De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

TOT BETER BEGRIP

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

TOT BETER BEGRIP

8 minuten leestijd

Dat de Hervormd Gereformeerden, die elkander ontmoeten in de Gereformeerde Bond, in de belangstelling staan, dat is al jaren lang geweten. Dat die belangstelling niet afneemt, is ook wel duidelijk. Dat ze doorgaans negatief geweest is en is, daarover laat men ons ook niet in het onzekere verkeren. Men kan nauwelijks op een kerkelijke vergadering komen, of dat woord Gereformeerde Bond valt wel eens een keer, en de dingen die erover gezegd worden, doen je je dan de ogen uitwrijven. Ziet men ons zo? Zijn wij dat?

Nu kun je dit alles langs je heen laten gaan, en gewoon je weg gaan. Wij hebben in de kerk wat anders te verdedigen dan ons zelf. Dat moesten wij naar onze naam ook nog veel meer doen, hoewel wij oprecht ons best doen, om de waarheid te verdedigen in de kerk en te zoeken voor de kerk. Maar wij zijn in de kerk. En dat vordert van ons, dat wij maar niet stil onze eigen weg gaan, zonder ons om anderen te bekommeren en zonder er op te letten, wie wij voor anderen zijn. Wij hebben in de kerk wat te geloven van onze God, van elkander en ook ten laatste wat van ons zelf. Met het laatste bedoel ik dit: de christen in de Catechismus belijdt van de kerk te geloven, dat hij daarvan een levend lidmaat is en eeuwig zal blijven. Dat mensen uit andere kerkelijke groepen en ook de randgangers van onze eigen groepering een onbarmhartige en vaak ook vernietigende kritiek kunnen doen gaan over onze personen en over onze arbeid, dat hebben wij wel geleerd stilzwijgend te passeren. Terwille van de kerk en van het Koninkrijk mag ieder het van ons winnen in ijver en in arbeid, zelfs in geloof en in diepte van inzicht. Laat ieder rustig ijveren naar de beste gaven, laat ieder vrijelijk woekeren met zijn talenten.

Maar als in het kerkelijk leven telkens blijkt, dat men van de Hervormd Gereformeerden als zodanig kwalijke gedachten heeft, dan eist dat van ons, dat wij ons zelf bezinnen op ons standpunt en op onze gedragingen. Waar ik meen te mogen zeggen, dat ons standpunt en onze gedragingen bepaald worden door ons geloof, daar zullen wij dat geloof moeten toetsen aan de bijbel en aan de belijdenis der kerk. En dan moeten wij erkennen, dat het geloof, waarmee wij geloven, altijd gecorrigeerd en vermeerderd moet worden, maar dat het geloof, dat wij geloven, altijd te verdedigen is. Dat is de taak, die wij ons als Gereformeerde Bond gesteld hebben, dat is de taak, die wij ook met alle naarstigheid trachten te vervullen. Ten diepste gaat het in de kerkelijke discussies toch altijd weer over dat geloof. Bij alle kerkelijke verschilpunten van de laatste tijd, als de kwestie Smits, de 238 gemeenten, de toelating van de vrouw tot de ambten, de mutatievoorstellen, moet men toch van ons aannemen, dat dat geloof onze houding bepaalt. Niemand zal het toch kwalijk kunnen nemen, dat wij bij de bijbel willen leven en dat wij naar de belijdenis willen spreken.

Intussen is dat geloof, wat men gelooft, en hét geloof, waarmee men gelooft niet te scheiden. Ook dit laatste zou ik toch wel willen verdedigen. Staande midden in het Gereformeerde Bondsleven van dit geslacht, heb ik ook dat van het vorige geslacht nog mogen zien en er uit de mond van onze voorgangers veel over mogen horen. Soms zet men dit geslacht van Hervormd Gereformeerden af tegen het vorige geslacht. Soms zet men de jongeren onder ons af tegen de ouderen. Mogelijk hebben wij ook ons zelf wel eens wat afgezet.

