UIT DE PERS
In het nummer van 1 april van „In de Waagschaal" treffen we een bespreking aan van een getuigenis uit Oost Duitsland. In dit geluid uit de Oostduitse kerk was dit vooral zo treffend, dat men daar bezig is de „doorbraak-gedachte" in al z'n consequenties radicaal door te trekken. Natuurlijk weten we niet of alle doorbraak-minnende heden ook deze Oostduitse consequenties voor hun rekening willen nemen; vast staat in ieder geval, dat de schrijver van dit artikel het alles bij elkaar toch wel een beetje te gortig vindt. De schrijver is di'. J. M. Hasselaar.
We moeten dan de christenen in de D.D.R. niet zien als geloofshelden en fanatieke martelaren; ook niet als slappelingen die zich maar schikken, berusten en uit zitten te kijken naar een kans om te vluchten. De christen moet uit dit defaitisme „doorbreken" door zeer persoonlijk en zeer overtuigd zich positief in te stellen op de marxistische overheid. Het is een dom en een schadelijk verraad als een christen de communistische overheid alléén maar als een demonische gestalte kan zien. Wordt er dan alleen in het Oosten demonie gevonden? Nee, één van die Oostduitse schrijvers stemt er van harte mee in en wil er ook aan meewerken, dat „God" als arbeidshypothese van de christelijke wereld wordt afgeschaft. Dat is de goddeloosheid van het Constantijnse tijdperk geweest, dat nu ten einde is. We moeten nu Hever het atheïsme, in zoverre het een zakelijke instelling op de werkelijkheid voorstaat, als een zuivering waarderen!
Christus is voor deze godloze wereld als overwinnaar opgestaan uit de doden en Hij heeft geen enkele wereldse bescherming van node. Zo moeten ook Zijn getuigen van iedere garantie afzien. Zij hebben geen posities te handhaven, maar worden in hun positie van waarheidsgetuigen door God gehandhaafd. Zij zijn vrijgemaakt voor een positieve waardering van het onontkoombare secularisatieproces. Want wat is secularisatie anders dan dat de wereld op zelfstandige wijze gebruik heeft leren maken van het kerkelijk geestesgoed? ...
Over de „mondigheid" van deze geseculariseerde maatschappij kan een christen — alles weloverlegd — zich alleen maar verheugen... De gelovige moet met een grotere vrijheid in de wereld staan! En verhinderen dat de kerk de rol van ondergrondse verzetspartij op zich neemt.
Zoals dat met zoveel opzienbarende uitvindingen het geval is, is ook deze doorbraakuitvinding voor velen in de kerk en in het vaderland 20 jaar te laat gekomen.
Overigens vraagt de schrijver van het artikel in I.d.W. zich o.i. terecht af of niet dit onhistorisch docetisme (bij ons in een onrijp avant-gardisme ook nog wel eens te signaleren!) moet leiden tot een onderschatten van de 7 duivelen die in het moderne wereldgebouw een schoongeveegde leefruimte toegeworpen krijgen.
Wist u dat de paus aan het bijdraaien is? Nou, het is zo; vol verwachting klopt het hart van elk rechtgeaard oecumenisch-denkend, christen. De mariologie is nog wel niet afgeschaft en herroepen, evenmin als het primaat van de paus; ook hoorden we nog niet, dat de paus al z'n instemming betuigd heeft met vraag en antwoord 80 van onze Heidelb. Catechismus, maar men moet niet alles ineens willen hebben. Het begin is er in ieder geval; W. F. Golterman vertelt het ons in een artikel in „In de Waagschaal", onder de titel: Belangrijke jaren voor de oecumene, daarbij citerend uit een boek van Hans Küng: Konzil und Wiedervereinigung.
Het is verheugend dat de gedachte: eenheid door vernieuwing, niet tot de kringen van de Wereldraad beperkt is gebleven. Ook in de R.K. Kerk komt zij naar voren.
