Kroniek
De herdenking van 4 en 5 mei — Tucht vanuit de laatste ernst — Van de preshyteriale kerkregering — Onze jubilerende jeugdbonden.
„Een dag op de graven, een dag van rouwe" .... Zo ving het artikel aan, dat wijlen dr. A. Kuyper ter gelegenheid van het 3e eeuw-herdenken van de Bartholomeusnacht, plaatste in „De Standaard" van 24 augustus 1872.
Dat artikel en die aanhef kwamen me in herinnering rondom 4 mei j.l., de avond van de herdenking der gevallenen in de tweede wereldoorlog. Ik heb niet de indruk, dat die avond alom in den lande nog wordt herdacht. Natuurlijk kan ik me vergissen, en ik hoop het. Maar ik kan de gedachte niet kwijt, dat die herdenking zich moeizaam op de been houdt. Te verwonderen is dat niet. Er komt een jongere generatie naar voren, die van de jaren '40—'45 schier geen weet meer heeft. Historische interesse ligt op sterven. Zijn onze scholen in de vermelding van de grote daden Gods menigmaal niet wat al te summier in het geschiedenisonderwijs?
De regering heeft het initiatief genomen, zo las ik in „Trouw", d.d. 4-5-'61, dat de nationale herdenking van 4 mei zich ook moet uitstrekken tot de gevallenen in voormalig Ned. Indië en Korea. Een zekere samenbundeling van wat voorheen apart werd herdacht. Of deze samensnoering algemeen het herdenken zal bevorderen? Ik ben er niet gerust op, als ik in bovenvermeld nr. van „Trouw" lees, dat „bij sommigen, met name onder de rijpere jeugd, de neiging valt te bespeuren minder ruimte te laten voor gevoel en emotio." De schrijver wijt dit aan „welvaart en dreigende vermaterialisering". Het is mogelijk. Maar hebben de kranten niet mede daaraan schuld? Men leest tot vervelens toe over hoogconjunctuur, welvaart en de vijfdaagse werkweek en wat daarmede samenhangt. En als de regering remmend wil optreden, staan alle vakbonden bij wijze van spreken op hun achterste benen om de regering tot haar plicht (? ) te brengen. Worden we door de vakbonden of magistraten geregeerd? En ik lees — dit geldt onze bladen vooral — bitter weinig hoe die run op de verkorte werkweek in overeenstemming is te brengen met het 4e gebod van Gods Wet, die in menige kerkdienst wordt gelezen, met als antwoord der gemeente: „Och, of wij uw geboón volbrachten".
Is de viering van 5 mei, bevrijdingsdag, meer in trek? Daarbij kan het „hoera" van de welvaart klinken. Ook op deze vraag weet ik geen bevredigend antwoord. Ik heb de indruk, dat het met de hier genoemde herdenkingen wel kan gaan als met die van Waterloo-dag. Onze ouders wisten ons nog te vertellen, dat de 18e juni de vlag steevast op de torens verscheen, doch ik maakte het niet mee. De herdenking stierf weg.
Houdt het moeizaam zich voortslepende herdenken, waarvan ik repte, ook niet verband met het feit, dat de mens, de zich offerende mens, voor vrijheid en democratie, te veel in het centrum staat, en men God vergeet of pro memorie uittrekt? Toen de onoverwinnelijke vloot, de Armada, werd verslagen, liet de regering een penning slaan met als randschrift: „Gods adem heeft ze verstrooid". Nu kan men hiertegen opmerken, dat onze regering niet in het spoor gaat van die van 1588. Het zal wel zo zijn. Maar hoe bespreken wij in onze gezinnen, met onze kinderen, het gebeuren na de hongerwinter '44-'45 en de wapenstilstand? Is er het heilig gedenken van Psalm 77 en 78? Dat is naar de Schrift. Dat is reformatorisch. En ook in dezen zal reformatorische herleving in onze gezinnen, in ons hart praktijk moeten worden. Alleen in die weg is er hoop voor land en volk en kerk!
Het referaat, dat dr. K. Strijd uit 's-Hertogenbosch op de predikantenvergadering te Utrecht 11 april j.l. hield, heeft heel wat reacties verwekt, zowel ter vergadering als daarna in de Pers. Enkele weken geleden heb ik over wat dr. Strijd over „Dimensies der leertucht" naar het tevoren rondgezonden schema — het werd in de „Kroniek", waarin ik melding van het referaat maakte afgedrukt, — aan de vergadering wilde voorleggen een heel voorlopig oordeel uitgesproken afgaande op het schema en een verslag in „Trouw".