Daar is nu eenmaal een theologische ontwikkeling naar de tijd, waarin men leeft. Dat neemt niet weg, dat de Gereformeerde Bond zich zelf gelijk gebleven is in de vijftig jaren van zijn bestaan. Wij voelen ons geestelijk diep verwant aan de mannen van ons voorgeslacht en wij zijn er van overtuigd, dat de jongere Gereformeerde Bonders dit met ons doen. Daar zijn inderdaad enkele mannen, die aan de rand staan, zowel rechts als links. Maar dat zijn er niet velen. De Bond vormt waarlijk wel een éénheid, er zijn niet drie bonden in de Bond. Ik meen dit als „insider" te mogen zeggen en ik geloof, dat het naar buiten nodig is te zeggen. Het geloof, dat onze oudere predikanten bezaten, waaruit zij spraken, waaruit zij leefden, dat heeft op mij als jongen reeds grote indruk gemaakt. Mannen als Bouthoorn, Zijlstra, Boonstra en zovélen meer, dat waren toch mannen Gods. Hun prediking was een bijbelse prediking, een Christusprediking, welke niet naliet in te slaan in de streken, waarin zij gearbeid hebben. Hun arbeid heeft diepe voren getrokken. Wij weten best, dat zij de enige Gereformeerden niet waren in de kerk van hun dagen. Maar wel waren zij onze vaders, die wij met eerbied noemen. Wij hebben van hun geloofsdaden gehoord, wij hebben bij hen een Godvruchtige wandel gezien in hun gemeenten en in hun gezinnen, en wij hebben de uitkomst van hun wandel gezien. En wij begeren oprecht hen in hun wandel en geloof na te volgen. Trouw zijn zij geweest aan de Hervormde Kerk, naar de Schrift en naar de belijdenis; niet slechts dat zij trouw bleven aan de kerk, maar zij bleven het ook aan de beginselen van onze kerk. Er zijn geen boeken over hen geschreven, maar van velen in hun gemeenten konden zij zeggen: „Gij zijt onze brieven .

Wat men van onze gemeenten ook zegge, wat men van onze Hervormd Gereformeerden ook zeggen, daar leeft toch dat geloof, dat in Christus is, dat uit de bijbel is, dat naar de belijdenis is. Sociologische rapporten over onze gemeenten mogen wat zeggen, zij zeggen niet wat over dat geloofsleven. Dat is ergens an­ders te meten, namelijk in de kerkdiensten, in het leven van de gemeenten. 'k Heb in de loop der jaren de kerk bekeken, in alle kerkelijke richtingen en groeperingen, heb genoegzaam de gebreken der Hervormd Gereformeerden gezien, maar heb toch altijd weer bevonden, dat daar een Reformatorisch geloof leeft, een geloof in Christus, naar de Schriften en naar de belijdenis. De eerlijkheid gebiedt mij te erkennen, en graag te erkennen, dat het geloof, dat niet aller is, ook in andere groeperingen onzer kerk leeft. Eerlijkheid gebiedt mij te erkennen, dat het Reformatorische geloof ook wel in andere kringen der kerk leeft, maar toch wel spaarzamelijk. Er zijn inderdaad buiten onze kring mannen te noemen, met ere te noemen, die met ons hetzelfde geloof bezitten in Christus, naar de Schriften en naar de belijdenis der kerk. Zo zijn er ook gemeenten, buiten die van de Gereformeerde Bond, die oprecht Gereformeerd begeren te zijn, maar zij zijn niet vele. Wij hebben eerbied voor de oprechte en eerlijke strijd, die deze mannen en gemeenten voeren voor de waarheid Gods en voor de Godzaligheid. Maar de Gereformeerde Bond heeft als zodanig, heeft als Organisatie, nu jaren lang die strijd gestreden. En achter dat, wat wij kerkelijke strijd of kerkelijke politiek noemen, klopt toch altijd dat geloof, wat in onze gemeenten leeft en wat ook in „andere" gemeenten leeft. De correspondentie met velen bewijst het ons, dat de ogen van velen in andersoortige gemeenten op de Hervormd Gereformeerden gericht zijn. Dat kan niet anders zijn dan dit, dat zij hun eigen geloofswaarden bij ons herkennen, en dat zij onze verdediging daarvan oprecht nemen. Dit geloof, dat in de kerk leeft bij vele ontwikkelden en bij vele eenvoudigen, nemen wij zeer hoog. Het is meer dan alle kerkelijke politiek, het is meer dan alle kerkelijke bepalingen. Het is dat, wat in het kerkelijk leven het eigenlijke is. Het is tenslotte ook meer dan de theologie, het is zeker meer dan die theologische wetenschap, die zich laat bepalen door sociologie en door psychologie, door wijsbegeerte of wat ook. Bij dit geloof alleen leeft de kerk. Door dit geloof wensen wij ons te laten stuwen bij al ons kerkelijk denken en handelen, 't Zal waarlijk wel met veel gebrek zijn, dat wij dit doen, maar wie ons wil karakteriseren, moet beslist dit als onze diepste bedoeling laten meespreken. Wie hiervan kwalijk spreekt — helaas wat doen dat velen — die raakt onze personen in het geloof, waarmee wij geloven. Mogelijk raakt die ook het geloof, dat wij geloven. Het een is nu eenmaal van het ander niet los te maken. Over ons zelf aanvaarden wij heel wat kritiek, omdat wij die ook wel op ons zelf hebben. Maar er is iets, wat wij in ons dragen, wat ons van God gegeven is. Daar moet men wel voorzichtig mee zijn, zoals wij dat bij anderen moeten zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

TOT BETER BEGRIP

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's