UIT DE PERS
Wanneer we zo eens gaan snuffelen in „In de Waagschaal" van 18 maart dan zullen we daarin kennis kunnen nemen van verschillende min of meer opzienbarende ontdekkingen. Er is allereerst een tweede artikel van prof. dr. K. H. Miskotte over „De gehoorzaamheid aan de H. Schrift". Het enig zuivere standpunt in deze is ontdekt, en het is gelegen in een nieuwe realisering van het Israëlitisch grondkarakter van de Schrift. Om te beginnen moeten we daartoe allerlei heidense (dat zijn vooral Griekse, • Romeinse en Germaanse) invloeden ongedaan maken. Vroeger zijn die weliswaar vruchtbaar geweest voor de Missie in Europa, maar nu moeten we daar toch weer van af, om tot de juiste gehoorzaamheid aan de H. Schrift te komen. We kunnen immers de Schrift niet gehoorzaam zijn zonder ons te voegen naar haar Israëlitisch idioom.
Het prettige van deze ontdekking is, dat men met z'n gehoorzaamheid aan de H. Schrift dan precies terecht komt bij de midden-orthodoxie. Luistert u maar:
Nu is er in ons, — zowel aan de „linker"- als aan de „rechter"zijde —, een verzet tegen deze gedachte, omdat daardoor het gehalte van Woord gebonden wordt aan de gestalte, aan de al te menselijke gestalte van de menselijke, betrekkelijke, oosterse grondwoorden van Israël. Maar hier moet nu juist onze gehoorzaamheid blijken. Het behoort tot de gehoorzaamheid aan de H. Schrift, dat wij beamen en aanvaarden, dat het God behaagd heeft Zijn aanspraak tot de gojim, tot de volken, te richten in de Israëlitische tongval en denkwijze en voorstelling. We zullen er allen trouwens wél bij varen, in kerk en cultuur. Het betreft een wonder van genade voor het hart en voor het intellect. De Schriftbeschouwing van de vigerende orthodoxie had zich daarvan bijna geheel vervreemd. Zij heeft zich verwijderd van de Israëlitische noties, die de Schrift zelve eigen zijn, die haar bepalen en waardoor zij zich onderscheidt van de heidense begrippen, voorstellingen, dromen en ontsteltenissen in al hun variëteiten van vroeger en later tijd.
Je snapt gewoonweg niet dat het met de, gehoorzaamheid aan de H. Schrift bij het volk van Israël zelf niet beter afgelopen is; het vleesgeworden Woord heeft onder hen gewoond; in tegenstelling met die meergenoemde heidenen hebben zij het Woord niet gehoorzaamd maar het verworpen. Maar daar hebben we het nu niet over. We krijgen een voorbeeld hoe we met dat Israëlitisch idioom moeten opereren:
Nemen we als voorbeeld de simpele zin: de Heilige Schrift is Gods Woord. Wat betekent dit naar de zelf-explicatie van de Schrift zelf? als we het horen in z'n Israëlitische taal? Het Woord is de übergreifende notie, als het ware het soortbegrip waaronder de Schrift ressorteert. „De Heilige Schrift is Gods Woord" wil dus niet zeggen: a = a, maar a = b, evenals Jezus is de Christus niet wil zeggen a = a, maar a = b. De Messias is nu juist déze! is Jezus!
Dit resulteert dan in de volgende conclusie:
De Schrift is het woord-aangaande-het Woord. In abstracto is het tweeërlei. Ook in feite. Maar het „in feite" en „in abstracto" komen op één lijn tegenover het wonder gebeuren der identiteit. In het gebeuren des Geestes zijn feit en wonder ident, gegevenheid en Welsung, bericht en zin. In dit gebeuren fundeert de „Bedeutsamkeit" de werkelijkheid, de zin fundeert de historie, het verhaal de lijfelijke waarheid.
Velen menen, dat zulk een „Schriftbeschouwing" een gevolg is van een toegeven aan de Schriftkritiek, uit pure verlegenheid. Daarvan is dit waar, dat we waarschijnlijk nooit tot deze zuivere beschouwing zouden teruggekeerd zijn, als we niet als onze verdiende straf, door het vagevuur van deze wetenschappelijke crisis hadden moeten gaan, ook om ons denken te laten louteren.
Maar dit vermoeden tast geheel mis, wanneer men meent, dat de boven-ontwikkelde omschrijving van de gehoorzaamheid aan de H. Schrift, een loslaten of verduisteren der waarheid zou zijn, terwille van de menselijke kritiek, om het intellectueel geweten te redden, om wetenschappelijk te kunnen heten.
Neen, we hebben geleerd de kluisters van ons westers denken te doorbreken, omdat de inhoud der Schrift met dit apparaat niet te vatten was, omdat de ware gehoorzaamheid aan de inhoud dan werd verminkt tot „onderwerping". We vinden een nieuwe vrijheid. Dit is Gods weg met Zijn kerk geweest. Daarvoor geldt het woord, dat Jozef tot zijn broeders sprak, die hem zoveel leed hadden berokkend: „Wat gij ten kwade hebt gedacht, heeft God ten goede gedacht".
In werkelijkheid betekent deze visie een echte verrijking en bevrijding. De arme ziel, die door de letterknechten der negatie en door de letterknechten der defensie, der polemiek, der controverse, beurtelings werd voortgejaagd en gekerkerd, mag als hij ontwaken mag tot dit simpele zicht, leven als een bevrijde, als een van banden ontslagene. Hij kan eindelijk zien, dat Christus en de Geest, de Schrift en de Kerk, in een meer dimensionale ruimte staan, in een super-verband, ten dienste van de nieuwe mens.
