TEVOREN VERORDINEERD
Het wonder is geschied. Paulus is weer ziende geworden. Nadat Ananias hem de handen opgelegd heeft en hem gezegd heeft, wie zijn Zender was en waartoe hij komen moest, zijn hem de ogen geopend. De gevolgen van het aanschouwen van de heerlijkheid van de verhoogde Christus zijn weggenomen. Het was alsof er schubben van zijn ogen vielen.
Met zijn eigen woorden heeft Paulus later verteld, wat hem op dat moment overkomen is. In Handelingen 22 vers 12v. zegt hij immers bij zijn verantwoording voor het volk op de trappen van de burcht Antonia, dat Ananias destijds in het huis van Judas te Damascus bij hem kwam staan en tot hem gezegd heeft: „Saul, broeder, word weder ziende", en dat hij op hetzelfde ogenblik zijn gezichtsvermogen terug ontving, en Ananias zag. Zo heeft hij toen zeer compact samengevat, wat er in de Rechte-Straat gebeurd is.
Het moet ons wel opvallen, dat zowel in Handelingen 9 als in Handelingen 22 zo grote nadruk gelegd wordt op het feit, dat na Ananias' woorden onmiddellijk
Paulus' ogen weer zien konden. In Handelingen 9 wordt daartoe twee maal vlak achter elkaar ia het achttiende vers over „terstond" gesproken. En in Handelingen 22 verhaalt Paulus, dat hij „ter zelfder ure" ziende werd op Ananias. Daar moeten wij stellig grote waarde aan hechten. Deze kleine bijzonderheden zijn tekenen, die ons wijzen moeten op de aard van het wonder van Paulus' genezing door één van Christus' discipelen. Het onvoorstelbare en onbegrijpelijke heeft plaats gevonden: Paulus kon dadelijk weer zien, toen de Heere Ananias Zijn Woord had laten spreken. Aan dat Woord, en dus aan Christus Zelf, had Paulus het te danken, dat zijn blindheid opgeheven werd. Daar was geen andere oorzaak, waaraan dit wonder toegeschreven kon worden. Zo wordt ons hiermede nadrukkelijk geleerd, dat er een enge relatie gelegd moet worden tussen hetgeen Ananias in opdracht des Heeren tot Paulus te spreken had, èn de teruggave van zijn gezicht. Ja, nog sterker: volgens de Schrift is dit de enige relatie, die gelegd mag worden. Elke andere is onjuist en onschriftuurlijk.
Als Paulus weer ziende geworden is, is echter de rol, die Ananias door de Heere is toebedeeld, nog niet ten einde. Hij heeft nog meer te doen. Hij heeft o.a. ook nog Paulus een boodschap over te brengen, een prediking te doen toekomen. Paulus kan zich in Handelingen 22, jaren daarna, nog goed herinneren, wat Ananias hem ten huize van Judas, na het herstel van zijn ogen, verkondigd heeft.
Het is goed, dat wij ook bij die verkondiging van Ananias, in de naam van Christus gebracht, even nader stilstaan. De inhoud daarvan moet aldus geluid hebben:
„De God onzer vaderen heeft u tevoren verordineerd om Zijn wil te kennen, en de Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen; want gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende de naam des Heeren".
Reeds het begin van deze prediking van Ananias tot Paulus is frappant. Ananias vangt immers aan met: de God onzer vaderen. Daar ligt al veel in opgesloten. Juist voor Paulus, de voormalige Farizeeër. De God onzer vaderen — dat is dus Israels God. Dezelfde God, voor Wie Paulus als ijveraar gemeend had al zijn krachten te moeten geven om de Kerk van Christus uit te roeien en te verwoesten. Toen hij dreiging en moord blies tegen de discipelen des Heeren, was dat omdat hij bij zichzelf tot de weloverwogen conclusie gekomen was, dat hij op deze manier verplicht was voor de zaak Gods en voor de inzettingen der vaderen op te komen. Wij hebben daar eerder al het een en ander van geschreven. Daarnaar mogen wij wel verwijzen. Het was niet een vreemde God, niet een onbekende God, maar de God van Abraham, Izaak en Jacob, met
Wie Paulus van doen had. Het was die God, die in het Oude Testament Zichzelf geopenbaard had als de God des Verbonds en die Zich aan Israël te kennen gegeven had in Wet, Profeten en Geschriften. Het was die God, die voortijds veelmalen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken had door de profeten, en die Israël uit alle volkeren der aarde verkoren had tot het volk van Zijn Verbond.
