De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

De bekering der priesteren

12 minuten leestijd

En een grote schare der priesteren werd den gelove gehoorzaam. Hand. 6 : 7b.

Wonderlijk zijn de wegen des Heeren. Dat mogen wij ook wel zeggen bij de gedachte aan die grote schare der priesteren, die den gelove gehoorzaam werd. En dat vooral, wanneer wij in gedachten eens teruggaan naar Jeruzalem en ons herinneren, wat daar bij het rechthuis van Pilatus en op Golgotha heeft plaats gegrepen.

Voor de zetel van de landvoogd staat een tweetal gevangenen: Barabbas en Jezus van Nazareth — de oproerling tegenover de Vredevorst; de moordenaar tegenover Hem, Die de wereld het leven geeft; terwijl de keuze is aan het volk.

En wie zijn het nu, die de menigte bezweren, dat Pilatus de moordenaar zal vrijlaten?

Wie zijn het, die het eerst en het luidst schreeuwen: niet Jezus, maar Barabbas? Wie zijn het, die op de vraag van Pilatus: wat zal ik dan doen met Jezus, het hardst geroepen hebben: laat Hem gekruisigd worden?

En wie zijn het tenslotte, die op Golgotha om strijd op de meest laaghartige wijze met de Man van smarten de spot hebben gedreven?

Dat zijn de priesters geweest. . .

Maar nu — in de voorhof van Salomo, waar de apostelen prediken, daar staan zij, die eertijds hun „kruist Hem!" zo luidkeels hebben uitgeschreeuwd, nu met gespannen aandacht te luisteren. En dat niet om straks te kunnen tegenspreken, maar omdat zij zijn gegrepen door het Woord; de prediking der apostelen heeft hen getroffen. Die schare der priesteren behoort tot dezelfde mensen, die op Golgotha hebben gespot: anderen heeft Hij verlost. Hij kan Zichzelven niet verlossen — doch die schare kent nu eigenlijk maar éne bede: Heere, verlos ook ons. En dat is toch wel een wonder van God, dat nu zelfs priesters, die blazende geweest zijn dreiging en moord, dat die nu den gelove gehoorzaam worden.

Hoe vurig hebben zij die Nazarener gehaat! Zelfs Zijn dood kon die haat niet doen bekoelen. Immers — priesters heb-ben het gerucht verbreid, dat de discipelen het lichaam van hun Meester hebben gestolen. Priesters maakten een aanzienlijk deel uit van het Sanhedrin, dat de apostelen bij herhaling gedagvaard, in de kerker geworpen, gegeseld en met nog zwaardere straffen heeft bedreigd. Van alles, wat er tegen Christus en Zijn discipelen ondernomen is, zijn de priesters steeds weer de stuwende kracht geweest. En nu — nu wordt een grote schare der priesteren den gelove gehoorzaam. Dat is toch wel een wonder van God: een grote schare van priesteren genezen van hun haat en van verachters en spotters tot aanbidders geworden. Waarlijk, de Heere is mild in het schuldvergeven — een klaar bewijs daarvan wordt ons geleverd in die grote schare van priesteren, die den gelove gehoorzaam is geworden. Hoe heerlijk schittert hier de genade van God.

Immers, de apostel Paulus zegt: waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest.

Welnu, van die priesters mogen wij gerust zeggen, dat zij de zonde meerder gemaakt hebben, meerder nog dan anderen. Denk maar eens aan het woord van de Heere Jezus tot Pilatus: die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft groter zonde. En wie anders hadden de Heiland aan Pilatus overgeleverd, dan juist de priesters?

Zo er één klasse van mensen bestond, die in zijn geheel vervuld was van een gloeiende haat jegens die Jezus van Nazareth en — koste wat wil — het op Zijn dood had toegelegd, dan was het toch wel deze. En zij hebben daarbij niet in overijling of drift gehandeld, doch in koelen bloede, want zij hebben niet slechts Zijn laatste uren, maar heel Zijn leven verbitterd. Altijd weer zijn het de priesters geweest, die Hem lagen hebben gelegd en strikken gespannen.

Toen de schare ontsteld en verslagen van Golgotha wederkeerde naar Jeruzalem, zijn de priesters onboetvaardig gebleven en hebben zij zelfs de stem der waarheid willen smoren tot in het graf.

De prediking van bekering en vergeving van zonden, zoals deze overeenkomstig het bevel van hun Meester door de apostelen te Jeruzalem werd aangevangen — die prediking draagt onder de priesters blijkbaar geen vrucht. Het schijnt, alsof Christus onder de zonen van Levi geen enkele volgeling zal tellen. Tot de drie duizend eerstelingen van de Pinksterdag behoort, voor zover ons bekend is, geen enkele priester. Uitlandse Joden nemen het woord der apostelen aan, maar de inlandse priesters wenden zich er van af.

En toch — daar wordt op eens een grote schare der priesteren den gelove gehoorzaam.

