De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE KERKELIJKE TUCHT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE KERKELIJKE TUCHT

10 minuten leestijd

in verband met de betekenis en functie van de belijdenis

Daarom heeft de kerk een belijdenis.

Uit het voorgaande blijkt, dat de kerk als haar eerste roeping heeft te kennen de banier der Waarheid Gods hoog te houden. Zij is in deze bedeling de strijdende kerk en te voorschijn geroepen door het Woord Gods belijdt zij daarom dat Woord van God in en tegenover de wereld. Zij buigt onder de openbaring Gods, door welke zij gevangen is, onder de werking en leiding van de Heilige Geest. Zij heeft zich op die openbaring te bezinnen, opdat zij die in haar eigen taal zal belijden voor de mensen.

Daarmee is haar belijdenis gegeven, waarin zij der Waarheid getuigenis geeft.

Zij weet zich hierbij geleid door de Geest der Waarheid, Die haar in de worsteling met allerlei dwaling in al de Waarheid leidt.

Een eenvoudig voorbeeld maakt dat duidelijk. Jezus vroeg in de delen van Caesarea Filippi aan Zijn discipelen: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben? — Jezus vroeg dus, hoe de mensen over Hem dachten. De discipelen bleken daarvan zeer goed op de hoogte te zijn, want zij antwoordden: Sommigen: Johannes de Doper, en anderen: Elias, en anderen: Jeremias, of één van de profeten. — De discipelen waren om zo te zeggen op de hoogte van de dwalingen hunner dagen. Maar toen kwam tot hen de strikt persoon­lijke vraag: En gij, wie zegt gij, dat Ik ben? — Daarop kwam het antwoord, de belijdenis namens allen uit de mond van Petrus: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. — Hier was van geen „wij denken" of „wij vermoeden" sprake, want hier gold: „Vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is" — Temidden van de vele stemmen en beoordelingen spreekt de kerk haar belijdenis.

Deze belijdenis heeft de kerk als onderscheidingsteken der waarheid van de leugen te openbaren en als banier en veldteken te ontplooien.

Zo zijn de oud-kerkelijke belijdenisschriften ontstaan. En toen de kerk in de zestiende eeuw positie koos tegenover allerlei verkeerde lering, die de pauselijke kerk had bedorven, en terugkeerde tot het Woord Gods, zag zij ook vanzelf zich gedwongen haar geloof uit te spreken. Dat was haar geloof in het Woord van God, zoals dat haar in een aangrijpende geestelijke worsteling onder uitermate rijke bediening van de Heilige Geest in een heerlijk en diep inzicht in het evangelie bewust werd. Hierbij was zij zich bewust niets nieuws te brengen, maar terug te keren tot Gods Woord en de leer der apostolische kerk. En dat geschiedde in het aangezicht van brandstapels en schavot.

Herhaling van de Heilige Schrift.

In haar belijdenis spreekt dus de kerk haar Amen uit op de openbaring Gods, die haar onder de verlichting en de leiding van de Heilige Geest geheel ingenomen heeft. En zij doet dat als lichaam van Christus, als volk Gods in de eenheid des geloofs. Zij weet in haar belijdenis de openbaring Gods te vertolken. Daarom kan zij b.v. in de Heidelb. Catechismus vr. en antw. 22 zeggen, dat een christen nodig is te geloven al wat in het evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof in een hoofdsom leren. De kerk is een organische eenheid, woonstede Gods in de Geest. En zo geeft zij ook daarvan getuigenis in haar belijdenis, die haar leven en het leven van elk harer leden vertolkt.

Er is dus geen sprake van, dat in de belijdenis een tweede kenbron der Waarheid wordt gesteld naast de in de H. Schrift gegeven openbaring Gods; of dat de belijdenis zou gelden als norm naast de Bijbel of over de Bijbel zou heersen. In haar belijdt integendeel de kerk het Woord van God, dat alleen geldt. De belijdenis is haar een herhaling van de H. Schrift. Maar daarom juist is haar belijdenis haar niet twijfelachtig, maar de banier van de hemelse leer van Christus.