Wij voelen wel aan, wat het voor Paulus betekend heeft, dat Ananias op deze wijze begonnen is. Er wordt hem mee gepredikt, dat er een continuïteit bestaat tussen Oud en Nieuw Testament, en dat datgene wat over Christus, de Rechtvaardige, gezegd zal worden, niet iets is, dat niets met de God der vaderen te maken heeft en daarom bestreden moet worden, maar dat de God der vaderen èn Christus bij elkander behoren. De Kerk van Christus is geen richting, geen ketterij, wier geloof een tegenstelling vormt met wat de HEERE geopenbaard heeft aan Israël, en die een aantasting is van de ware religie en van de heiligheid van Israels God. Geenszins. De Kerk van Christus Jezus heeft van doen met de God der vaderen. Met Hem, om Wie het gaat in de ware vreze des HEEREN, waarover in het Oude Testament en in het Jodendom gesproken wordt.
Deze God der vaderen is het nu, volgens Ananias, die Paulus tevoren verordineerd heeft. Een merkwaardige spreekwijze wordt er dan door Ananias gebruikt. Ten eerste al, door de werkwoordsvorm, waarvan hij zich bedient. Die maakt het ons moeilijk om in het Nederlands precies weer te geven wat bedoeld is. Wij kennen haar namelijk niet. In de grammatica duiden wij haar aan als de aoristus. Die aoristus geeft aan, dat iets op een zeer bepaald tijdstip als een eenmalige handeling voorgevallen is. In dit licht hebben wij het derhalve te zien, als er van Paulus gezegd wordt dat de HEERE hem tevoren verordineerd heeft. Dat is een besluit Gods geweest, eenmaal genomen. Vervolgens is het woord op zichzelf typerend. De eigenlijke, letterlijke betekenis is: van te voren de hand op iets leggen, ter hand nemen, gereed maken, benoemen, kiezen, bepalen, bestemmen, uitverkiezen. In die zin kennen het ook de klassieke Griekse schrijvers. Ook komt het voor in de Griekse vertaling van het Oude Testament, de zogenaamde Septuaginta. Wij mogen wel enkele plaatsen daaruit noemen, die tot verduidelijking van het onderhavige Schriftgedeelte dienen kunnen. In Jozua 3 vers 12 staat, dat Jozua voor de overtocht door de Jordaan tot de oudsten van het volk gezegd heeft: „Nu dan, neemt gijlieden u twaalf mannen uit de stammen Israels, uit iedere stam één man". Hier is het dus: uitkiezen, nemen. In Exodus 4 vers 13 vraagt Mozes aan God: „Och, Heere, zend toch door de hand desgenen, die Gij zenden zoudt". In de Septuaginta staat daar: „Ik bid U, Heere, een ander te kiezen, een krachtige, die Gij zenden zult". Ook hier is het dus: uitkiezen, nemen. In het Nieuwe Testament vinden wij het desbetreffende woord slechts drie keer. Vooreerst in Handelingen 3 vers 20, waar het in de Statenvertaling vertaald wordt met: (Jezus Christus, ) die u tevoren gepredikt is; en in de Nieuwe Vertaling met: (de Christus, ) die voor u tevoren bestemd was. Voorts in de tekst, waar wij ons nu mee bezig houden. En tenslotte nog in Handelingen 26 vers 16, waar het ziet op dezelfde gebeurtenis: Christus is aan Paulus verschenen om hem te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die hij gezien heeft en in welke Christus hem nog verschijnen zal. Daar heeft het dus de zin van: stellen tot, bestemrnen tot.
