VERSLAG VAN DE JAARVERGADERING VAN DE GEREFORMEERDE BOND
op woensdag 26 april des morgens om half elf in 't Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.
De voorzitter, prof. dr. J. Severijn, opende de goed bezette vergadering. ps. 119 : 7 werd gezongen. Hij ging daarna voor in gebed. Hij sprak het openingswoord.
Geachte vergadering,
We achten het een groot voorrecht wederom in Jaarvergadering samen te zijn. Het verblijdt ons, ds. Van Sliedregt bereid gevonden te hebben voor ons te refereren over het zeer actuele onderwerp: De kerkelijke tucht in verband met de betekenis en de functie van de belijdenis.
Actueel niet, omdat men zo ijverig bezig is met de sanering van het kerkelijk leven, doch, omdat de leidende instanties in de kerk ons alle aanleiding geven om te onderstellen, dat ze geen sanering in echt kerkelijke zin wensen, De behandeling van de zaak Smits is welsprekend in dit opzicht.
Intussen wijst dit op de ernst van de kerkelijke situatie. Het wordt steeds duidelijker, dat men zich heeft losgemaakt van de reformatorische grondslagen en dientengevolge andere begrippen aangaande het kerkelijk leven en kerkelijke regering aanhangt. Dit blijkt o.a. ook uit het mutatie-rapport, waarmede we onlangs kennis hebben, gemaakt.
1e. toont het hoegenaamd geen respect voor de beginselen van een presbyteriale kerkorde en bekommert zich weinig of niet om de zelfstandige rechten van de kerkeraden en grondvergaderingen der kerk.
2e. levert de wijze van ontstaan van dit rapport wederom een voorbeeld van de bezwaren, die raden en commissies aankleven, aangezien ze in stede van zuiver advies-colleges te blijven, telkens weer de neiging vertonen tot initiatief in zaken, die niet aan de orde zijn en tot nevenregering.
3e. zijn de voorstellen van dit rapport wel bevorderlijk aan ontaarding van het ambt en de ambtelijke rechten en verhoudingen, maar kunnen niets bijdragen tot verbetering van de desbetreffende bepalingen van de kerkorde.
Het geheel wordt meer gedragen door statistische structuurbepalingen en dan nog door inconsequenties gestoord, dan door de geestelijke draagkracht, waarop de kerk om Christus' wil mag bouwen, Men heeft in de dagen van de voorbereiding van de kerkorde smadelijk gesproken van de verburgerlijking van het kerkelijk leven. Doch voorbeelden als hier genoemd, zijn zonder weerga in de voor-oorlogse situatie.
Deze verschijnselen staan trouwens niet op zichzelf, maar hangen saam met een algehele verschuiving op het terrein van het geestelijke en kerkelijke leven, die zich laat constateren. Welke veranderingen tekenen zich af, als we een vergelijking trekken van het algemeen zedelijk en geestelijk bewustzijn in de aanvang van deze eeuw en dat van de huidige generatie? Terecht heeft men er op gewezen, dat omstreeks de wending van de 19e en de 20e eeuw het algemeen zedelijk bewustzijn nog werd bepaald door de Christelijke zedewet. (De Tien Geboden),
Thans wil men van de Wet Gods niet horen en wil men van zonde niet weten, Zelfs in kerkelijke kring is dat geen zeldzaam verschijnsel. Belijdenis en dogma worden als ouderwets en niet meer aanvaardbaar voor mensen van de moderne tijd, hoogstens als historische documenten en museumstukken gewaardeed. Een critische geest is opgestaan, die twijfel en ongeloof zaait ten aanzien van de meest fundamentele stukken des geloofs als het goddelijk en deswege normatief gezag van de Heilige Schrift. Voor het modern bewustzijn is dit zo uit de tijd, dat het nauwelijks kan aannemen, dat een man van eruditie haar eerlijk en oprecht als Gods Woord ontvangt,
Anderzijds kunnen we het zulke modern verlichte geesten niet euvel duiden, dat ze van de geestelijke dingen geen verstand hebben en niet inzien, dat geloof en Woord Gods van andere d.i. van geestelike orde zijn en dat de grond en inhoud van het geloof daarin bestaan, dat het Woord Gods d.i. de Waarheid Gods, gestalte aanneemt in de ziel van hen, die door Gods genade met de gave des geloofs worden bedeeld.