De kerkrechtelijke betekenis van de belijdenis.

Zo licht helder voor ons op de kerkrechtelijke betekenis van de belijdenis. Naar gereformeerde overtuiging heeft de kerk nergens meer afschuw van dan van een tweede autoriteit naast of boven het Woord. Kuyper gebruikt in zijn brochure „Revisie der revisie-legende" het beeld van de negentiende-eeuwse dorpsveldwachter en de koning: Zie, zover een vergeten dorpsveldwachter beneden de majesteit van de Koning op zijn troon staat, zo diep en nog oneindig veel dieper staat alle „formulier" beneden de onvergelijkbare majesteit van het Woord onzes Gods. — De bron van onze Godskennis en regel van ons geloof mag nooit iets anders zijn of heten dan de H. Schrift. God voedt en laaft Zijn kinderen enig en alleen in de Heilige Geest door het Woord Gods. Dat is hun levensbron, de fontein der genezing. — Maar geleid in de Waarheid Gods door de Geest der Waarheid zal de kerk nu ook belijden, wat haar leven, spijs en drank is, wat haar hart vervult aan kennis Gods in Jezus Christus.

Dat welt spontaan op en is uitdrukking van haar eenheid des geloofs naar binnen, en tot handhaving van het gezag van het Woord Gods tegenover de dwaling buiten. Toen God in de reformatie Zich over Zijn kerk ontfermde en Guido de Brés verlichtte tot het vertolken van het geloof der gereformeerde kerken, sloeg dit getuigenis in de 37 art. terstond aan. Het was uit het hart der kerk gegrepen. Zo wordt de belijdenis niet opgelegd, maar langs de natuurlijke weg der overtuiging beaamd en aangenomen. En is dat eenmaal geschied, dan heeft zich ook ieder te voegen in deze belijdenis van het Woord Gods, wil hij niet bevonden worden strijdende tegen het Woord. De belijdenis is alzo het getuigenis van het gemeenschappelijk geloof in het Woord Gods, naar binnen en naar buiten. En ieder heeft zich in de kerk naar deze belijdenis te regelen, want de kerk weet er in louter en alleen Gods Woord te belijden. En dat Woord is niet Ja en Neen. Daarom is de belijdenis teken van de vastheid van Gods Woord en van de eenheid van het geloof in het Woord van God. Is het Woord de oorspronkelijke norm voor geloof en leven, de belijdenis dan toch de afgeleide norm er voor, omdat de kerk zich bewust is in haar belijdenis het Woord van God te belijden.

Daarom ligt het in de aard van de zaak, dat de kerk haar leden en dienaren altijd weer bindt aan haar belijdenis, omdat zo alleen naar haar vaste weten Gods Woord zal heersen over allen. Dat is de zin van de kerkelijke discipline, waarbij de belijdenis als norm voor de leer wordt gehandhaafd. Want de kerk erkent haar belijdenis als repetitie van de H. Schrift. Zij handelt daarom tegen haar eigen geweten, indien ze haar dienaren niet bindt aan haar belijdenis. Dal was het zinvolle van de eis der kerk, dat haar dienaren hun samenstemmen met de Drie Formulieren van Enigheid betuigden.

De belijdenis een menselijk werk en examinabel aan de H. Schrift.

De belijdenis dient derhalve als band van eenheid en gemeenschap in de kerk.

De kerk is zich echter daarbij voluit bewust, dat haar belijdenis

een menselijk.geschrift is. Het gaat haar daarom niet om letterzifterij, maar om de inhoud van haar belijdenis.