Dat is louter een vrucht van het welbehagen des Heeren. Wij staan hier tegenover de almaoht van Gods genade. Voor Hem bestaan er geen zondaren, die te zwaar hebben misdreven om zalig te kunnen worden. Hij brengt er toe — tot zelfs vanuit de bitterste vijandschap en de gloeiendste haat. Niets staat Hem daartoe in de weg. Want wat bij de mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God; waarlijk — de wegen des Heeren zijn wondere wegen.

Er is echter nog meer. Het feit, dat een grote schare der priesteren den gelove gehoorzaam werd, levert niet alleen bet bewijs, dat Gods zelfs aan de grootste der zondaren nog genade wil bewijzen, maar het is ook een teken van de nederlaag van satan. Wat hij op Goede Vrijdag schijnbaar heeft bereikt, dat wordt hem op Pasen en Pinksteren weer ontnomen.

Op Golgotha is het alsof satan Christus in zijn macht heeft — maar op de Pinkstermorgen moet hij Hem loslaten.

Op Golgotha heeft hij ook de priesters in zijn macht; gewillig doen zij zijn werk — maar na de Pinksterdag, dat is: na de uitstorting van de Heilige Geest, moet hij ook een grote schare van deze dienaren loslaten.

Zo lijdt hij nederlaag op nederlaag. Op de Paasmorgen moest de vorst der duisternis zwichten voor de macht van de Vorst des Levens. Op de Pinksterdag verliest hij omtrent drie duizend zielen, die tot de gemeente werden toegedaan. Na de uitstorting van de Heilige Geest deed de Heere dagelijks toe tot de gemeente, die zalig werden; zó zelfs, dat een grote schare der priesteren den gelove gehoorzaam werd.

Zo rijdt de Vorst des Levens zegenrijk en voorspoedig op het Woord der waarheid en gaat het met Hem van overwinning tot overwinning en van heerlijkheid tot heerlijkheid als door des Heeren Geest, terwijl het met de vorst der duisternis gaat van nederlaag tot nederlaag, totdat hij tenslotte in het eindgericht de volkomen nederlaag zal lijden ...

Een grote schare van priesteren werd den gelove gehoorzaam.

Wij weten niet welke middelen de Heilige Geest daartoe heeft gebruikt. Dat doet er ook niet toe. Zij hebben leren geloven in Hem, Die op hun heftig aandringen, ja door hun toedoen aan het kruis is gehecht en gedood.

Maar nu zien zij de Christus Gods in Hem, Die vroeger door hen voor een Verleider was gescholden. Nu zien zij Gods vinger in dezelfde feiten, waarin zij weleer de hand van Beëlzebul meenden te zien. Nu worden zij zelf levende stenen van de tempel, terwijl zij niet lang geleden nog de Heere des tempels met hun stenen bedreigden ...

Hier zien wij wat genade is — en wat genade vermag.

Hier is opzoekende genade — want Christus is hier gevonden van degenen, die naar Hem niet vraagden.

Hier is vergevende genade — want zonden, rood als scharlaken zijn witter geworden dan sneeuw.

Hier is herscheppende genade — want het oude is voorbij gegaan, alles is nieuw geworden.

Maar welk een machtige prediking aangaande de liefde en de genade van God gaat er dan zo van dit tekstwoord tot ons uit. Want hier zien wij dat God vijanden, ja zelfs moordenaars van Zijn Zoon met Zich verzoent. Terwijl het toch rechtvaardig zou geweest zijn, wanneer de Heere hen voor eeuwig had doen omkomen.

Daarom is hier troost voor allen, die met de apostel Paulus moeten klagen, dat ook hun bedenken des vleses vijandschap is tegen God. Want mede op grond van het feit, dat een grote schare der priesteren den gelove gehoorzaam werd, mag het hun worden voorgehouden, dat er genade is bij God. Genade bij Hem, Die Zijn handen uitbreidt tot een wederstrevig volk. En als gij, lezer, met de apostel Paulus ook zo moet klagen, dan geldt ook voor u: er is genade bij God. Niets staat Hem in de weg om u te zegenen met eeuwige zegeningen — wat gij ook hebt misdreven en wie gij ook zijt. Als het bij u waarlijk tot verootmoediging en schuldbelijden komt, dan zult gij het ook op Gods tijd ondervinden, dat de Heere barmhartig is en zeer genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid; ja een God, Die de zonde vergeeft en de ongerechtigheid niet toerekent. En als gij in uw nood niet weet te bidden gelijk het behoort, dan bidt de Geest Zelf voor u met onuitsprekehjke zuchtingen. Bovendien is er een Voorspraak bij de Vader: Jezus Christus, de Rechtvaardige. En als gij weten wilt hoe machtig Zijn voorbede is, hoe vèr zij reikt en hoe zeker haar verhoring — bedenk dan, hoe Hij op Golgotha voor Zijn vijanden en moordenaars bad: Vader, vergeef het hun, en — een grote schare der priesteren werd den gelove gehoorzaam. Zo ligt er in onze tekst een rijke bron van troost en bemoediging voor alle door schuldbesef getroffen en verslagen zondaarsharten.

Hiermede is echter niet alles gezegd. Want er gaat van dit tekstwoord ook een krachtige roepstem uit; een roepstem, vooral ook tot de meest verharde en openlijke vijanden van God; een oproep tot verootmoediging, bekering en geloof om in die weg de troost en de vrede van de vergeving te mogen smaken.

