De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

9 minuten leestijd

Het 65e lustrum van de Utrechtse Universiteit — Van de oorsprong onzer .Nederlandse Geloofsbelijdenis — Goede dingen.

De Utrechtse Universiteit heeft ongeveer medio april jl. haar 65ste lustrum op zeer bijzondere wijze gevierd. Dat is misschien naar de mening van sommige mijner lezers niet direct een feit, dat in onze Kroniek vermelding verdient. Zulk een lustrum, al sluit het een reeks van 325 jaren af, raakt toch eigenlijk niet bijzonder het kerkelijk gebeuren, zou men kunnen opmerken. Ik kan het daarmede niet eens zijn. Temeer niet, nadat ik in de Nieuwe Rotterdamse Courant van 14 april 1.1. een verslag had gelezen van de rede, welke prof. L. W. G. Scholten, hoogleraar aan de V.U., doch zelf een oud-alumnus van de Utrechtse Universiteit, op uitnodiging van het Utrechtse Universiteitsfonds, ter gelegenheid van dit bijzondere lustrum heeft gehouden. Bovendien niet omdat Utrecht's Alma Mater nog altijd onder Ons bekend staat als de universiteit van Voetius. Hij was immers haar eerste rector en heeft „in een hele generatie zijn stempel op (haar) gezet", merkte prof. Scholten in zijn rede op. Daar is nog iets, dat vermelding van dit lustrum hier wettigt. Utrecht's universiteit vergelijkend met andere, wees de redenaar er op, dat de Stichtse universiteit nog altijd de meeste theologische studenten heeft. Of die allen in Voetius' lijn gaan, moge een wens zijn, een feit is het niet; al sprak prof. Scholten ter typering van „orthodox of tegen de orthodoxie aanleunend protestantisme", dat, schoon in de 19e eeuw „agressiever' nl. tegen het rooms-katholicisme, door hem ook nu nog werd onderkend.

De stichting van de universiteit in Utrecht is geschied „zonder enige invloed van de landregering", stelde prof. Sch. vast. Zij is de voortzetting van een reeds bestaande illustre school, die „onder leiding van de stadsregering door het gewestelijk bestuur met de staat van Academie werd begiftigd". Bij haar inauguratie was de stadhouder van het gewest, Frederik Hendrik, niet aanwezig. „Misschien", zo zei de spreker, „vond hij de figuur van Voetius, die hij als veldprediker bij het belegeringswerk van Den Bosch zeker heeft gekend, minder aantrekkelijk".

In het slot van zijn rede, stelde prof. Sch. vast, „dat de Utrechtse universiteit in de aard van haar wetenschapsbeoefening dicht bij het volk bleef en dat volk historisch gezien in zijn ontwikkeling tot vandaag toe volgde". Hij constateerde: „Zij heeft het contact niet verloren met haar geestesrichting waaruit zij is geboren 1), maar biedt thans gelijke plaats aan alle richtingen, naar ruwe driedeling protestant, rooms-katholiek, humanist; .... Mede daardoor vervult de Utrechtse universiteit haar plaats in het Nederlandse volk, bij geestelijke verscheidenheid tot volkseenheid".

Ik las dit verslag van prof. Scholten's rede met belangstelling. Wie, die in Utrecht studeerde, raakt zulk een historisch gedocumenteerd overzicht niet? Maar gezien het slot van deze rede was het toch niet dwaas van wijlen dr. A. Kuyper, dat — naar men zegt — bij hem voorzat, voorzover hem mogelijk, de Utrechtse theol. faculteit gereformeerd te maken. De benoeming van prof. dr. Hugo Visscher zou daarvan het begin geweest zijn. Hoe dan ook, die benoeming heeft wel medegewerkt tot een „levend contact met de kleine luyden", waarvan prof. Sch. in ander verband repte.

Het kerkelijk leven hier te lande, is op velerlei wijze in de loop der tijden, met de Utrechtse universiteit nauw verbonden geweest. Dat blijve zo, tot zegen van Kerk en Theologie.