Ik moet dat oordeel herzien. Want, gelijk mij uit verschillende, meer uitvoerige verslagen bleek, was het geenszins de bedoeling „de leertucht een zachte dood" te doen sterven. Uit wat ds. Corts uit Vianen over de predikantenvergadering in „Hervormd Weekblad" schreef, bleek iets anders. Dat vond ik bevestigd in een stuk van prof. Brillenburg Wurth, hoogleraar aan de Theologische Hogeschool te Kampen, in „Geref. Weekblad" (uitg. J. H. Kok) d.d. 21-4-'61 onder het opschrift: „Tucht vanuit de laatste ernst". Prof. B. W. was als gast op deze hervormde predikantenvergadering uitgenodigd en aanwezig. De geref. en hervormde predikanten-bijeenkomsten hebben dit jaar alzo een zeker interkerkelijk contact beoefend. Op de eerste was immers de ex-praeses onzer Synode de referent en prof. B. W. de gast-opponent op de laatst genoemde.
Prof. B. W. was zeer getroffen door het doorwrochte en fundamenteel gepeilde referaat van dr. Strijd van wie hij zegt dat deze, hoewel behorend tot de „zogenaamde rechts-vrijzinnige predikantengroep", „in geen geval een geestverwant van prof. Smits te noemen" is. Geldt dit het wezenlijke of bijkomstige?
Maar nu terzake. Prof. B. W. waardeert het bijzonder, dat dr. Strijd vooral de nadruk legde op wat door hem (dr. Str.) aangegeven werd als „eschatologische dimensie". Daarmee is bedoeld (ik citeer weer prof. B. W.), dat „leertucht uitsluitend het karakter van toesluiten van het koninkrijk der hemelen mocht dragen voor hen, die de waarheid Gods loochenden". Met deze stelling is prof. B. W. het eens. Maar in de toepassing en uitwerking, de tuchtoefening in de praktijk, gaat hij niet de weg, die dr. Strijd voorstaat. Deze meent „dat, omdat het in de tucht gaat om een zaak van zo heilige, laatste ernst, wij voorlopig, b.v. gezien het diepgaande verval der kerk, tot concrete tuchtoefening in de vorm van uitbanning van hen die Gods waarheid loochenen, niet het morele recht hebben. De situatie was er, meende hij, niet naar om nu met institutionele tuchtoefening een begin te maken. Voorlopig moeten wij genoegen nemen met de tucht die het belijden der waarheid zelf oefent. Waar de kerk met gelovige bezieling de waarheid belijdt, moest, beweerde hij, vanzelf de dwaling wijken". Op dit punt kan prof. B. W. hem niet bijvallen doch is van gevoelen, dat de kerk, als er bepaalde loochening van de Waarheid is, een begin moet maken met al de risico's daaraan verbonden. Wat dit laatste betreft, zal het wel een antwoord geweest zijn op wat Strijd in verband met de
tucht-procedures in de geref. kerken, - Netelenbos (1910), Geelkerken (1926), Schilder (1944), — had opgemerkt, dit n.L: , .Ze hadden immers in al die gevallen de moed gemist om met volle overtuiging van hen, die ze uitbanden, te verklaren, dat ze om hun dwaling buiten het koninkrijk Gods waren gesloten."
Voorts vermeldt prof. B. W., dat dr. Strijd beslist geen leervrijheid in de kerk wil. En ook, dat in de discussie door de referent werd gezegd, dat z.i. wel met judiciële leertucht moest worden aangevangen. Dat kon reeds sinds 1951. Maar dat er eigenlijk geen enkele dergelijke procedure aanhangig is gemaakt, — een enkele uitzondering daargelaten — getuigt m.i. wel van abnormale situatie van onze kerk.
Als ik, wat dr. Strijd naar voren bracht in zijn referaat, goed heb begrepen, moet gewacht worden met de leertucht, tot wij een uit haar verval herleefde kerk hebben, die waarlijk een voorpoort van het Rijk is. Ik schrijf dit neer, omdat ik in het verslag van ds. Corts las: „Toen Gr. van Prinsterer indertijd aan Gunning verweet, dat deze niets wilde, antwoordde deze: „geen takken afkappen, maar de hele plant overzetten in een andere pot." Zo denkt dr. Strijd er ook over: „wanneer wij ernst maken met de eschatologische dimensie, dan moet heel de plant van de Herv. Kerk in de grond, waarin zij behoort." Ik heb hier het centrale aspect, dat dr. Strijd in het oog deed vatten, even naar voren gebracht. Ook over de andere zou nog wel het een en ander zijn te zeggen; doch het zou teveel plaats vorderen. Ik hoop het referaat in zijn geheel nog eens te kunnen lezen. Het lijkt mij de bestudering overwaard. Niettemin blijft: de kerk heeft in dezen — ik bedoel inzake de leertucht — een roeping, die ze heeft te aanvaarden, krachtens Art. X der Kerkorde, maar bovenal om de eer van haar Koning en, opdat zij „rein zij van het bloed" harer leden. (Handel. 20 : 26).
