De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SAUL, BROEDER...

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SAUL, BROEDER...

9 minuten leestijd

Wanneer Saulus van Tarsen te Damascus in het huis van een zekere Judas, dat in de Rechte-straat gelegen was, zonder te eten en te drinken drie dagen biddend heeft doorgebracht, ontvangt hij bezoek van Ananias. In een gezicht had de Heere hem daar al op voorbereid. Ook was hem op die manier al van te voren gezegd, wat Ananias bij hem zou komen doen: hij zou hem de handen opleggen, opdat hij zijn gezichtsvermogen weer terugontvangen zou, dat hij verloren had, toen hij de heerlijkheid van de verhoogde Christus had aanschouwd.

De betekenis, die de komst van Ananias voor de verdere gang van Paulus' leven gehad heeft, mogen wij niet onderschatten. Toen de Heere hem in zijn ijver gestuit en ter aarde geveld had, had Hij gezegd, dat hij op moest staan en de stad in gaan, en dat hem daar verteld zou worden, wat hij doen moest. Voor dit laatste heeft de Heere Ananias willen gebruiken. Die mocht in Zijn handen het instrument zijn om Paulus mede te delen, wat Christus van hem wilde, nu hij zich aan Hem had overgegeven.

Ananias is in het Nieuwe Testament maar een neven-figuur. Hij verschijnt slechts even op het toneel van het heilshandelen van Christus, om terstond daarop weer te verdwijnen. Dat neemt echter niet weg, dat hij toch een zeer belangrijke rol vervuld heeft. In dienst van de Heere heeft hij er aan mogen medewerken, dat Paulus bekend gemaakt werd met de grote taak, waartoe Christus hem bestemd had. Hoe dikwijls zijn het niet de schijnbaar onbelangrijken, die bepalend geweest zijn voor het leven van de groten van Gods Kerk? De middelen, waarvan de Heere der Kerk zich bedient, zijn menigmaal zeer eenvoudig. Denk maar aan wat een Klaas Kuipenga voor Hendrik de Cock, en een Pietje Baltus voor Abraham Kuyper hebben mogen zijn. Om van anderen nog maar te zwijgen.

Wat wij van Ananias weten, bestaat enkel uit een paar korte notities, die Lukas met betrekking tot zijn persoon in de Handelingen der Apostelen ons nagelaten heeft.

Uit de naam, die hij draagt, kunnen wij opmaken, dat hij van geboorte een Jood geweest is. Ananias beduidt: Jahweh is genadig. Voorts horen wij, dat hij te Damascus gewoond heeft. Wellicht heeft 'hij behoord tot de aanzienlijke Joodse kolonie, die daar destijds gevestigd was. Men heeft wel eens het vermoeden uitgesproken, dat Ananias een dergenen geweest is, die omwille van de vervolging der gemeente uit Jeruzalem naar Damascus uitgeweken waren. Meer dan een vermoeden is dit niet, want in de Schrift wordt daar met geen woord over gesproken. Het is even goed mogelijk, dat Ananias van zijn jeugd af aan te Damascus woonachtig was.

Het blijkt, dat hij tot het waarachtig geloof in Christus Jezus gekomen is. Lukas noemt hem immers „een zeker discipel". Daarmede wordt hij aangeduid als een volgeling van de Heere. Discipelen zijn in de Handelingen namelijk die mannen en vrouwen, die hebben leren geloven, dat Jezus, de gekruisigde en opgestane, de Messias is, en die zich aan Zijn heerschappij hebben leren onderwerpen.

Hoewel Ananias een discipel des Heeren was, stond hij niettemin goed bekend bij de overige Joden te Damascus. Als Lukas ons een verslag geeft van de rede, waarmede Paulus zich volgens Hand. 22 voor zijn volksgenoten verdedigt heeft, toen zij hem op het tempelplein gegrepen hadden en hem ombrengen wilden, vermeldt hij ons, dat de apostel van Ananias gezegd heeft, dat hij „een godvruchtig man naar de Wet (was), goede getuigenis hebbende van al de Joden, die daar woonden." Daarmee heeft hij hem geschetst als een vrome, die er niet een eigenwillige godsdienst op na hield, doch die deed, wat God in Zijn Wet geboden heeft, en die aldus respect afdwong bij de Joodse kolonisten.

