MIDDEN - ORTHODOX OF CONFESSIONEEL
Confessioneel is een echt kerkelijk begrip. Confessie en kerk horen bij elkander, want het is een wezenlijk kenmerk van de kerk te belijden. De levende kerk neemt haar belijdenis in acht. Daarom behoort heel de kerk in de gezonde zin confessioneel te zijn.
Het functioneren van de belijdenis ontvangt zijn kracht uit het geloofsleven der kerk. De vraag: „wat is nu eigenlijk confessioneel" wijst op verwarring, op een storing in de beleving van wat de kerk in haar confessie belijdt. Men wil nog wel „confessioneel" zijn, omdat men „kerkelijk" wil zijn, maar het eenvoudige: „overeenkomstig de belijdenis, omdat zij overeenstemt met de Heilige Schrift", kan men zo toch eigenlijk niet onderschrijven. En daarmede is men niet kerkelijk, maar maakt zich zelf tot partij.
Wat nu eigenlijk „confessioneel" is, is dan ook een echte partij vraag. Een antwoord op die vraag te formuleren, ligt meer op de weg van de Redactie van het Hervormd Weekblad, orgaan van de Confessionele Vereniging, indien aanhangers van deze groep althans behoefte aan voorlichting hebben, zoals volgens een verslag in De Klaroen d.d. 9 maart j.l. te Alblasserdam het geval is.
Wellicht staat het ook in verband met de „moeilijkheden" aldaar, waarop hetzelfde verslag in het voorbijgaan wijst, dat ds. G., in genoemd orgaan van de Confessionele Vereniging over die vraag schrijvende, zo zeer in de Gereformeerde Bond verward raakt, dat hij vergeten heeft uiteen te zetten, wat nu eigenlijk confessioneel is.
De directe aanleiding voor zijn geschrijf is klaarblijkelijk een passage in het plaatselijke kerkblad van de hand van ds. De Bie, welke we hier laten volgen:
De Confessionele Vereniging heeft gestreden voor de reorganisatie der Hervormde Kerk. Haar leden wensten weer binding aan de confessie. Volgens haar overtuiging kon men alleen Hervormd zijn als men wilde instemmen met en leven uit de Hervormde belijdenis, vervat in de Drie Formulieren van Enigheid. En terecht.
Uit de laatste helft van de 19e eeuw moeten vooral namen genoemd worden van prof. dr. Ph. J. Hoedemaker, en de gebroeders Kromsigt.
De praktijk.
Vooral sinds de Tweede Wereldoorlog kreeg de theologie van Karl Barth grote invloed op de jongere predikanten. In 1926 schreef de confessionele professor dr. Th. L. Haitjema zijn Barth-boek, waarin hij de stelling verdedigde, dat de lijn der reformatie via Kohlbrugge naar Barth liep. De „nieuwe" theologie deed de ethische en confessionele richting samenkomen tot één groepering, waaraan dr. H. Berkhof in 1952 de naam „middenorthodoxie" gaf.
Voor vele, van oudsher confessionele gemeenten is daardoor een moeilijk probleem ontstaan. Men staat thans op de twee-sprong. Wil men de confessionele (in de zin van: met de belijdenis der Drie Formulieren overeenstemmende) prediking blijven horen, dan is men meer en meer aangewezen op predikanten die men kan rekenen tot de Gereformeerde Bond. Men offert dan het gezang voor het behoud der confessionele prediking. Wil men dat Hever niet, dan verliest men de confessionele prediking, waarvoor mannen als Groen van Prinsterer steeds hebben geijverd.
In de prediking der midden orthodoxie is de spanning tussen Wet en Evangelie maar al te vaak verloren gegaan. Het staan in de vrijheid der kinderen Gods wordt losgemaakt van het ingaan door de enge poort. Het geloof mist de diepten en hoogten der bevinding. Er treedt een matheid op, die door wat kerkelijk aktivisme of wat meer liturgie moet worden goedgemaakt.
Wat heeft die dominee daaraan nu miszegd? Het is toch genoegzaam openbaar, dat de Confessionele Vereniging merendeels de oude paden heeft verlaten. Wanneer daar nu oude getrouwen zijn, die de „ouderwetse waarheid", overeenkomstig de belijdenis der vaderen, aanhangen, is het dan zo vreemd, dat ze die zoeken, waar ze die kunnen vinden? Moet men dan zo'n drukte maken over wat ds. De Bie daaromtrent schrijft?
Als ds. G. zich daaraan ergert, laat hij dan zijn confessionele collega's vermanen echt confessioneel, d.i. in overeenstemming met de belijdenis, te preken.
Wil hij echter aan „confessioneel" een gemoderniseerde inhoud geven, dan kan hij het de mensen, die daarvan niet gediend zijn, toch niet euvel duiden, dat zij het bij anderen zoeken, die met een gemoderniseerde opvatting der belijdenis niet kunnen meegaan?
