DE KERKELIJKE TUCHT
in verband met de betekenis en functie van de belijdenis
De belijdenis als leernorm.
De kerk stelt dus daarom haar belijdenis als norm der leer, omdat zij weet in haar belijdenis Gods Woord te belijden.
Hierop mag nooit in mindering worden gebracht, dat de H. Schrift „onuitputtelijk" is en de belijdenis „herzienbaar", wat prof. Van Ruler toch schijnt te willen in zijn nota over het belijden der kerk. Zo'n los daarheen geworpen gezegde, dat de belijdenis herzienbaar is, heeft echter alles van het oude verhaaltje der remonstranten, waarvan in het voorgaande genoegzaam de onhoudbaarheid is aangetoond.
Natuurlijk is de H. Schrift onuitputtelijk. Maar dat wil toch niet zeggen, dat zij niet duidelijk zou zijn omtrent de leer der zaligheid. De kerk erkent graag, dat er meer kan zijn, dan zij mag verstaan en belijden. Hoewel ons, naar mijn mening, in onze geestelijk zo arme tijd, de grootste bescheidenheid past tegenover de kerk met haar diep en rijk geestelijk leven in de dagen der reformatie. Maar inderdaad erkent de kerk, dat er meer schatten in Gods Woord kunnen liggen, dan zij belijden mag. Zij zal echter niet toestaan twijfelachtig te doen schijnen, wat zij verstaan en belijden mag. Dat is voor haar bondig en vast in Hem, Die de Waarheid is. Wij houden het met de contraremonstranten, die in 1607 in hun advies verklaarden: Door zulk gebruik (n.l. dat de belijdenis van te voren al als herzienbaar wordt gewaardeerd) „gaet de kercke Gods selve haar eygen leere ende geloof elcke reyse sonder tegenspreken in twyfel trecken ende schynt also in een ongewisse leere oft geloof te staen, dwelc immers soo onder de kerckendienaers als onder de gemeene litmaten mede geen goet en kan veroorsaecken. Hierdoor sal oock elcke reyse van selfs en sonder noot de deure wyt open gedaen worden tot allerley quaestiën ende onnoodelycke ja schadelycke disputen, also daermede den ketelachtigen ende nieuwsgierigen geesten de gelegenheyt ende hant gegeven sal worden om elcke reyse nieuwe leere op de baen te brengen".
Het gaat in de kerk om de hemelse leer, die in Christus, de Weg, de Waarheid en het Leven, volkomen vast is. Het gaat om de dingen, die voor de kerk volkomen zekerheid hebben (Luk. 1:1). Het betreft de hemelse leer, die volgens Calvijn niet aangetast mag worden. Hij wijst steeds weer op de vastheid van de leer ais voorwaarde voor het kerkelijk leven. „Er moet onder alle gelovigen eenstemmigheid zijn over deze leer". „Christus' Rijk kan zonder Zijn scepter, d.i. zonder Zijn heilig Woord, niet bestaan". „De ware en wettelijke regeling der kerk wordt vooral gevonden in de gemeenschap der leer. Anders zal zich in de kerk veeleer de gedaante van Babylon dan van Gods heilige stad vertonen". „Petrus laat aan zichzelf en aan anderen niets over dan dat ze de door God gegeven leer uitdelen". „Wij stellen dus vast, dal het de getrouwe dienaren niet meer overgelaten is, dat ze enig nieuw leerstuk smeden, maar dat ze eenvoudig blijven bij de leer, aan welke God allen zonder uitzondering onderworpen heeft". In zijn commentaar op Hand. 20 : 30 spreekt Calvijn over het ontzaglijk gevaar van verstrooiing der kudde, als de kerk wordt afgetrokken van de eenheid des geloofs en verdeeld wordt in secten. De vervalsing der leer is, zegt hij, de meest dodelijke plaag voor de schapen.
Dat is wel een heel ander geluid als prof. Van Ruler doet horen, die eigenlijk met beroep op de onuitputtelijkheid van de H. Schrift en met nog een aantal andere motiveringen de kerkelijke leertucht op dood spoor brengt.
