n heet hangijzer geweest zijn. De aanneming tenslotte, heeft, naar verluidt, aan een zijden draad gehangen. Het gevaar dreigde van vrijzinnige zijde; juist inzake de leertucht. Ik kan de waarheid van wat „verluidt", niet bewijzen. Maar alles samengenomen — en dan denk ik ook aan het uitstel van de volle procedure tot 1961 — lijkt mij prof. R. de spijker op de kop te hebben geslagen.

Dr. Gravemeyer's symbolische handeling was treffend, maar wat hij ermede aanduidde is nog geen werkelijkheid. De Bijbel ligt niet op het reglement alias de ordinantiën. Wat deze gang van zaken voor gevoelens bij dr. Gravemeyer heeft opgewekt? Hij trad terug uit de kerkelijke praxis. Wij horen zijn stem niet meer. Het gerucht wil, dat hij in dezen gedesillusioneerd is. Maar was een andere gang van zaken denkbaar, gegeven onze kerkelijke samenleving, waarin men ten koste van alles elkander wil vasthouden?

Op dinsdag 28 februari l.l. heeft prof. C. V. d. Woude, voorheen predikant bij de Geref. Kerk van Leeuwarden, officieel het hoogleraarsambt aan de Theologische Hogeschool der Geref. Kerken te Kampen, aanvaard.' Het onderwerp voor zijn inaugurele oratie was een geschrift van Hugo de Groot. Het luidde: „Hugo Grotius en zijn Pietas ordinum hollandiae ac westfrisiae vinduata", dat wil zeggen „Hugo de Groot en zijn verdediging van de godsdienstigheid aan de staten van Holland en West-Friesland". Blijkens de verslagen moet het een boeiende rede geweest zijn, die indringend oriënteerde in de strijd tussen Remonstranten en Contra Remonstranten vóór de Dordtse Synode. Het merkwaardige van dit geschrift is wel, dat Grotius, bekend als medestander van Oldenbarnevelt en remonstrants gezind, daarmee heeft getracht op dat moment ten gunste van de Contra Remonstranten in. te grijpen. Prof. v. d. W. heeft zijn gehoor deskundig georiënteerd in dat verleden vol van vermenging van politieke en kerkelijke onenigheden, maar dan zo, dat bij doortrekking der lijnen naar het heden, werd aangetoond, dat de vragen naar „waarheid en eenheid", welke het huidige kerkelijk leven beroeren, ook toen, zij het met een vormgeving aan die tijden ontleend, de geesten bezighielden, met name Hugo de Groot.

In het verslag van „Geref. Weekblad" (uitgave J. H. Kok), d.d. 11-3-'61, waaraan ook het hiervóór vermelde werd ontleend, maakte de schrijver melding van een bericht over deze plechtigheid in het „Handelsblad". Dat hoofdstedelijk orgaan wist o.m. mede te delen dat drs. C. V. d. Woude 28 januari 1921 werd geboren, remonstrants is en lid van de P.v.d.A. Een dergelijk bericht, dat niet aan drukfouten te wijten is, — ds. Landsman plaatste in Herv. Nederland, d.d. 18-3-'61, een rectificatie van zijn artikel, waarop prof. v. Itterzon had gereageerd onder het opschrift „drukfouten" — moet wel op een slordigheid berusten, welke men niet zou verwachten in een orgaan van „standing" als het „Handelsblad". Wij zullen ons maar niet verdiepen in de vraag hoe een dergelijk absurd bericht kon worden opgenomen. Prof. v. d. Woude zal het niet deren. Naar menselijke rekening zal zijn professoraat niet van lange duur zijn. Hij is immers ruim 60 jaar en een hoogleraar kan maar tot zijn 70ste jaar aanblijven. Niettemin kan het een gezegend en vruchtbaar professoraat zijn voor kerkgeschiedenis en kerkrecht. En dat wensen wij hem van harte toe en de kerken, die hij dient.