Als die saamhorigheid gevoeld wordt, zal over en weer — het geldt hier uit de aard der zaak bijzonder de theologische faculteit — in de harten leven, wat inschuilt in het devies der universiteit: „Sol lustitiae illustra nos", Zonne der Gerechtigheid verlicht ons.

Na het voorafgaande, dat het kerkelijk leven meer van terzijde raakt, iets dat veel directer daarop betrekking heeft. Ik bedoel de herdenking van de publicatie der Confessie Belgica, de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De eigenlijke datum van haar bekend worden, valt in november van dit jaar. Gelijk men kan weten, was die publicatie zeer uitzonderlijk. Een exemplaar met begeleidend schrijven aan Koning Filips II, in een verzegeld pakket, werd in de nacht van 1 en 2 november 1561 over de muur van het kasteel van Doornik geworpen, met verzoek brief en geschrift aan de Koning in Spanje toe te zenden. Men zag geen andere weg om de landsvorst in te lichten over wat men als zijn geloof beleed. Eveneens werd daarin betuigd dat de gereformeerden niet — gelijk gelasterd werd — mochten vereenzelvigd worden met de wederdopers, wier leer door de reformatorisch gezinden beslist verworpen en bestreden werd.

De Confessio Belgica is ook wat dit betreft een apologie.

Deze feiten moesten overbekend zijn, En ook, dat onze Nederlandse belijdenis is opgesteld in nauw verband met de confessio Gallicana, de in 1559 door de Ie gereformeerde synode van Parijs, aanvaarde Franse geloofsbelijdenis, welke is afgestemd op een concept door Calvijn ontworpen. Dat betekent niet, dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis een copie is van de Franse. Neen, Guido de Brés, de opsteller van de confessio Belgica, heeft haar zelfstandig bewerkt. En ze is, hoewel hij de auteur is, in een „gemeen accoord", aanvaard door de Zuid-Nederlandse kerken in haar synode, en later door de Noord-Nederlandse.

Er wordt in onze tijden veel gesproken over de Belijdenis. De uitdrukking „naar Schrift en Belijdenis" wordt meermalen gebezigd. Maar de vraag laat mij niet los, of het spreken over Schrift en Belijdenis niet vaak slechts een leuze is. Er is zo weinig Schriftonderzoek en een zich verdiepen in onze Belijdenisgeschriften. Hoevelen, die geabonneerd zijn op „De Waarheidsvriend" lezen werkelijk ons blad. Zelfs kerkeraadsleden in onze gemeenten zijn, naar mij meermalen bleek, niet abonnee of lezer van ons orgaan. Dat moest toch niet voorkomen! Als het zo bij ambtsdragers is, kan het niet verwonderen, dat in de gemeenten zo weinig interesse is voor Gods Waarheid en onze belijdenis. En evenmin — het een hangt nauw samen met het ander — dat de kennis bij voorgangers en gemeenteleden heel gering is. Zo komt er een situatie, van welke geldt, wat de Apostel zegt: „Want gij, daar gij leraars behoordet te zijn vanwege de tijd, hebt wederom van node, dat men u lere welke zijn de eerste beginselen der woorden Gods" (Hebr. 5:11). Wat was het dan in de dagen, dat onze N.G.B, ontstond, gans anders. In „Hervormd Nederland" d.d. 22 april jl. ving E. L. R. zijn artikel „De oorsprong der Nederlandse Geloofsbelijdenis" alsvolgt aan:

„Rond het ontstaan van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, eind september 1561 konden de bewoners van Doornik de psalmen van Marot horen zingen. Een aantal van hun medeburgers zong deze liederen, die zij tevoren slechts in heimelijke — meest nachtelijke — bijeenkomsten hadden aangeheven, nu openlijk op straat. De reformatie won in de zuidelijke Nederlanden snel terrein en meer en meer kwam men openlijk voor zijn nieuw verkregen inzichten uit. Doornic speelde hierin een belangrijke rol. Het was een centrum, een operatie-basis, vanwaaruit het omliggende gebied werd bewerkt".