Al zijn wij van nature geneigd God en onze naaste te haten, al willen wij uit en van onszelf niet weten van God en Zijn dienst, al begeren wij niet te wandelen in wegen die de Heere welbehaaglijk zijn — dan is daardoor onze grote verantwoordelijkheid nog niet opgeheven.

En als wij in onze tekst lezen, dat een grote schare der priesteren, dat is: een grote schare van de meest openlijke en uitgesproken vijanden van Christus, den gelove gehoorzaam werd — dan wordt dit ons hier toch wel klaar voor ogen gesteld, dat de mogelijkheid van zalig worden voor niemand uitgesloten is. God wil dat alle mensen zalig worden, zegt de apostel Paulus. Daarom geldt hier geen enkele verontschuldiging of uitvlucht.

Intussen — groot is de verandering, die bij deze priesters plaats greep, toen zij den gelove gehoorzaam werden. Want uit heel hun houding vóór deze blijkt, dat zij ook de prediking der apostelen hebben tegengestaan. Met grote ijver hebben zij naar bewijzen gezocht om aan te tonen, dat het Evangelie van Jezus Christus — en dus ook de prediking van de apostelen — een kunstig verdichte fabel was. Ook dreef hun eigenbelang — steeds een der machtigste drijfveren in het leven der mensen — hen er toe. om die apostelen met hun verzinsel over opstanding en hemelvaart van die gehate Nazarener nu eindelijk eens als bedriegers te kunnen ontmaskeren. Aan geleerdheid ontbrak het hun niet en aan gelegenheid al evenmin. En bovendien — hoe zouden zij bij het volk stijgen in aanzien en eer, wanneer het hun tenslotte zou mogen gelukken om de secte van die door hen zo fel gehate Rabbi van Nazareth uit te roeien.

Echter — zij strijden tegen het kruis van Christus. En tegenover dat kruis staan zij machteloos. Tenslotte loopt het met hen zelfs hier op uit, dat zij geen overwinnaars zijn, maar overwonnen worden.

En daarin openbaart zich nu de kracht van Gods Woord, of liever: de kracht van Gods Geest, gepaard aan het Woord. Want niet de apostelen hebben deze omkeer bewerkt. Neen — de Geest wrocht mede, en zo voltrok zich het wondere gebeuren, dat mensen, die met kracht de prediking der apostelen tegenstonden en van een gloeiende haat jegens de Nazarener en Diens volgelingen waren vervuld, tenslotte toch den gelove gehoorzaam werden.

Dat heeft ons veel te zeggen. Want zo ergens dan blijkt toch wel hier, dat de ingang van het Evangelie der genade in de harten van zondaren niet afhankelijk is van onze aanleg, geschiktheid of bereidwilligheid om dat Evangelie te ontvangen, doch louter een vrucht van het genadewerk Gods in de harten van zondige mensen. En daarin ligt dan tegelijk ook onze troost. Want zo alleen staat het er met ons, van nature Code vijandige mensen, niet hopeloos voor.

Immers, wij hebben weer Pinksterfeest mogen vieren. Toen mochten wij gedenken, dat op de Pinksterdag te Jeruzalem die Geest is uitgestort. Die zelfs een grote schare der priesteren den gelove deed gehoorzaam worden. En diezelfde Geest woont en werkt nóg steeds op aarde; ook nu nog maakt Hij door Zijn onwederstandelijke werking bittere vijanden tot blijmoedige volgelingen van Christus en vrijmoedige belijders van de Naam des Heeren door hen te brengen tot de geloofsgehoorzaamheid. En dat is het nu juist, wat God van ons eist: bekering en geloof . . .

Een grote schare der priesteren werd den gelove gehoorzaam. Dat is vrucht van de prediking der apostelen: bekeert u en gelooft het Evangelie. Diezelfde boodschap komt echter ook tot ons. En hoe staat het nu met u, lezer?

Zijt gij reeds den gelove gehoorzaam geworden?

Och, het is niet zo moeilijk om te overdenken hoe die grote schare der priesteren den gelove gehoorzaam werd, maar — aan ons wordt hetzelfde Woord van God verkondigd als aan die priesters en de Geest, Die hen den gelove gehoorzaam deed worden, is nog niet van de aarde weggenomen.

De prediking der apostelen luidde: bekeert u en gelooft het Evangelie.

Die prediking komt ook tot ons. Maak u daarom van die prediking niet af, want zij is een roepstem Gods.

En als gij op de vraag, of gij reeds den gelove gehoorzaam geworden zijt, het antwoord schuldig blijven moet, dat dit u dan maar verootmoedige. Want hoe zult gij ontvlieden, indien gij op zo grote zaligheid geen acht neemt.

Rust dan niet, voordat ook gij het weten moogt, dat uw leven met Christus verborgen is in God. Dan vindt gij daarin rijke stof om de naam en goedheid te prijzen van Hem, Die wederhorigen bij Zich doet wonen, en om met heel de Kerke Gods op aarde het lof- en danklied aan te heffen: wij steken 't hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen, door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's