Zij wil ook niet beweren, dat zij in haar belijdenis alles gezegd heeft, wat ooit gezegd kan worden. Mogelijk kan er uitbouw plaats vinden in het voortschrijden der bezinning op de Waarheid Gods onder de leiding des Geestes in verband met nieuwe vragen, die in een veranderde wereld aan de kerk worden gesteld. Maar dan zal het nieuwe toch zich bij het oude aansluiten en toepassing zijn van het oude op de nieuwe situatie, wat betreft de grondstukken der Waarheid.

Ook kan beroep gedaan worden op de Heilige Schrift, als gemeend wordt, dat de belijdenis in het een of ander stuk de leer der Schriften niet zuiver vertolkt. Daarom is dan ook van knechting der gewetens geen sprake, wel van de oproep tot onderwerping aan het Woord des Heeren.

Dat tegen de belijdenis beroep gedaan kan worden op de H. Schrift wil echter nog niet zeggen, dat alles daarmee op losse schroeven mag worden gezet. De kerk spreekt in haar belijdenis uit de vastheid van het Woord Gods. Zij staat voor die belijdenis. Rijst er bij een lid der kerk bezwaar op tegen een stuk van de belijdenis, dan heeft zich de gehele kerk, die zich gebonden weet aan haar belijdenis, zich daarop biddend te beraden. Haar uitspraak daarna is echter bondig en vast, omdat de kerk zich bewust is daarin het Woord van God te belijden. Daarom mag zij ook niet gedogen, als het wel is, dat van de belijdenis afwijkende gevoelens vrijuit op haar erf verkondigd worden, voordat zij zich daarop heeft kunnen beraden. Dat deden de remonstranten rond 1610. De contra-remonstranten tekenden daartegen terecht verzet aan. Want in haar belijdenis weet de kerk Gods Woord te spreken. Dus moet eerst gebleken zijn, dat haar belijdenis niet is conform Gods Woord. En wie anders heeft daarover te oordelen dan de kerk zelf, onder de afbidding van de voorlichting en leiding van de Heilige Geest, Die haar beloofd is ter leiding in al de Waarheid.

Indien deze kerkrechtelijke orde niet gehandhaafd wordt geraakt de kerk in de grootste verwarring vanwege het ontbreken van enig besef van de vastheid en bondigheid van Gods Woord. Eenvoudig omdat de kerk haar eigen fundamenten ondergraaft en van te voren alles op losse schroeven stelt. Onze kerk levert daarvan het droeve bewijs.

Dit moet een vaste orde zijn, dat iedere dienaar in de kerk des Heeren zich trouw heeft te weten aan de eed, die hij gezworen heeft, dat hij zich houden zal aan de leer der kerk, en dat hij zijn eventueel bezwaar tegen een stuk der belijdenis eerst zal onderwerpen aan het oordeel der kerk. Want de kerk is zich bewust in haar belijdenis Gods Woord te spreken. Derhalve heeft de kerk er zich op te bezinnen, of zij in deze faalt.

Calvijn wijst er op, dat bij ernstige onenigheid éérst de kerken moeten samenkomen en het voorgestelde geschilpunt moeten onderzoeken, en dat ze eindelijk nadat een behoorlijke bespreking heeft plaatsgehad, een uitspraak, uit de Schrift genomen, openbaar maken, die de twijfeling bij het volk kan wegnemen en de goddeloze en eergierige mensen de mond kan stoppen, zodat ze niet verder durven voortgaan.

Meent de bezwaarde zich niet aan het oordeel der kerk te kunnen onderwerpen, dan heeft hij eerlijkheidshalve de consequentie voor zich te aanvaarden en zich te onttrekken aan de gemeenschap der kerk. Zo hij deze consequentie niet aanvaardt, heeft de kerk haar tucht te oefenen op geestelijke wijze, in lankmoedigheid, zachtmoedigheid en geduld, tot ere Gods en tot heil der kerk en van de afgedwaalde. Zo alleen zal de kerk in gehoorzaamheid aan haar Koning staan als pilaar en vastheid der Waarheid in het volksleven en haar getuigenis klinken met Ja en Amen in Christus Jezus.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE KERKELIJKE TUCHT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's