Dit alles overziende mogen wij wel zeggen, dat Ananias met dit woord Paulus bekend gemaakt heeft met de bestemming, waartoe de God der vaderen hem tevoren verkoren had in Zijn raadsbesluit.
Wat was die bestemming? Ananias zegt, dat zij bestond uit drie delen: uit het kennen van Gods wil; uit het zien van de Rechtvaardige; en uit het horen van Diens stem.
Over de beide laatste behoeven wij niet uit te weiden. Het is duidelijk, dat daarmede gezinspeeld wordt op de ontmoeting met Christus op de weg naar Damascus. Over het kennen van Gods wil moeten wij wel wat uitvoeriger zijn. Tot recht begrip van wat Ananias verstaat onder de wil Gods, moeten wij in het oog houden, dat hij spreekt over die wil van God, waarin uitkomt, wat God besloten heeft. Ananias bedoelt dan ook Gods openbaring in Christus, Gods heilswil. In de brieven zal de apostel een enkele maal op dezelfde wijze daarover schrijven. Wij noemen: Rom. 1 vers 10; 15 vers 32; 2 Cor. 8 vers 5. Het is daar min of meer een parallel voor: Gods genade.
Ananias heeft Paulus ook moeten mededelen, om welke reden de God der vaderen hem tot deze drie zaken verkoren heeft. Die reden was, dat Paulus ten dienste van die God der vaderen zou moeten optreden als een getuige van wat hij had ondervonden, gezien en gehoord, ervaren en meegemaakt, toen Christus hem verscheen. Daar is mee gezegd, wat het doel van zijn verdere leven naar Gods mening wezen zal. Getuige zijn — dat is het programma, dat God voor Paulus heeft vastgesteld.
Het schijnt ons toe, dat in dit gedeelte van de preek van Ananias het ganse leven en de ganse arbeid van Paulus, naar de bedoeling Gods, zeer in het kort begrepen is. Het apostolaat van Paulus, dat niets anders dan een getuigen is van wat hij gezien en gehoord heeft nabij Damascus, wordt hier uiteengezet en naar zijn wezen getekend. Vanuit dit oogpunt, dit goddelijk oogpunt, hebben wij Paulus en zijn arbeid te bezien. Dit is het, waartoe God hem heeft willen gebruiken. En wanneer wij voortgaan met zijn levensgang te schetsen, dan kan en mag dat alleen vanuit deze gezichtshoek. Vergeten wij dit, dan doen wij onrecht aan de plaats, die God Zélf aan Paulus heeft toegewezen in het vlak van de wereldgeschiedenis. Paulus moet een getuige zijn. Een getuige Gods van wat hij bij Damascus heeft mogen ondervinden. En wel bij alle mensen. Bij alle. Niet alleen bij de kinderen Israels, maar ook bij de heidenen. Het strakke Joodse particularisme, waarbij het heil beperkt blijft tot wie Israël toebehoort, wordt doorbroken. In deze verkondiging van Ananias wordt het hem, die eertijds een strenge Farizeeër was, toegeroepen, dat de middenmuur des afscheidsels in Christus gebroken is.
Dat moet Paulus, die naar de meest nauwgezette Joodse leer was opgevoed. wel vreemd in de oren geklonken hebben. De officiële theologie, waarin hij van der jeugd af aan was onderwezen, was niet van die aard dat zij Jood en heiden op één lijn stelde en alle mensen zonder onderscheid tezamen nemen wilde. Zij was overtuigd van het grote verschil tussen Israël en de volkeren. Israël stond veel en veel hoger. Israël was Gods volk. En in de volkeren zag men slechts vijanden Gods, die Hem beledigd hadden door hun afgoderij en hun onzedelijkheid. En daarom zag men op hen neer met een verachtelijke blik. Zó was het ook Paulus voorgehouden.
Waar God in Christus werkt, daar moet echter veel ver-leerd worden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's