In haar belijdenis weet echter de kerk de hemelse leer van Gods Woord te belijden, en die is haar bondig en vast. En wat beleden is blijft vast.
De vastheid van de belijdenis.
Natuurlijk is uitbreiding mogelijk, maar niet omstoting van de Waarheid, die beleden is. De belijdenis heeft vastheid.
Daarom moet ook steeds weer afgewezen worden het zien van een tegenstelling tussen „belijdenis" en „belijden". Een tegenstelling te creëren tussen een belijdenis-kerk en een belijdende-kerk is langzaamaan schier gemeengoed geworden, gaat echter uit van een onschriftuurlijk vooroordeel. De kerk heeft haar belijdenis en is daarom een belijdende kerk. Een kerk, die haar belijdenis niet handhaaft blijkt telkens weer niet bij machte een belijdende kerk te zijn.
Wat de kerk zich in haar worsteling met de dwaling bewust is geworden als inhoud van de Godsopenbaring en waaraan zij gestalte heeft gegeven in haar belijdenis blijft onwrikbaar vast. En daarop bouwt zij voort.
De reformatie beoogde niet te komen tot een nieuw belijden ter vervanging van de oude belijdenis. Maar zij bedoelde terug te keren tot de belijdenis der Apostolische Kerk en haar opnieuw te belijden. Daarom worden in art. 9 van de Ned. Gel. Bel. de drie oudchristelijke symbolen met nadruk genoemd. De reformatie wilde juist alle nadruk leggen op de vastheid van de belijdenis der kerk door de eeuwen heen en aantonen, dat Rome van die belijdenis, waarin alleen het Woord van God als norm erkend wordt, in de loop der eeuwen was afgeweken en er allerlei menselijke leringen, strijdig met Gods Woord, aan had toegevoegd.
Daarom is het onreformatorisch om met de bewering, dat de belijdenis herzienbaar is, haar vastheid als norm voor de kerkelijke tucht en de kerkelijke tucht zelf bedenkelijk te maken. Men doet daarmee niet veel minder dan het Woord Gods zelf twijfelachtig maken.
Als de kerk Gods beantwoordt aan haar wezen als woonstede Gods in de Heilige Geest, weet zij in haar belijdenis te staan onwankelbaar op het fundament van apostelen en profeten en laat zij alzo haar getuigenis stoer klinken. Zo maakt zij de wijsheid der wereld beschaamd.
Genormeerde norm.
Juist omdat de kerk de H. Schrift als enige norm voor leer en leven wil erkennen, wil zij haar belijdenis zien als enige leernorm. Want zij waardeert haar als de door de H. Schrift genormeerde norm. De belijdenis is haar de koninklijke regel, die gelden moet op haar erf, wil zij niet ongehoorzaam zijn aan haar Koning. En zo alleen zullen de leden der kerk weten, dat de Waarheid Gods niet twijfelachtig is. Want niet ten onrechte wijst Calvijn op de zorg, die de kerk moet hebben, dat alle twijfeling bij het volk zal worden weggenomen. Het is dan ook begrijpelijk, dat van het begin af de gereformeerde synoden er op hebben gestaan, dat predikanten, ouderlingen en diakenen „de belijdinghe des geloofs" zouden onderschrijven. „Het was een van harte instemmen met de eeuwige waarheden, die daarin werden geleerd, en een verklaren tevens, dat men bereid was die waarheid met zijn bloed te bezegelen, iets wat in die dagen heus geen ijdele klank was".
Wederheer tot de belijdenis? Van wederkeer tot de belijdenis kan o.i. helaas nog niet worden gewaagd. En wel allereerst m.i. hierom, wijl de meerderheid in de kerk uitgaat van een onbijbels openbaringsbegrip en daarbij niet wenst weder te keren tot een onvoorwaardelijk buigen voor de H. Schrift als Gods Woord, zoals de kerk daarvan belijdenis doet (art. 2-7). De geestelijke instelling tegenover de Heilige Schrift is in de loop der laatste eeuwen principieel een andere geworden dan die der reformatie. Zij is de bijbelcritische.
