IN HET HUIS VAN JUDAS
Wat is er nu eigenlijk precies voorgevallen bij de ontmoeting tussen Saulus van Tarsen en de discipel Ananias, toen de Heere Zélf hen beiden als broeders samengebracht had in het huis van Judas te Damascus?
Wat in Handelingen 9 vers 17-19 en in Handelingen 22 vers 12-16 daarvan door Lukas verhaald wordt, stelt ons in staat om ons dit enigermate voor te stellen.
Wij leren daaruit dat Ananias, toen hij binnengekomen was, bij Paulus is gaan staan. Dat is op zichzelf al een bijzonder feit dat alleen maar zijn verklaring vinden kan in datgene, waarin de Heere Ananias heeft onderricht, toen Hij hém in het gezicht verklaarde om welke reden hij Paulus op moest zoeken. Slechts tegen de achtergrond van het tweegesprek tussen de Heere en Ananias komt de diepe betekenis van deze daad van Ananias tot haar recht. Hij getuigt van de overwinning, die de Heere op Ananias behaald heeft toen Hij de motieven van zijn vreesachtigheid weg nam. Ananias durfde op Paulus toe te treden, omdat het Woord van de levende Christus, hem bij zijn roeping geschonken, zijn hou-vast mocht zijn. Alleen op grond van dat Woord waagde hij het Paulus te naderen. Wat Christus hem gezegd had, wat het enige fundament van hetgeen hij deed. Dat is leerzaam — ook voor ons. Het wijst ons op de kracht, die er door de werking des Geestes van het Woord van Christus uitgaat. Van die Christus, die vanuit de hemel Zijn werk op deze aarde volvoert. Van vreesachtigen maakt het moedigen om Christus' wil. En het doorbreekt alle barrières, die een mens uit angst tegen zijn roeping meent te moeten opwerpen. Doch dit slechts ter zijde.
Als Ananias bij Paulus gekomen is, legt hij hem de handen op. Dat is het volgende, waarop wij letten moeten. Over de oplegging der handen wordt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament meermalen gesproken. Dr. P. A. Elderenbosch heeft indertijd zijn proefschrift aan deze materie gewijd, en geprobeerd om, zoals hij het zelf zegt, „tot een zuiver inzicht te komen in hetgeen de oplegging der handen betekent", zoekend naar „de samenhang, die er tussen de uiterlijke handeling en de innerlijke achtergrond daarvan bestaat". Bestudering van deze dissertatie is nog steeds de moeite waard, ook als men de schrijver niet volgen kan op al de wegen, die hij gaat.
De oplegging der handen komt vooral bij de Oudtestamentische offerdienst voor. Wij horen, dat handoplegging plaats moest vinden o.a. bij het brandoffer, het vredeoffer, het wijdingsoffer en het zondoffer. Prof. Gispen heeft eens opgemerkt, dat wij, om tot vaststelling van de betekenis van deze ceremonie te komen, vooral dienen te letten op die plaatsen in de Schrift, waar deze handeling wel een gewijd karakter draagt, zonder evenwel op een offer betrekking te hebben. Hij komt dan tot de conclusie, dat er met de oplegging der handen een bepaalde „overdracht" wordt uitgedrukt. Een overdracht van gezindheid van de offeraar op het offerdier. Zodoende wordt dus bij het opleggen der handen het offerdier tot plaatsvervanger van degene, die wil offeren. De gedachte aan overdracht spreekt ook mee bij alle andere gevallen, waar van de oplegging der handen gesproken wordt. Bijvoorbeeld bij het verhaal uit Deut. 34, waarin ons verteld wordt, dat Mozes aan Jozua de handen heeft opgelegd, toen hij hem tot zijn opvolger moest aanwijzen. Dan wordt er mee aangegeven de overdracht van de wijsheid, die Jozua nodig had om het volk te kunnen leiden. Daar is het een symbool van. Het maakt de belofte zichtbaar. Betekent en verzegelt die.
