HOSEA EN PASEN
Christus is opgestaan uit de doden naar de Schriften. Alles is aan Hem geschied, opdat de Schriften zouden vervuld worden. Telkens wordt daar in het Nieuwe Testament op gewezen, opdat de grond des geloofs vast zou zijn in de onwankelbare belofte Gods. Het geloof staat en valt immers met de waarheid van de Schrift. Gij hebt het profetische woord, dat zeer vast is. Als het geloof dat niet had, had het niets.
Dat het Oude Testament van de opstanding getuigt is onmiskenbaar. Het is immers de openbaring van de levende God. Een enkele keer wordt heel duidelijk, dat het leven bewaard wordt door de dood heen, bijvoorbeeld bij Job, in Psalm 16, in Ezechiël 37. Dan wordt wel heel rechtstreeks iets zichtbaar van het leven uit de doden, maar dat is zeldzaam. Maar het hele Oude Testament is een opstandingsboek in die zin, dat het voortdurend gaat over God die leeft en Zijn volk doet leven. Zelfs door het gericht heen handhaaft zich Zijn trouw. Waar de wegen verstrikt raken in de schuld wordt toch het uitzicht niet beneveld, maar behaalt Gods genade een duidelijke overwinning. De profeten hebben het oordeel onverkort gepredikt, maar het heil wordt er nooit door ondergraven. De gemeente wordt gered als een brandhout uit het vuur, als een paar vruchten aan een geplukte boom. De rest keert weer. In dit opzicht is ook Hosea een opstandingsgetuige.
Maar wij zouden nu eens willen luisteren naar twee teksten uit Hosea, die op het eerste gezicht bijzonder duidelijk over de opstanding van Christus schijnen te spreken en daar ook veelvuldig op worden toegepast. Hosea mag wel bij uitstek de evangelist van het Oude Testament worden genoemd. Hij heeft niet alleen, zoals de anderen, het komende heil verkondigd, maar hij heeft het ook uitgebeeld, gedragen, in zijn eigen leven. Wij denken dan aan zijn huwelijk met Gomer, waarin hij zich moest vereenzelvigen met de zonde van zijn volk, zo innig als wij het welhaast nergens in het Oude Testament vinden. Het probleem of dit wel een echt huwelijk kan zijn geweest valt weg zodra wij het zien in 't licht van de vleeswording des Woords. Dan zien wij, dat Hosea met zijn ergernisgevend huwelijk het dichtst staat bij de ergernis van Christus, die de persoon des zondaars heeft aangenomen.
In Hosea 6 : 2 staat: Hij zal ons na twee dagen levend maken, op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen en wij zullen voor Zijn aangezicht leven. Onmiskenbaar doen deze woorden een profetie van de opstanding van Christus vermoeden en men heeft zich afgevraagd of deze tekst bedoeld is als Paulus zegt, dat Christus is opgestaan ten derde dage naar de Schriften.
De uitleg van deze tekst is niet eenvoudig en de resultaten ervan nogal tegenstrijdig. De vraag is namelijk of Hosea 6 : 1—3 in gunstige of in ongunstige zin moet worden uitgelegd. Is het een oprechte belijdenis, die onder het gericht Gods geboren wordt of zijn het vrome frasen zonder waarachtige bekering? Sluit het aan bij Hosea 5 : 15: als het hun bange zal zijn zullen zij mij vroeg zoeken? En is het dus zo, dat dit het gebed is waarin de Heere in oprechtheid zal worden gezocht? In dat geval behoeft het ons niet te verbazen, dat wij juist in dat verband woorden horen, die het opstandingsgeloof vertolken. Hoewel het dan natuurlijk niet primair gaat over de opstanding van de Messias, maar over het tot leven komen van de Zijnen. De perikopenindeling van de Nieuwe Vertaling doet deze uitleg vermoeden, omdat zij bij vers 4 een nieuw gedeelte laat beginnen.