Telkens verschijnen in het nieuws allerlei berichten over het komende Vaticaans concilie, waartoe Paus Johannes XXIII het besluit nam. „Trouw", d.d. 20-3-'61 wist mede te delen, dat een hoge prelaat van de Anglicaanse Kerk in Engeland is afgevaardigd om als „waarnemer" het concilie bij te wonen. Zulk een opdracht schijnt heel wat in te houden, want de benoemde, een kanunnik Pawley zal na Pasen, als ik goed gelezen heb, reeds naar Rome gaan om zich te oriënteren bij het secretariaat, dat de afvaardiging van uit te nodigen niet-roomse kerken moet regelen. Er zullen daar wel meerdere afgevaardigden-waarnemers verschijnen. Het „Katholiek Nieuws" van de K.R.O., deelde dinsdag 21 maart l.l. mede, dat de patriarch van de Grieks-Orthodoxe Kerk goede hoop had, dat het komende concilie vruchtbaar zou zijn voor de eenheid tussen de r.k. kerk en de andere „Katholieke" kerken. Dan zou Paus Johannes XXIII wellicht de erenaam in zijn kerk verkrijgen van paus der eenheid. Rome werkt wel om een kerkelijk eenheidsfront tot stand te brengen. Moeten „vervolgingen" daartoe meewerken? Ik stel die vraag, omdat ik in een bericht las over de moeilijkheden der r.k. kerk in Polen, dat van de zijde van de Poolse leider Gomulka was gezegd, dat de verstoring van de goede verhouding tussen kerk en staat aldaar, was gedecreteerd door 't Vaticaan. (N.R.Crt. dd. 21-3-'61) ^). Ik laat dat voor wat het is, want bewijs werd niet geleverd. Maar afgezien van wat over Polen werd gemeld, waar de zaken weer scherp staan, het eenheidsstreven van Rome gaat door. Het bekoort vele protestanten, en bevordert een zekere „verbroedering", welke ook in de hand wordt gewerkt door de actie voor Bijbelonderzoek, welke mede door de verschijning van de nieuwe populaire Bijbelvertaling van r.k. zijde, wordt bevorderd. Nu is het te prijzen, dat men van roomse zijde zich beijvert voor verspreiding van de Bijbel, en het lezen daarvan, maar of het geraden is een gemeenschappelijke bijbelcolportage van protestanten en roomsen te bevorderen, gelijk in Den Haag geschiedde, is een andere kwestie. Dat de rooms-katholieke kerk de kerk van het Pausdom is, wordt te licht vergeten. De berichten van eenheidsstrevingen en gezamenlijk bijeenkomsten houden, welke men veelvuldig kan lezen, kunnen geleidelijk een overtuiging bewerken, dat de verschillen over en weer niet zo wezenlijk zijn, als altijd geleerd werd. En dat is niet naar het reformatorisch belijden. Eenheid is een schone zaak, doch op basis van de Waarheid der Schriften. Dat wordt in onze tijd van vervlakking teveel vergeten!

Op 94-jarige leeftijd is de 16e maart jl. te Driebergen overleden de bekende Johannes de Heer. Een merkwaardige figuur is hij geweest. Uit de smederij — hij was bestemd smid te worden — kwam hij op een handelskantoor, en wist later een muziekhandel van omvang te stichten. Na bij de adventisten te zijn geweest, distantieerde hij zich van die secte, omdat hij zich niet meer in haar leerstellingen kon vinden; hij werd de stichter en leider van de Maranathabeweging. Door zijn tentzending heeft hij velen met het Evangelie kunnen bereiken. Zijn liederenbundel, die in duizenden exemplaren werd verkocht, gaf hem mede grote bekendheid. Hij was mede-oprichter van de N.C.R.V. en lid van het Hoofdbestuur. Ondanks alle aandrang daartoe op hem uitgeoefend, wilde hij geen aparte gemeente stichten, doch bleef in de Hervormde Kerk. Dr. Boerwinkel heeft dit met erkentelijkheid in een artikel aan De Heer gewijd, in „Trouw", d.d. 15-3-'61, gememoreerd. Johannes de Heer was in onze kringen minder bekend. Misschien waren er enkelen, die zijn blad „Het Zoeklicht" lazen en ook zijn liederenbundel wel gebruikten. Dat verhindert ons geenszins hem te herdenken als een man, die rusteloos voor de ere en het rijk van de Koning der eeuwen streed, in Wiens rust hij mocht ingaan. Christus leert ons ook in zulken, dat het niet allereerst aankomt op het „met ons" Hem volgen, doch op het volgen van Hem. (Lukas 9 vers 49 en 50).


^) Letterlijk: Het Vaticaan heeft vervolgingen nodig, en zoekt ze in Polen, waar ze niet bestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's