Van deze Ananias heeft de Heere zich willen bedienen om Saulus van Tarsen op de rechte weg te brengen. Hoe Hij hem daartoe bewogen heeft, wordt ons nauwkeurig verhaald. De Heere maakte gebruik van een gezicht, een horama, zoals er in het Grieks staat. Dat was een van de middelen, waardoor openbaringen plaats vonden. Meermalen komt het in Gods Woord voor, dat de wil des Heeren door gezichten te kennen gegeven wordt. Gezichten worden zowel in wakende als ook in slapende toestand ontvangen. Zij staan dus niet geheel en al gelijk met dromen. Daar hebben wij terdege op te letten.

Wanneer Christus Ananias bij zijn naam roept en hem opdraagt naar Saulus van Tarsen te gaan, die ten huize van Judas in de Straat, genaamd de Rechte, verblijf houdt, komen de bezwaren los. Ananias heeft er weet van, wie deze Saulus van Tarsen is. Het is hem niet onbekend gebleven, wat hij de gemeente van Jeruzalem heeft aangedaan, noch ook, met welke volmacht hij namens de overpriesters naar Damascus gekomen is. Velen hebben hem daarover ingelicht. De geruchten zijn ook tot hem doorgedrongen. Ook al zegt Ananias niet ronduit, dat hij er tegen op ziet om te voldoen aan het bevel van Christus, uit de wijze, waarop hij over Saulus spreekt is wel duidelijk, dat hij vreesachtig geworden is, en dat hij de opdracht, die hem in dit gezicht gegeven werd, verre van aangenaam gevonden heeft. De roeping, waarmee de Heere tot hem kwam, achtte hij niet gemakkelijk. Ananias aarzelde. Van onmiddellijke gehoorzaamheid des geloofs is geen sprake. Wat hij de Heere antwoordde, is bedoeld als een tegenwerping tegen het gebod. Wij mogen wel wijzen op de parallellen, die zich in de Schrift bij de roeping van Mozes, van Gideon, van Jeremia enz. voordoen. Gods geroepenen gaan meestal niet aanstonds, als de Heere hun beveelt heen te gaan en te doen, wat Hij hun gebiedt. Te veel zien zij vaak op wat voor ogen is, en te weinig op de Heere, die hen riep. Het is dan ook nodig, dat die Heere zélf hun bezwaren overwint en te niet doet.

Ook bij Ananias is dat geschied. Christus heeft in het gezicht, dat Hij hem deelachtig maakte, Zijn bevel herhaald: , , Ga heen". En tegelijkertijd heeft Hij hem verklaard, waarom hij gaan moest, Hij heeft Ananias uitgelegd, wat Hij met Saulus van Tarsen op het oog had. Blijkbaar was de verklaring, die Christus de eerste keer gegeven had, toen Hij Ananias beval te gaan, niet voldoende voor deze geweest. Toen had Hij hem gezegd, dat er iets opmerkelijks met Saulus aan de hand was: hij bad. Was dat opmerkelijke aan Ananias die eerste maal ontgaan? Had het te weinig indruk op hem gemaakt? Wij gissen maar. Vooral omdat de Heere Zijn aanwijzing betreffende het bidden van Saulus ingeleid heeft met: „en zie ...", — een vorm van spreken, waardoor buitengewone aandacht gevraagd wordt voor hetgeen gaat volgen.

