TOCH MISPLAATST
Na lezing van de discussie tussen dr. Koolhaas en ds. A. Vroegindeweij in het Gereformeerd Weekblad naar aanleiding van het verslag van een betoog door dr. K. gehouden aangaande opzicht over dienst des Woords en Catechese, mag ik niet nalaten een enkele opmerking te maken, zonder ds. V. voor de voeten te willen lopen.
In: „ter verduidelijking" van dr. Koolhaas lees ik o.a. de zinsnede: „Nu is het zeer wonderlijk, dat in plaats van een stroom van aanklachten tegen dienstdoende predikanten, in deze tien jaren (1951—61) praktisch geen enkele klacht is binnengekomen en geen enkele P.K.V. (Provinciale Kerkvergadering) deze weg is gegaan".
Hij schijnt dat te willen toeschrijven aan „grote onbekendheid" bij de leden van de Cl. V. (Classicale Vergadering) en bij de leden van de P.K.V., die vroegen om leertucht, met de weg, die de kerkorde in deze wijst. Daarna voegt hij er aan toe: „Telkens bleek, dat men ten onrechte meende, dat in de kerkorde het initiatief inzake het opzicht over de dienst des Woords en de Catechese bij de Generale Synode ligt".
Formeel kan de redenering van dr. K. zo juist zijn, als het wil, toch is ze ten aanzien van de grote belangen, die in het geding zijn, misplaatst.
Ten eerste is het waarlijk niet zo wonderlijk, dat geen stroom van klachten is binnengekomen. En het verbaast ons, dat een man, die gedurende enige jaren de hoogste plaats in de kerkregering heeft ingenomen zich daarover zo zeer verwondert.
1e De kerkorde spreekt bij mijn weten niet van „modaliteiten". Deze zijn dus niet kerkordelijk. Maar de praktijk kent ze en niemand zal willen beweren, dat de kerkelijke instanties er niet mede rekenen, alsof ze wettig waren en op wettige erkenning aanspraak konden maken.
Geen kerkelijke vergadering heeft de al of niet wettige erkenning aan de orde gesteld. Het heeft dus het karakter van een stilzwijgende erkenning van een situatie, die men gevonden heeft. Doch ook zo, wordt de onwettigheid van deze situatie niet alleen verzwakt door de aanduiding modaliteit voor het oude richting, maar is men van de maatstaf der belijdenis afgestapt op een wijsgerig principe, tenzij men de modaliteiten binnen de grenzen van de belijdenis houdt.
Uit niets is gebleken, dat men dat doet of daarnaar streeft.
Het bewijs is echter niet moeilijk te leveren, dat woordvoerders van de midden-orthodoxie en van de vrijzinnigheid volgens hun publicaties op fundamentele punten van de confessie afwijken, b.v. ten aanzien van het Schriftgezag, om maar het meest fundamentele te noemen, want er zou in dit verband meer te noemen.
En niemand zal ontkennen, dat vele aanhangers van deze groepen in de kerkelijke vergaderingen zitting hebben.
Volgens de onbeschreven grondslagen van waarlijk Christelijke kerkelijke tucht kan dat niet bestaan en moet zulks als in strijd met de eerste beginselen van kerkregering ontoelaatbaar worden geacht.
En wat wil men nu? Dat de een of andere broeder Marinus een aanklacht tegen deze stand van zaken indient? En wil men volhouden, dat b.v. de Generale Synode hier geen taak heeft?
2e Een tweede oorzaak die kan verklaren, dat er geen aanklachten binnenstromen, volgt uit de modaliteiten-praktijk.
De grenzen tussen z.g. „modaliteiten" zijn naar de zijde van de vrijzinnigheid wellicht zeer vloeiend, maar naar de zijde van de ware orthodoxie nog al scherp. Zó scherp, dat degenen, die echt kerkelijk begeren te zijn, en aan de gereformeerde belijdenis der Hervormde Kerk vasthouden, zelfs niet kerken bij „midden-orthodoxen" en dat „middenorthodoxen" in Hervormd-gereformeerde gemeenten zich van haar afzonderen in dissenter-kerken.
De vrijzinnigen, die uit de aard der zaak geen leertucht wensen, geven daarvan steeds nog een beeld, dat op inquisitie gelijkt en ze noemen dat woord ook gaarne in dit verband.
De Hervormd-gereformeerden, die om kerkelijke tucht vragen, zijn krachtens verschillende overwegingen van principe en beleid afkerig van inquisitie-methoden bij de toepassing van opzicht over de dienst des Woords en de Catechese in een zo gedeformeerde kerkelijke toestand, waarin we ons bevinden.
Conclusie: Wanneer er aangeklaagd moet worden in zake dienst des Woords en Catechese van dienstdoende predikanten, zou dit moeten gebeuren door mensen, die met het doel om stof voor een aanklacht te ontdekken, gaan kerken buiten hun richting of groep. Dat zou echt inquisitie zijn.
Daarvoor offeren ze echter geen kerkgang op, en daartoe gaan ze ook niet naar de kerk.
Wanneer we deze omstandigheden in. aanmerking nemen, kunnen we het al niet „zeer wonderlijk" heten, dat geen stroom van klachten is binnengekomen.
Juist, omdat de zaken zo liggen, wordt van de hoogste vergadering der kerk verwacht, dat ze de kerk niet overlaat aan de heersende verwarring, maar met name in de dienst des Woords en de Catechese orde schept. Het is wel heel bestuurlijk om zich op een bepaling van de kerkorde te beroepen, alsof in deze alles vastzat op de P.K.V. en op degenen, die om leertucht roepen.
Op dit bestuurlijke standpunt kan het moderamen van de Synode zelfs het standpunt innemen: Er zijn geen klachten binnengekornen. Derhalve valt de gehele kerkelijke beweging binnen de kerkelijke belijdenis. Dit nader te onderzoeken is onze taak niet. Het initiatief ligt niet bij ons.
Of dergelijke beschouwingen ook achter de vreemde behandeling van de zaak Smits schuil gingen?
In ieder geval blijkt uit het hele betoog van dr. K. hoe zeer een kerkorde, die alles tot in de puntjes wil regelen, zoals de huidige, in de weg staat aan de regering der kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's