Ook voor de paus is volgens Küng hereniging van gescheiden christenen gebonden aan de innerlijke hernieuwing van de kerk. Deze vernieuwing zal vanuit het eigen wezen door verwerkelijking van gerechtvaardigde reformatorische verlangens dienen plaats te vinden. Erkend wordt, dat de kerk op vele punten misvormd (deformiert) is en dus een reformatie nodig heeft. Het concilie van Trente heeft te veel restauratie gebracht en was beheerst door de gedachte der tegenreformatie, terwijl de kerk ook volgens Küng voortdurend gereformeerd moet worden (ecclesia semper reformanda). Trente heeft niet geprobeerd datgene waarom het de reformatie te doen was, van binnenuit te verstaan en dan deze punten voor zover waar, te verwerkelijken, maar volstond met bestrijding. Er is de laatste tijd veel in de R.K. Kerk veranderd. Er is een andere waardering en begrip voor het godsdienstig karakter der reformatie gekomen. De H. Schrift ontvangt een ruime plaats en nieuwe vertalingen zijn vrij van de Vulgaat. In de liturgie leeft een tendenz het gemeenschapskarakter der oorspronkelijke mis terug te winnen en de gemeente wordt meer en meer in de dienst betrokken.
Al deze pauselijke vernieuwings-enormiteiten doen bij W. F. G. het vermoeden rijzen, dat het streven naar eenheid onzer dagen meer is dan een menselijke aangelegenheid en wel eens het werk van de levende Heer der kerk zou kunnen zijn, aan wie alle gemeenschappen in gehoorzaamheid onderworpen zijn.
Om wat in evenwicht te blijven, is het misschien wel goed u even een blik te laten werpen in „De Reformatie" van 25 maart.
Dat is de ziekte van deze tijd. Men wil de strijd van Christus voeren, doch om toch maar een machtig front te vormen, neemt men de afgoderij en de verloochening van Christus niet meer serieus. En het staat zo breed en er wordt zo druk gesproken van liefde. Als ge maar verstaat, dat de massa die zo bijeengebracht wordt tot de strijd des Heeren niet meer bekwaam is: de Heere zal zich tégen hen keren omdat de verloochening van Christus ook al heet het „allerheiligst geloof" en afgoderij ook al wordt aangediend als een dienen van „dezelfde God".
De classicale vergaderingen van mei zullen consideraties moeten uitbrengen over een voorstel tot aanvulling van ordinantie 13. Het voorstel wil dan een kerkeraad in de gelegenheid stellen om iemand die beroepbaar is tot predikant, voor een beperkte tijd te beroepen tot bijstand in het pastoraat, als predikant met een tijdelijke opdracht.
In „Woord en Dienst" van 15 april worden hieraan een tweetal artikelen gewijd; het eerste van prof. v. Ruler (contra), het andere van prof. Berkhof (pro).
Prof. V. R. ziet hier bedenkelijke nieuwigheden. Ten eerste is hier de predikant losgemaakt van de andere ambten, de ouderlingen en diakenen; hij heeft niet z'n eigen kerkeraad rondom zich. Zo heeft hij ook alleen maar adviserende stem in kerkeraad en classis. Vooral gaat z'n bezwaar tegen het feit, dat deze figuur — blijkens de toelichting — met name in het leven geroepen wordt om de sacramentsbediening ook aan de vicarissen te kunnen geven; terwille daarvan worden ze nu kerkordelijk volledig in het ambt gezet. Maar andere delen van het ambt snijdt men rustig weg, zoals de samenhang met de andere ambten en het deelnemen in de regering der kerk:
Trekt men dan het wezen van het ambt niet samen in de sacramentsbediening? Maakt men het sacrament niet los uit de grote geestelijke samenhang van de kerkregering en het pastoraat door de kerkeraad? Verzelfstandigt men het sacrament dan niet op een onaanvaardbare wijze? En verzelfstandigt men dan niet tegelijkertijd evenzeer die eenzame ambtsdrager? Hij kan nu, om zo te zeggen, op z'n eentje (wat het wezen van zijn ambt betreft) het sacrament bedienen. Is hij niet „geestelijke", om niet te zeggen „priester", geworden? Het zit in de lucht tegenwoordig. Men ziet het ambt nauwelijks meer staan in de wijde samenhang van het volle werk van de Geest, van het pastoraat, van de kerkregering, van de ambtelijke vergadering en van de veelheid van de ambten. Men wordt door z'n bisschoppelijke en pauselijke buren en vrienden eenvoudig betoverd en denkt: als ik de sacramentsbediening maar heb, dan heb ik het ambt!