Intussen is het dan niet helder meer waarop de vraag van vers 4 slaat, de min of meer radeloze vraag van God: wat zal Ik u doen, o Efraim? Want deze vragen zijn onmogelijk zonder het verband met de menselijke schuld. De genade heeft nooit een verband, omdat zij alleen voortkomt uit de ontferming Gods en alleen gezien kan worden in het licht van het „nochtans". Maar het oordeel hangt altijd onlosmakelijk samen met de zonde. Het gericht is de goddelijke reactie op het uitblijven van de waarachtige bekering. Als vers 4 dus geen verband zou hebben met de onbekeerlijkheid zou de willekeur dreigen. Waarom zegt God, dat Israels weldadigheid oppervlakkig is als een morgenwolk, vluchtig als een dauw, die heengaat? Is dat zijn reactie op de belijdenis in vers 1—3? Mij dunkt, dat wij inderdaad vers 1—6 moeten zien als één geheel. Dat is van beslissende betekenis voor de uitleg van de eerste verzen, omdat wij daar dan te doen hebben met een belijdenis, die om haar ongenoegzaamheid wordt afgewezen.
In Hosea 14 treffen wij ook een schuldbelijdenis en het is onmiskenbaar, dat daarin de toon heel anders is, omdat daar ronduit de ongerechtigheid beleden wordt. In Hosea 6 lezen wij over de schuld en zonde niets. Er wordt wel gesproken vanuit het vertrouwen, maar niet vanuit de verbrijzeling des harten. Daarom is dit vertrouwen geen fiducia, geen waarachtig Godsvertrouwen, dat altijd in de diepte geboren wordt, maar securitas, verzekerdheid en dus een lichtvaardige zaak.
Hosea 6 kan ons helpen als toetssteen van ware en valse bekering, als een waarschuwing voor al te goedkope troost. Men wil een weg zoeken naar de genade zonder het blootleggen van de diepten van het menselijk hart. Men ziet wel de nood, maar niet de schuld waaruit zij voortgekomen is. Men belijdt wel de genade, maar niet als het ongedachte wonder, als onverdiende redding, maar veeleer als een proces, dat zich natuurnoodwendig moet voltrekken. Het is een gebruik maken van de woorden Gods om zichzelf op een gemakkelijke manier gerust te stellen. Hosea heeft scherp gezien waar het de Heere werkelijk om te doen is. Daarom plaatst hij deze belijdenis in dit teleurstellend verband. Het is in onze tijd waarin vaak zo gemakkelijk over vertrouwen op God gesproken wordt buiten het levende verband van schuld en genade om bijzonder nuttig deze teksten in dit licht te lezen.
Maar dan krijgen de bedoelde woorden uit vers 2 ook een heel andere betekenis. Met twee a drie dagen wordt bedoeld een korte tijd. Het gericht is wel een serieuze zaak, maar in een oogwenk zal de schade toch weer hersteld worden.
In de oud-oosterse religieuse wereld kende men de termijn van twee a drie dagen in verband met het sterven en herleven van de vruchtbaarheidsgoden, waarin het ritme van de natuur mythisch werd beleefd. Het was dus in het heidense milieu een bekende figuur en allerlei religieuse praktijken concentreerden zich rondom dit natuurgebeuren. Uit Hosea blijkt doorlopend, dat Israël bepaald niet afwijzend stond tegenover deze religie en probeerde die dienst van God ermee te verbinden. De openheid, beurtelings voor Assyrië en Egypte, ook in cultureel opzicht, werkte dat sterk in de hand. Ook uit vers 3 blijkt, dat men zich bij voorkeur uitdrukte in de terminologie van het natuurlijke leven. Men vergeleek het komen Gods met de regen. Of ging het juist om de regen, de vruchtbaarheid en dus om de mogelijkheid om het oude leven met behulp van God op de oude voet voort te kunnen zetten?