Thans neemt hij zijn toevlucht tot een geschrijf dat nog hemzelf, noch zijn zaak kan eren, o.a. over de prediking van Hervormd-Gereformeerde dominees — in het kerkelijk spraakgebruik „bonders", of die daartoe gerekend worden. — Hij schrijft, alsof hij scheiding wil maken tussen geloof en bevinding, hoewel hij kan weten, dat waarachtig geloof altijd met bevinding gepaard gaat. „De Schrift", zo voert hij aan, „noemt alleen het geloof als middel, waardoor wij God kennen, Christus aannemen, in Hem nieuwe mensen zijn, zekerheid des heils hebben".
Godskennis, Christus aannemen, vernieuwing des harten, zekerheid des heils, bedoelt de Schrift toch niet als abstracte, buiten de mens blijvende dingen, maar als geestelijke werkelijkheden en belevenissen? Hoe anders kan zij spreken over gemeenschap hebben aan aan lijden van Christus, (1 Petr. 4: 13), hoe gewaagt zij anders van het kennen van Christus en de kracht Zijner opstanding (Fil. 3 : 10)? En zo ware er veel meer te noemen.
„Het schuldbesef', zo schrijft ds. G. verder, „de ervaring van de zonde en „verlorenheid, de verslagenheid des har- „ten moet er eerst zijn, eer men mag „geloven".
Wat geloven? Er is geloof en geloof. Maar hier gaat het om het geloof in de verlossing door Jezus Christus. En zou ds. G. dan willen beweren, dat een mens zonder besef van zonde en zonder schuldgevoel tot kennis der genade in Christus komt en Zijn verschijning kan liefhebben?
Dat kunnen we moeilijk van ds. G. aannemen, maar tot zulke onhoudbare uitspraken komt iemand, als hij zich afzet tegen echte en vermeende dwalingen, die hij in de ander tot alle prijs ziet en bestrijdt. In dit geval „bevinding" buiten geloof.
Als hij verder opmerkt, dat „bij de Geref. Bond .... het werk van de Geest wordt gezien als een afzonderlijk werk, naast dat van Christus, buiten het Woord om", is dat nogmaals een staaltje van maar wat beweren en inbeelding. Daar komt N.B. bij, dat er meer aanleiding is om in eigen omgeving tegen dergelijke dwalingen te waken. In midden-orthodoxe kring toch, is men niet zo afkerig van Schriftkritische beschouwingen als confessionele mensen wel paste. Wat blijft er op „kritisch" standpunt over van het geloof in het objectief gezag der H. Schrift als Gods Woord, objectief en normatief, zoals de belijdenis daarvan getuigt, die haar ook aandient als regel des geloofs?
Niettemin spreekt men in die kringen van de leiding van de Geest om willekeurige interpretaties te verdedigen, men denke slechts aan de toevlucht tot de z.g. tijdgebondenheid in de discussie over de toelating van de vrouw tot de ambten.
Dan nog „de grote verscheidenheid in de Geref. Bond". Wij houden het daarvoor, dat deze nog veel groter is dan ds. G. voor ogen stond, toen hij dat schreef. Immers de „persoonlijkheid" als het echt onderscheidene van ieder mens, heeft ten gevolge, dat in alle kringen en groepen onder de mensen grote verscheidenheid en dit wel op alle levensterrein wordt gevonden. Voeg daarbij nog, dat de Christelijke religie bij uitstek religie der persoonlijkheid is, dan kan het duidelijk zijn, dat ook op het terrein des geloofs grote verscheidenheid wordt aangetroffen. Daarenboven schrijft de H. Schrift verscheidenheid van gaven aan het geloof toe. Ziedaar de verklaring van het feit, dat er geen twee predikers gelijk zijn, geen twee ouderlingen, geen twee diakenen, geen twee gemeenteleden.
Welk een verscheidenheid!
Doch, wat is desondanks een kenmerk van waarachtig geloof?
Gemeenschap. Allen één in Hem. Eén geloof, één doop, één Heere. Deze eenheid krijgt expressie in de eenheid van belijden, d.i. in de functionering van de belijdenis in de harten en daarom in het leven der gelovigen.
De verscheidenheid staat deze gemeenschap niet in de weg en deze gemeenschap doodt de verscheidenheid niet. Maar indien deze geestelijke band ter wille van allerlei overwegingen wordt gevierd, gaat met de functie der belijdenis ook de kennis verloren, en zal de gemeenschap des geloofs worden opgeofferd aan een veelheid van meningen, die tenslotte alle gelijkenis met het leven der kerk zal inboeten.
Daarom naar de belijdenis toe en de belijdenis handhaven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's