Ds. Corts was in zijn verslag van de predikantenvergadering ook uitvoerig over wat ds. Zijlstra uit Wijckel en dr. Schroten uit Rotterdam (Charlois) gezegd hebben over: het blijvend van kracht zijn der presbyteriale kerkregering. Ook daarover heb ik in deze rubriek een enkele opmerking geplaatst. Dat was misschien niet in alle opzichten billijk. Ik sprak van „episcopaal gelardeerd". Dat zou de indruk kunnen vestigen, dat de sprekers, met name dr. Schroten, die de praktische uitwerking voor zijn rekening had, de presbyteriale kerkregering niet meer zouden willen aanvaarden. Zo is het niet. Dr. Schroten althans heeft de waarde daarvan wel degelijk in het licht gesteld. Dat hij sprak van een zekere moderatieve leiding in bepaalde gevallen en dan ook van hoger hand, hield nauw verband met het feit, dat zo moeilijk „leken"krachten — vergun me de uitdrukking gemakshalve — aan te trekken zijn voor het groeiend werk in al maar uitdijende grote gemeenten. Hij wees er op, wat voor moeite men in onze gemeenten heeft om ouderlingen te vinden. En in dat verband plaatste hij zijn suggestie. Uit de nood der praktijk geboren. En die nood is niet klein. Wat is er een moeite en zorg om mannen „vol des Heiligen Geestes" te vinden en te krijgen voor het ambt. Zo ergens, dan staan we hier midden in de ingezonkenheid der kerk. En de gemeente voelt vaak de nood niet en is al blij, wanneer er weer presentabele mannen in de ambtsdragersbanken zitten. Daarom, ik kan begrijpen, dat men zijn toevlucht neemt tot „geschoolde krachten" en het predikantencorps vooral voor de grote steden wil uitbreiden, gesuccondeerd door maatschappelijk werkers en dergelijke. Toch kan ik er mij nog niet in vinden.
Niettemin, ik meen, dat we voort moeten gaan de gemeente op de noodtoestand te wijzen en met en voor haar te bidden. dat God ons bedauwe met de kracht Zijns Geestes. Zou het ook hier niet gelden: „Op uw noodgeschrei deed ik wonderen"? Maar als de gemeente de nood niet wil voelen? En zo schijnt het vaak. Dan zal het oordeel doorgaan. Om te beven. Want ook hier geldt: Uw oordeel Heer', kan niet dan vreeslijk wezen"! Hoe dit Ook zij, ik meende een en ander te moeten schrijven in verband, dat ik met bovenvermelde uitdrukking, niet in alle opzichten billijk ben geweest, en heb ze daarom hier toegelicht.
Hemelvaartsdag, 11 mei j.l., — hij viel in de dagen der „ijsheiligen"! — hebben onze jeugdbonden hun jubilea gevierd. Onze Jongelingsbond vierde zijn gouden jubileum. Onze meisjesbond zijn 35-jarig bestaan. Van beide kan gelden, wat men van de jonge Prins Maurits schreef toen hij de Vader des Vaderlands als Stadhouder opvolgde, en in zijn zich ontplooien de hoop des volks werd: „tandem fitsurculus arbor", welhaast wordt het stekje een boom. Ja, de beide bonden zijn klein begonnen: een surculus, een stekje. Nu zijn ze uitgegroeid tot een boom, de ene wat ouder dan de andere. Wie onzer zal zich niet verblijden over die zegen des Heeren, Die de wasdom gaf! De bonden hebben hun ups en downs gehad, hun moeilijkheden, hun spanningen. De 50 jarige misschien meer dan de 35 jarige. Ze hebben een zekere unie gevonden. Ze staan nu meer vereend dan voorheen wel in het werk. Ze hebben in ds. Jorissen een toegewijd en ijverig jeugdpredikant. Aanpassing aan veranderde omstandigheden! Het blijde herdenken, waarmede ik ze hartelijk gelukwens, worde zo gezegend, dat ze bij voortdurende en gestage groei, dieper wortelen mogen in de Waarheid der Schriften en rijker en rijper vruchten mogen afwerpen voor het reformatorisch belijden.
Hiervóór sprak ik van de nood in onze gemeenten. Ik hoop en bid, dat God de Heere in Zijn grote ontferming over ons, onze gemeenten jonge krachten uit onze Bonden schenke, die op de plaats, waar ze geroepen worden, aantreden tot het werk en de zaak van onze Heere Jezus Christus, om in Zijn kracht, en heilige Geestdrift te arbeiden voor het Rijk Gods en het belijden der vaderen. Als het herdenken daartoe mag gezegend worden, kunnen wij nog roemen in de gunsten Gods, Die gaf de „gratia jubilandi, de genade om te mogen jubileren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's