Het geloof is, ook al is het waarachtig geloof, wederom zo verscheiden van omvang, inhoud en intensiteit, dat gemakkelijk misvattingen kunnen ontstaan,
Intussen leert de ervaring, dat een soort vrije theologie is ontstaan, die door de toenemende aanhang in de kerk en met name onder de leidende personen heerschappij wil voeren in de kerk. Deze vrije theologie heeft onder de invloed van de z.g. nieuwe theologie bij velen postgevat, die haar voor orthodox hebben gehouden, hoewel ze in beginsel vrijzinnig is vanwege haar Schriftcritisch uitgangspunt. Zij heeft haar werk gedaan: de waardering van de Schrift verzwakt, de kracht en betekenis van de belijdenis ondermijnd, de fundamentele stukken der confessie discutabel gesteld en de zekerheden twijfelachtig voorgesteld.
Een tiental jaren ligt tussen de invoering van de nieuwe kerkorde en heden, Toen heeft men klaarblijkelijk van de toepassing van Art. X der kerkorde over het belijden der kerk nog enige positieve verwachting gehad. Dit moet men althans aannemen van de opstellers van de kerkorde, wil men niet gedwongen worden ze voor bedriegers te houden.
Na tien jaren heeft de vrije theologie zodanige veroveringen in de kerk en haar leiding gemaakt, dat men met het hele artikel X geen weg meer weet en zijn toevlucht neemt tot een voorlichting in pers, referaat en officieel advies, die ons wil diets maken, dat kerkelijke tuchtoefening onmogelijk zou zijn geworden. Vanzelfsprekend: op de grondslag van vrije theologie is alle leertucht uitgesloten; zelfs de tucht des Woords, aangezien de vrije theologie zich ook tegenover zijn gezag vrijheid van oordeel voorbehoudt. Zover is het gekomen, en reeds thans heeft de heersende men geen belangstelling voor theologische discussies of godsdienstige vraagstukken. Nog een generatie verder en het ontbreekt in de grote massa totaal aan kennis van de dingen, die des Geestes Gods zijn.
Is het een wonder, dat men in sommige kringen en zelfs bij predikanten, van wie men dat niet zou verwachten — om oecumenische en andere redenen — pogingen in het werk ziet gesteld om de presbyteriale kerkorde — zo sober in de nieuwe kerkorde bedacht — maar geheel te vervangen door de bisschoppelijke?
De presbyteriale kerkorde is n.l. functioneel alleen denkbaar in een reformatorische kerkgemeenschap, die beantwoordt aan haar reformatorische confessie. Zij onderstelt gemeenten, die waarlijk vergaderingen van ware Christgelovigen zijn. Vergaderingen niet van mensen, die eigenlijk niet weten, wat ze geloven, mensen die geen kennis van zaken hebben, mensen, wier ganse christelijk geloof bestaat in een formule: ik geloof, wat de kerk gelooft.
Wanneer de kerk van een pilaar der vastigheid is geworden tot een mengeling van onzekerheden, waarin niemand peil of maatstaf weet aan te wijzen heeft niet alleen de tuchteloosheid vrije teugel, maar zulk een kerk kan zichzelf niet besturen, laat staan regeren. Wat moet het voor sommige geesten aantrekkelijk zijn in zulke omstandigheden een moederkerk te hebben, die voor hen gelooft, voor hen denkt en als het nodig is voor hen zorgt.
Welnu, daar gaat het met de Hervormde Kerk heen, als dit proces van verwarring en verarming doorgaat. Het mutatie-rapport dreigt nu reeds onderscheiding te maken in de predikantenwereld tussen stumpers en meer begaafden. Straks zijn er weinig predikanten meer, die ook in de vrije theologie nog zoveel studie hebben gemaakt, dat ze op zulk vloeiend niveau met enig overwicht over andere beunhazen kunnen speculeren en episcoperen over een ontvolkte kerk.
Het is een mistroostig beeld en toch zult gij mij toegeven, dat de symptomen van een dergelijke snelle afloop der wateren aanwezig zijn.
En wat nu met ons Hervormd Gereformeerden. Wat moeten wij onder een leiding, die merendeels even wars is van de Dordtse belijdenis als van de Dordtse kerkorde?