Mogelijk is vanuit deze beïnvloeding de spreekwijze van vers 2 een vaste uitdrukking geworden voor iets wat in korte tijd voorbijgaat. Als deze uitleg juist is heeft vers 2 met de opstanding niets te maken, maar alles met de lichtvaardigheid en oppervlakkigheid van Israels godsdienstig leven. Het is dan een bittere ironie als God van Zijn kant dit alles vergelijkt met het vluchtige van morgenwolk en dauw.
Nu nog iets over Hosea 13 : 14: doch Ik zal hen van het geweld der hel verlossen. Ik zal ze vrijmaken van de dood; o dood, waar zijn uw pestilentiën? Hel, waar is uw verderf? Deze tekst wordt door Paulus aangehaald in zijn lofzang op de Opgestane in 1 Corinthe 15. Het verband van Hosea 13 doet zo'n jubel echter allerminst vermoeden. Vandaar dat verschillenden er geen heilsprediking in kunnen zien en vers 14a in vraagvorm willen lezen: zal Ik hen van het geweld der hel verlossen? Van Gelderen-Gispen zegt: „uit de macht van het dodenrijk zal de Heere hen niet loskopen en van de dood, die Efraïm zelf over zich haalt hen niet verlossen. Integendeel, Hij roept de pestilentie en de prikkel van dood en dodenrijk zelf op en zegt, dat Hij geen medelijden kent". Maar vers 14b verzet zich toch wel tegen deze uitleg, omdat het te stellig heilsprediking is en bijgevolg zal vers 14a ook op dit heil moeten slaan.
Intussen vloeit zo'n juichkreet ontegenzeggelijk niet uit het verband voort. Maar staan wij daarin niet juist voor het „nochtans" van de genade, het onlogische van de overwinning Gods waardoor de stoutmoedigste verwachtingen overtroffen worden? Het gaat hier over een hopeloze situatie van uit het volk. God dringt in de richting van de wedergeboorte, alles richt zich op de overwinning van het leven. Maar het stuit af op de onwil van Israël, zodat het niet verder komt dan een doodgeboren kind, een blijven staan voor de poort van het leven. Daardoor lijkt alles nu voorgoed hopeloos te zijn.
Juist daar verkondigt God zonder overgang Zijn heil in een machtig contrast. Want tegenover deze gevangenis in de schuld handhaaft Hij souverein Zijn recht op Zijn kinderen. Hij treedt op als de goël, de naaste bloedverwant, die door de dood heenbreekt en de samenhang van zonde en dood verbreekt. Voor Hem zijn er geen definitieve onmogelijkheden; die worden ook door de schuld van Zijn volk niet opgeworpen. Hij keert zich tegen de dood, tegen de gevangenis van de schuld, waarin zij zichzelf hadden opgesloten. Hij behaalt door alle onheil heen de overwinning, het gericht is Zijn voorlaatste woord. Daarom is Hij de dood voor de dood, de pest voor de pest, de Verderver van het verderf.
Dit is als een bergtop, die boven de profetie van Hosea oprijst. Hoe dat gaan zal blijft hier een verborgenheid. Het is nog als een bergtop, die even in de mist zichtbaar wordt. Straks trekt de mist op en openbaart zich de opgestane Christus. Paulus neemt het dan weer op en zet het in het verband van het verlossingswerk.
Maar Hosea heeft het met anderen van verre aanschouwd en er in catastrofale tijden van getuigd. Hij leefde op de breuklijn van Israels volksbestaan. Nog maar een ogenblik en het zou begraven worden in de dood van de ballingschap. Maar zijn geloof overspant de afgrond, zoals ook Ezechiël in de hopeloosheid getuigen mocht van de doodsbeenderen, die tot leven zouden komen.
En wij denken dan ook aan Paulus, die een verharding over zijn volk Israël ziet komen maar door het geloof weet, dat dat niet definitief kan zijn en dan gaat spreken over het weer aangenomen worden en zegt, dat het zal zijn als een opstanding uit de doden. Vanuit de opstanding van Christus is voor Israël en de volkeren de overwinning van de dood het einde en de bekroning van de geschiedenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's