Het grootste bezwaar voor prof. v. R. ligt echter hier, dat deze tijdelijkheid in wezen niet anders is dan een bijstandelijkheid, en hiermee is het element van onderschikking van de éne ambtsdrager onder de andere geïmporteerd, de kiem gelegd voor de verhouding van lager en hoger.
Prof. Berkhof gaat dan in zijn artikel punt voor punt deze bezwaren van zijn collega weerleggen. Hij gaat uit van een vicaris die werkt in een wijk die zich in korte tijd verdubbelt. Een nieuwe predikantsplaats kan nog niet gefinancierd worden, zodat er een vicaris werkt. Die heeft dus wel — zo betoogt prof. B. — ouderlingen en diakenen. Hij is er verder ook voor, om de tijdelijke predikant gedurende z'n ambtsperiode volledig aan de regering der kerk te doen deel nemen, dus hem ook een concluderende stem te geven in kerkeraad en classis.
Wat de sacramentsbediening betreft, heeft prof. v. R. zich vergist. De vicaris heeft namelijk wel de catechisaties, maar hij mag geen belijdenis des geloofs afnemen; hij mag wel een huwelijk inzegenen, maar weer niet de kinderen dopen. Dat sticht in zo'n nieuwe wijk verwarring.
Wat de ondergeschiktheid van de éne predikant onder de andere betreft, wijst prof. B. op de figuur van de consulent (zonder stemrecht) en hij schrijft dan verder:
Zo interpreteert hij (prof. v. R.) de tijdelijkheid vanuit de bijstandelijkheid en vervolgens de bijstandelijkheid als ondergeschiktheid. Maar de tijdelijke predikant is niet aan de „vaste" ondergeschikt. Waar leest Van Ruler dat? De kerkeraad beroept hem tot bijstand in het pastoraat. Dat is wat anders. Het subject van deze arbeid is de kerkeraad. Aan hem en niet aan een „hogere" predikant is de tijdelijke predikant verantwoording schuldig. Samen met de vaste predikant is hij „ondergeschikt" aan het oordeel en de richtlijnen van de kerkeraad als geheel der ambtsdragers.
In ons commentaar kunnen we toch niet nalaten de vinger even te leggen bij dit punt en met nadruk uit te spreken, dat o.i. hier prof. v. R. volkomen gelijk heeft.
Er zijn hier maar twee mogelijkheden: óf er is geen sprake van ondergeschiktheid, en dat betekent dan dat een vicaris ineens in een grotere gemeente beroepen kan worden, zonder de omweg van 4 jaar dienen in een kleinere gemeente. De tijdelijkheid verandert daar in wezen niets aan, want we zijn allemaal tijdelijk. Maar deze kant wil de synode kennelijk niet op. Of de tijdelijke predikant is de „ondergeschikte", en allerlei bepalingen wijzen toch wel duidelijk in die richting. Hij is bijstand in het pastoraat. Al is dan de wijk verdubbeld, het blijft toch de wijk van de daar gevestigde predikant; die is voorzitter van de gehele wijkkerkeraad. De tijdelijke predikant mag op de kerkeraadsvergadering er bij komen zitten en adviseren.
Het feit dat de kerkeraad de tijdelijke predikant beroept, zegt in dit verband niets, want de kerkeraad zal ook alle pastorale medewerkers aanstellen. Dit op zichzelf garandeert niet, dat er geen element van onderschikking komen zal.
Maar vooral in de praktijk zullen het verschil in leeftijd en ervaring, het verschil in verantwoordelijkheid (vaste predikant tegenover tijdelijke) en nog allerlei andere wellicht erg huiselijke verschillen het zo maken, dat als dit voorstel aangenomen wordt, we dan ook in onze kerk zoiets krijgen van de kapelaan onder de pastoor.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's