Hoe dit ook wezen moge, wanneer de Heere ten tweeden male uitleg geeft van de reden, waarom Ananias bij Saulus een bezoek moet brengen, dan is Hij uitvoeriger. Ongetwijfeld om de tegenwerpingen van Ananias uit de weg te ruimen, Hij zegt dan: „Deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn naam te dragen voor de heidenen, en de koningen en de kinderen Israels; want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn naam",

Saulus is dus een uitverkoren vat. Daar komt het op aan. Wat heeft de Heere daarmee bedoeld? De Nieuwe Vertaling van het N.B.G. en prof. Brouwer zetten deze spreekwijze over met: een uitverkoren werktuig. Ook de Kanttekeningen van de Staten-Vertaling gaan in die richting. Zij zeggen, dat „vat" betekent: instrument, of dienaar en gezant. En daarbij verwijzen zij naar 2 Cor. 5 vers 20 en naar Gal. 1 vers 15 en 16. Dat is volkomen in overeenstemming met de zin, die het woord, dat in het Griekse Nieuwe Testament voorkomt, hebben kan, als het in overdrachtelijke zin gebezigd wordt. Houden wij dit in het oog, dan wordt de strekking van Christus' woorden, tot Ananias gericht in het gezicht, geheel doorzichtig. Ananias behoeft niet bevreesd te zijn. Saulus is verkoren tot een dienstknecht van Christus. De vervolger der gemeente zal voortaan een getuige des Heeren zijn.

Het moet ons voorts wel opvallen, dat de Heere reeds hier het lijden ter sprake brengt, dat Paulus ten deel zal vallen. Getuige-zijn en lijden schijnen sterk met elkaar samen te hangen. Elders in het Nieuwe Testament worden wij in die mening bevestigd. Zowel in de Evangeliën als in de Brieven. Hier willen wij slechts herinneren aan de opsomming van al zijn lijden voor het Evangelie, die Paulus in 2 Cor. 11 vers 23-28 geeft: hij is geslagen, hij is in gevangenissen geweest, hij heeft in doodsgevaar verkeerd, hij heeft vijf maal de veertig min één geselslagen van de Joden ontvangen, hij is drie maal met roeden gegeseld, hij is één maal gestenigd, hij heeft drie maal schipbreuk geleden, hij heeft een ganse nacht en dag in de diepte doorgebracht, hij is menigmaal in gevaar geweest door rivieren, door moordenaars, door volksgenoten, door heidenen, door valse broeders .... De passage is overbekend. Ook mogen wij niet nalaten de aandacht te vestigen op wat hij schrijft in Col. 1 vers 24: hij verblijdt zich in zijn lijden voor de gemeente van Colosse, en hij vervult in zijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus voor zijn lichaam, als dienaar des Evangelies.

Op het enge verband tussen het getuigen van Christus en het lijden kunnen wij niet genoeg de nadruk leggen. Het schijnt ons toe, dat dit een notie is, die onder ons al te zeer in het vergeet-boek is geraakt. Geheel ten onrechte evenwel. Christus Zélf heeft 't Zijn discipelen al geleerd.

Door deze uitleg van Christus heeft Ananias de moed kunnen opbrengen om zijn voeten te richten naar het huis van Judas. Ja, nog meer. Door deze uitleg van Christus heeft hij Saulus van Tarsen óók kunnen toespreken als: „Saul, broeder ...., " toen hij hem de handen oplegde. Hij was in staat deze man, van wie hij zó veel kwaads vernomen had, de broeder-naam te geven. Dat is opmerkelijk. Het woord broeder wordt namelijk in het Nieuwe Testament niet zo maar klakkeloos uitgesproken, zonder verder nadenken. Het wordt alleen dan gebruikt, als de leden van de gemeente van Christus zich geestelijk met elkaar verbonden weten, als er een geestelijke broederschap in Christus, de Heere, bestaat. Toen Ananias Saulus zijn broeder noemde, gaf hij daar dan ook mee te kennen, dat hij hem als een mede-christen beschouwde, als een lid van de kerk des Heeren. Hij sprak er mee uit, dat er in Christus een band des geloofs en der liefde was, die hen met elkaar verenigde. Saulus en Ananias — zij waren, elkanders broeders in de Heere. Het kan wonderlijk gaan, als Christus aan het werk is!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

SAUL, BROEDER...

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's