In hetzelfde blad komen we nog een „ontdekking" tegen. W. J. Koole heeft namelijk blijkens zijn artikel: „Carnaval: Feest of Gelag" de ontdekking gedaan dat er toch zoveel waardevols, nuttigs en onmisbaars te vinden is in de viering van Carnaval, ook voor protestanten. Liever dan als maar te veroordelen en te verwerpen, moesten we vorm weten te geven aan een element, dat wij als kerk en gelovigen node missen: féést. Want het feest hoort er bij, als teken van de toekomst, die ons in Christus' opstanding is voorzegd. Laten we vooral niet geringschattend over carnaval denken, want:
Vooralsnog hebben wij dus geen enkele reden om carnaval minder te achten dan de vormen, waarmee wij als protestantse christenen gestalte geven aan onze feestvreugde. Ik geloof zelfs, dat het als waarachtig gevierd feest over meer kansen beschikt dan wij tot nu toe binnen ons bereik hebben Men kan zich afvragen, of het wel dienstig is om mensen, die er in het algemeen zo weinig aan toe zijn om feest te vieren, de risico's te laten lopen, die bijv. de carnavalsviering met zich brengt als men alleen maar ten koste van zichzelf — bijv. door drankmisbruik — in de vreugde kan delen. Is het dan niet veiliger genoegen te nemen met een vorm, waarvan men de gebreken inziet, maar die althans minder aanleiding tot misbruik geeft?
Nee hoor, de schrijver kiest ook nog voor het risico, want men moet niet vergeten, dat het risico bij het feestelijke leven hoort. Wij moraliserende noorderlingen laten veel te veel het fatsoen gaan voor het evangelie. In het Zuiden van ons land worden wij als protestanten geconfronteerd met de wijze, waarop mede-christenen vorm geven aan hun geloofsleven in velerlei, ons onbekende en daardoor vaak onbeminde facetten. De camavalsviering is er één van.
We hebben niet bepaald de indruk, dat dit alles nu een rechtstreekse toelichting is op de woorden uit ons doopformulier: .... Worden wij door God vermaand en verplicht... om de wereld te verlaten, onze oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen. Evenmin geloven we dat het een bijbels verantwoorde exegese is op het woord van Paulus, als hij schrijft, dat hij alleen wil roemen in het kruis van Christus door Wien de wereld hem gekruisigd is en hij der wereld. Kortom, we vinden het zo ongeveer het godslasterlijke naderen als we de schrijver horen eindigen:
Nooit heb ik met zoveel onbekenden „zo maar" zoveel echt plezier gehad. Na het carnaval breekt de tijd van vasten aan. Jezus heeft er ons op gewezen, dat het kwaad moet wijken voor wie bidt en vast. Vasten is de tucht zichzelf dingen te ontzeggen om te komen tot een concentratie op het wezenlijke. Wim Kan heeft — spelend met een versregel van Heine — gezegd: „Marcheren is vloeken met de voeten, dansen is bidden met de benen". Zou het laatste niet de goede manier van bewegen zijn voor wie gelooft op weg te zijn naar het Rijk?
Wanneer men in Delft studeert, aan de Technische Hogeschool, dan heeft men natuurlijk dagelijks om te gaan met allerlei wiskundige-, technische-, en scheikundige formules. Wie zou er zich daarom boos over maken, als hij tot de ontdekking komt dat de Delftse studentjes wel eens de neiging gaan vertonen om het hele leven in wiskundige en scheikundige formules te vangen en uit te drukken?
Welnu, dan maakt u zich toch zeker ook niet nijdig als u — tegen deze achtergrond — het volgende berichtje leest onder „Kerknieuws" in „De Reformatie" van 8 april: studentenleven.
Wij ondergetekenden, studenten aan de Technische Hogeschool te Delft, bijeen op donderdag 23 maart 1961, ten huize van A. N. Wijker, overtuigd zijnde van de noodzaak van het zich verenigen (antwoord 55 van de H.C.), ter onderlinge vorming in gebondenheid aan de Heilige Schrift en de Gereformeerde belijdenisgeschriften, welke vorming ook bedoelt de techniek in haar ontwikkeling te verstaan in het licht van het Woord van God, overwegende dat in een studentenvereniging, op genoemde grondslag, slechts samenwerking mogelijk is van studenten, die lidmaten zijn van de Kerk en dat de Kerk naar wat van haar beleden wordt in de Drie Formulieren van Enigheid, in Nederland te kennen is als de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt), verklaren dat door ons heden is opgericht: De Vereniging van Gereformeerde Studenten te Delft, besluiten hieraan bekendheid te geven en sporen ieder aan, die, lid zijnde van een Gereformeerde Kerk, in Delft studeert of van plan is te gaan studeren, zich als lid bij deze vereniging te voegen.
getekend enz.
Wanneer men zo in deze verklaring leest de vaardigheid waarmee men vaststelt de mogelijkheden die er in zitten, b.v. ten aanzien van de kerk; de gewisheid waarmee men zo het één en ander weet, en de kunst van het scheiden, die ze blijkbaar onder de knie hebben, dan komt men tot de conclusie: Dit zijn toch wel echt toegewijde studenten in de techniek, de wiskunde en de scheikunde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's