Dezelfde zin heeft de oplegging der handen ook in het Nieuwe Testament. In dezen sluiten Oud en Nieuw Testament zich nauw aan elkander aan. Ook hier is zij symbool, zinnebeeldige handeling, voor de overdracht van de door God geschonken genade en draagt zij het karakter van de belofte, die zichtbaar betekend en verzegeld wordt. Het is ons onmogelijk om in dit verband al die Schriftplaatsen te bespreken, die op de oplegging der handen betrekking hebben. Dat zou te ver voeren. Wij geloven echter de kern van de zaak wel geraakt te hebben, wanneer wij stellen dat het een teken van de genade Gods was, vol van belofte, toen Ananias zijn handen op het hoofd van Paulus legde. Daardoor werd de belofte van de overdracht Gods genade voor Paulus betekend en verzegeld, zichtbaar uitgedrukt en in een gebaar bevestigd: God had hem in Christus aanvaard, en aangenomen tot Zijn dienstknecht.
Bij het opleggen der handen heeft Ananias Paulus medegedeeld, wat hij kwam doen en door Wie hij gezonden was. Eérst heeft hij zich verantwoord: „De Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg; die gij kwaamt". Daarmede gaf hij dus te kennen, wie zijn Zender en Lastgever was. De opdracht om te komen had hij van dezelfde Heere ontvangen, die Paulus ter aarde gestort had, die hem bevolen had op te staan en naar de stad te gaan, en die in een gezicht hem er van te voren reeds van verwittigd had, dat „een man, met name Ananias", inkomen zou en hem de handen opleggen opdat hij weder ziende worden zou. Vergissing was dus onmogelijk. Bovendien werd hierdoor duidelijk, dat de Heere vervult, wat Hij gezegd heeft. Vooral voor Paulus moet dat een geweldige prediking geweest zijn. Hier wordt het hem gegeven de Heere te leren kennen in Zijn daden. De wetenschap, door wie deze Ananias gestuurd was, moet voor Paulus aanleiding zijn om met inspanning van alle krachten te luisteren naar de boodschap, die hem door deze discipel des Heeren gebracht zal worden. Thans is die ure gekomen, waarop hem geopenbaard zal worden wat Christus wil dat hij doen zal, zoals Hij hem beloofd had.
De verantwoording, die Ananias gaf betreffende zijn Zender was dus niet een bijkomstigheid. Wij menen te moeten zeggen dat dit één van de belangrijkste elementen geweest is, die nodig waren bij deze door Christus Zelf gearrangeerde ontmoeting. Zijn handelen komt er in tot openbaring.
Ook van het doel van zijn komst heeft Ananias ten overstaan van Paulus rekenschap gegeven. Zijn zending had volgens de last, die hij van Christus gekregen had, een welomschreven bedoeling. Het oogmerk daarvan was, dat Paulus van zijn blindheid genezen èn met de Heilige Geest vervuld zou worden.
Om met het eerste te beginnen: Paulus was blind geworden, toen hij Christus in al Zijn goddelijke luister gezien had. Dat hadden zijn ogen niet kunnen verdragen. Dat was te veel geweest voor zijn natuurlijke vermogens. En wanneer nu Ananias tot hem komt en hem mededeelt, dat Christus hem gezonden heeft opdat hij weer zou kunnen zien, dan moeten wij in die genezing, dunkt ons, een blijk zien van de gunst die Christus aan Paulus betonen wil. Dat zijn ogen weer geopend zullen worden is een teken van de grote genade, die Christus in Zijn barmhartigheid aan deze mens bewijzen wil. Paulus heeft Christus gezien. In zichzelf heeft hij niet voor Hem en voor Zijn majesteit kunnen bestaan. Voor de Zoon Gods in hemelse heerlijkheid heeft hij zich niet overeind kunnen houden. Blind is hij op de grond gevallen, niet bestand tegen de gedaante waarin Christus hem verscheen. En nu, nu wil die Christus hem verlossen van de gevolgen die Zijn verschijning met zich medegebracht had voor deze zondaar, die tegen Zijn belijders gewoed had. Is dat niet een bewijs van genade?