Nu weet ik wel, dat in de geschiedenis, ook in die der kerk, een dacapo, een herhaling precies gelijk aan wat gebeurde, niet voorkomt. Maar het zou een zegen zijn, als de belangstelling voor Gods Waarheid en Kerk zo onder ons — ik bedoel speciaal onze „Bonds"-gemeenten opleefde, dat we konden spreken en genieten van een heilige interesse. Zou het niet zaak zijn om die Geestesbezieling onze God te smeken?

Er is een comité gevormd om de herdenking van de nacht van 1 en 2 november 1561 en wat eraan voorafging november 1961 te herdenken. Het comité is samengesteld uit Hervormden, Gereformeerden (Syn. en Vrijgem. naar ik meen) en Chr. Gereformeerden. Zitting daarin heeft ook dr. Gravemeyer, die 23 april jl. zijn 50-jarig predikantsjubileum mocht vieren. Ik hoop zeer, dat de herdenking in alle opzichten mag slagen en zegenrijk zijn tot meerdere liefde voor de reformatorische beginselen.

Onlangs heb ik in deze rubriek iets verhaald van activiteiten in kerkelijk Hoogeveen, in verband met een te stichten jeugdcentrum. In het slot maakte ik melding van een plan, opgekomen uit de 'kringen der herv.-geref. minderheid om zelf enkele kerkdiensten te organiseren ter compensatie van de beurten, die haar door de centrale kerkeraad waren ontnomen door de invoering van een nieuw beurten-concept.

Het was voor de herv.-geref. een noodmaatregel, waartoe zij meenden hun toevlucht te moeten nemen. Ik kan nu hier meedelen, dat de Hoogeveense centrale kerkeraad ter elfder ure een regeling heeft aangeboden, waardoor die „eigen' diensten niet nodig zijn. Aan de betrokken groep is aangeboden voor de drie beurten, die zouden vervallen, hetzelfde aantal, des avonds om 7 uur. Dit aanbod is door de herv.-geref. aanvaard. Ik verblijd mij daar zeer over. Dit behoort tot de goede dingen, die er helaas maar schaars zijn in ons kerkelijk leven.

Deze oplossing is wel ook een vrucht van de bemoeienissen der generale visitatie, welke tot tweemaal een samenspreking daarover hield. Ook dit vermeld ik met blijdschap, het eveneens onder „de goede dingen" rangschikkend.

De hervormd-gereformeerden zijn, ik zeide het reeds, in Hoogeveen minderheidsgroep. Maar er is saamhorigheidsgevoel en eensgezindheid en liefde voor de reformatorische prediking. Iets dergelijks komt meer voor als de „hervormdgereformeerden" minderheid worden.

Moet het met ons die kant op? Zal er dan de samenbinding komen, en de eenheid, aan welker gemis meerdere gemeenten laboreren?

Op de vergadering in de Hoogeveense groep, werd gevraagd of het late uur geen.bezwaar voor de jongeren zou zijn. Uit die jongeren werd prompt geantwoord, dat men op hen kan rekenen. Daar zit iets in, dat dankbaar stemt.

Zie, onze mensen moeten zoveel band aan de prediking des Woords hebben, dat ze, ook al wordt die gehouden op een ongewone tijd en niet in het gewone gebouw, onverminderd en met vreugde komen. Daaraan ontbreekt nog wel eens iets, om niet te zeggen veel.

Onze Hoogeveense broeders wensen wij van harte toe een gezegend arbeiden voor de zaak van ons gereformeerd belijden, en het zij zo, dat de naam van God en Zijn Christus er in worde geprezen.


1) Prof. Scholten doelt hier op de parallel, die hij trok tussen de Unie van Utrecht en de Utrechtse Universiteit. In haar arbeid zag hij een geestesopenbaring, die hem deed denken aan Art. 13 van de Unie van Utrecht, waarbij in de verschillende gewesten — Holland en Zeeland uitgezonderd — de religie „principaalste occasie van twistinge", werd vrijgelaten. In hoeverre zijn visie juist is, kan ik niet beoordelen, en laat haar voor zijn rekening.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's