Wat we moeten doen? Wat ons geboden is, als we opzien naar de Koning der Kerk? Daarover straks.
Eerst nog, hoe het er met ons in deze kerkelijke of liever onkerkelijke situatie bijstaat.
Dan valt allereerst op te merken, dat we door de getekende ontwikkeling van theologie en kerkelijk leven steeds meer in een isolement worden gedrukt. Het moet gezegd, dat we ook zelf daartoe aanleiding hebben gegeven en vroeger zelfs het isolement hebben gezocht. In de dagen van modus vivendi en convent waren er gegronde redenen om daarin behoud te zien niet alleen van de zuiverheid van belijden en kerkelijk leven in eigen kring, maar zelfs met uitzicht op de sanering van het kerkelijk leven als geheel. Toen, in de situatie van toen. Was dat zo. Met name sedert de tweede wereldoorlog zijn de omstandigheden dermate gewijzigd, dat men de vorming van dissenter-gemeenten naast de bestaande gemeenten dienstbaar wil maken aan de vervorming der kerk in middenorthodoxe zin. (Overg. bep. 238). Een soort modus-vivendi-gemeente, die tegen Herv.-Gereformeerde gemeenten wordt uitgespeeld, in ieder geval tegen haar in het leven werd geroepen. Op zich zelf behoeft dat nog geen aanleiding te zijn om ons isolement te verlaten, maar er is meer, dat noopt om zulks te doen.
Indien het de heersende geest niet gelukt ons af te zonderen, of te verpulveren, — en dit is niet zo spoedig bereikt, als we standvastig blijven in het geloof en desnoods ook willen lijden voor de zaak des Heeren — is er een schone roeping voor ons weggelegd.
Ongetwijfeld is het een veilig gevoel in de burcht van onze orthodoxie tegenover de bij de dag veranderende kerk en wereld van onze tijd. Er zijn omstandigheden, die het isolement tot kracht maken, maar dit kan men toch niet vertrouwen, indien we alleen maar op eigen rust en veiligheid bedacht zijn en als het ontbreekt aan een handzame wapenrusting.
Anders gezegd: met een dode orthodoxie in het isolement is de dood in de pot, terwijl een levende orthodoxie op Gods tijd en door Gods kracht uit het isolement uitbreken moet, omdat de Koning roept. Onze ijver, onze toewijding, onze bereidheid om het Evangelie in leer en leven te belijden en te dienen moet in gelijke mate toenemen als de kennis van God en Zijn Woord in de kerk verkwijnt en in het volk verloren raakt.
Wij spreken vaak zo gemakkelijk van oordelen en zonder twijfel staat de kerkelijke afval en verwarring in het teken van het oordeel — maar ten eerste is het oordeel niet aan ons en als niemand het ziet, zegt de Heere: „de velden zijn wit om te oogsten".
Daarom geloof ik, dat het tijd wordt, dat we ons kerkelijk standpunt in zoverre herzien, dat we staande op de bodem der reformatorische belijdenis niet langer tevreden zijn met afweer en bestrijding van wat tegen de duidelijke uitspraak der Heilige Schrift ingaat, — en te streven naar vrijheid om in eigen kring overeenkomstig Schrift en belijdenis ook kerkelijk te leven, — maar, dat we ons oog richten op de kerk als geheel, ons inzetten voor die rechten voor de gehele kerk en al onze krachten inspannen om datgene voor haar te zoeken en te doen, wat haar kan terug brengen tot de kennis en de gehoorzaamheid van het evangelie.
Ik kan u mededelen, dat dit nu reeds meer betekent dan een wenk. Een door het Hoofdbestuur ingestelde commissie is ijverig bezig met deze dingen en hoopt nog vóór de zomervakantie advies en voorstellen bij het Hoofdbestuur aan de orde te stellen, ten einde daartoe richtlijnen te geven, welke dan in breder kring besproken kunnen worden om toepassing te erlangen.
Ik hoor iemand vragen, of ook nog iets gebeurt betreffende de zaak Smits. Daarop kan ik antwoorden, dat er aan gewerkt wordt.
Hierbij laat ik het voor dit ogenblik en eindig met de bede, dat we een goede en gezegende vergadering mogen hebben. Ik heb gezegd.
(Volgende week volgt verslag secretaris.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's