Vervolgens het vervuld worden mei de H. Geest: wat hebben wij daaronder te verstaan? Het mag stellig niet aan onze opmerkzaamheid ontsnappen, dat Ananias het gehad heeft over „vervuld worden". Hij gebruikte wat wij noemen: de lijdende vorm, het passivum. Onder invloed van het Jodendom van die dagen, is dit een wijze van spreken, die in het Grieks van het Nieuwe Testament vaak gebezigd wordt, als de Heere God gedacht, geloofd en beleden wordt als de handelende Persoon. Wat God doet, werd destijds dikwijls in de lijdende vorm gezegd. De vervulling met de H. Geest, gelijk Ananias daarvan tot Paulus sprak, moet derhalve gezien worden als een werk waarvan God de auteur is, als een gave van Boven, geschonken door de Heere. En Paulus moet dat onmiddellijk begrepen hebben. Want hij was een Jood, die met deze Joodse wijze van spreken, als het over God ging, volkomen vertrouwd was, mede door zijn studie aan de voeten van Gamaliël. Ook elders in het Nieuwe Testament wordt de uitdrukking gevonden die Ananias hier in de mond neemt. En het opvallende daarbij is, dat het juist de geschriften van Lukas zijn waar wij haar tegenkomen. Lukas zegt het van Johannes de Doper, die, naar het woord van de engel Gabriel, groot zal zijn voor de Heere, noch wijn, noch sterke drank zal drinken en met de H. Geest vervuld zal worden van zijner moeders lichaam aan en die oproepen zal tot bekering teneinde de Heere een toegerust volk te bereiden. Hij zegt het ook van Elizabeth, die bij de ontmoeting met de moeder des Heeren waarbij het kind in haar schoot opsprong, met de H. Geest vervuld werd en met een grote stem uitriep: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw schoot. Hij zegt het voorts van Zacharias, de vader van de Doper, die met de H. Geest vervuld werd en profeteerde: Geloofd zij de Heere, de God Israëls. Hij zegt het eveneens van diegenen, die op het Pinksterfeest eendrachtig bijeen waren, en van wie gezien werden verdeelde tongen als van vuur: „en zij werden allen vervuld met de H. Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken". En naar het getuigenis der omstanders hebben zij toen de grote werken Gods verkondigd. Hij zegt het verder van Petrus, die bij zijn ondervraging voor de Joodse Raad, door wat kracht of door wat naam hij de kreupelgeborene genezen heeft, vervuld was met de H, Geest toen hij bekende, dat dit wonder geschied was door de naam van Jezus Christus de Nazarener, die zij gekruisigd hadden, maar Die God van de doden had opgewekt. Hij zegt het evenzo van de gemeente van Christus, die bijeen was na de loslating van Petrus en Johannes en bad om vrijmoedigheid om ondanks alle dreigingen Zijn Woord te mogen blijven spreken. Na het gebed werd de plaats bewogen, waar zij vergaderd waren en werden zij allen vervuld met de H. Geest en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid. Hij zegt het tenslotte van Paulus zélf, als hij op zijn eerste zendingsreis te Paphos op Cyprus in contact komt met Bar- Jezus, ook wel Elymas geheten, een tovenaar die hem wederstond bij de prediking van het Evangelie aan het hof van stadhouder Sergius Paulus. Vervuld met de H. Geest heeft Paulus toen zijn ogen op hem gehouden, en gezegd dat de hand des Heeren tegen hem zou zijn.
Vatten wij dit alles tezamen, dan mogen wij wel tot de slotsom komen, dat het vervuld worden met de H. Geest die gave Zijns Geestes is, die de Heere de Zijnen geeft om in woord en daad van ganser harte Zijn getuige te kunnen zijn en te mógen zijn, en zich voor Hem niet te schamen, maar Hem te belijden.
Om hem die gave des hemels deelachtig te maken, werd Ananias door Christus tot Paulus gezonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's