Men meent toch de continuïteit met de reformatie te kunnen handhaven. Doch ik meen te moeten spreken van een ondergraven van het fundament der reformatie, omdat uitgangspunt van de theologie is geworden deze nieuwe .openbaringsconceptie. Aan dit openbaringsbegrip ligt ten grondslag een filosofische constructie, die de onoverbrugbare tegenstelling poneert, ook voor God zelf, tussen Hem en Zijn zondig schepsel. Zodoende wordt eigenlijk ontkend, dat God in de Heilige Schrift met menselijke woorden Goddelijke werkelijkheden openbaart. Hierdoor wordt de visie op alle stukken des geloofs gewijzigd, op schepping en herschepping, op de verkiezing en verzoening, op zonde en genade.
Het is niet mogelijk hierop thans dieper in te gaan. Maar wel moeten we er op wijzen, dat met de miskenning van de belijdenis der kerk ten aanzien van de H. Schrift als de te boek gestelde openbaring Gods onlosmakelijk samenhangt een geestelijke en theologische verwarring, die eigenlijk als normaal wordt gewaardeerd. Want zij brengt met zich mee de voorstelling, dat de kerk ruimte moet bieden voor een speelveld der theologische bezinning. „De kerk moet ruimte scheppen voor denk-experimenten, waarbij mislukkingen mogelijk zijn", zegt prof. Van Ruler in zijn nota over het belijden der kerk.
Daarbij wordt hoofs gebogen in de richting van de oecumene en schier alles hartelijk welkom geheten, wat vandaar gepresenteerd wordt.
Men kan niet meer komen tot de voorstelling, dat de kerk moet beseffen in haar belijdenis op de meest zuivere wijze uitdrukking te geven aan het geloof in Gods Woord.
Maar men vergeet hierbij, dat de kerk haar eigen kennis des geloofs wel moet weten te omschrijven, wil zij waarlijk haar bijdrage kunnen leveren in de oecumene. Calvijn is hierin een lichtend voorbeeld. Zijn werk in Geneve werd gekenmerkt door een strakke dogmatische lijn. Daarbij wilde hij niet aan andere kerken de dwang opleggen in alles gelijk te oordelen over ondergeschikte stukken van de leer als hij. Maar binnen de muren van eigen kerkgemeenschap moest vooral de eenheid van belijden worden nagestreefd. Want tegenstellingen in de verkondiging in de eigen kerk zouden een „ernstig kwaad" veroorzaken, het kwaad namelijk dat de geloofwaardigheid der verkondiging in twijfel zou worden getrokken. — Daarbij was de grens van alle oecumenische activiteit voor hem gelegen in het Woord Gods, de zuivere en gezonde leer van het evangelie van Jezus Christus. — Een plaatselijke of landelijke kerk moet toch eerst goed weten, waar zij zelf aan toe is, om haar houding te kunnen bepalen t.o.v. de oecumene en daar haar plaats met ere in te nemen. Het terwille van de oecumeniciteit laten schieten van een vast belijnd belijden zag Calvijn kortweg als oorzaak van het verderf der kerk.
In Calvijns geest.
De belijdenis te zien als de norma normata (genormeerde norm) voor de handhaving van de eenheid van de leer, zoals dat het gereformeerde kerkrecht heeft gesteld, is dan ook voluit in Calvijns geest. Mits het maar niet verstaan wordt als formule-dwang. — Maar met zo de betekenis van de belijdenis als leernorm te omschrijven heeft het gereformeerde kerkrecht geenszins een letterzifterij en formule-dwang beoogd. Het gaat niet om een bepaalde uitdrukking, maar om de leerinhoud van de belijdenis en om de religie der belijdenis, waarin de kerk allereerst uitspreekt haar onvoorwaardelijk buigen voor de Heilige Schrift als Gods onfeilbaar Woord.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's