De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„EN NU.....”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„EN NU.....”

9 minuten leestijd

De boodschap, die Ananias in opdracht van Christus naar luid van Handelingen 22 vers 14-16 aan Paulus heeft moeten brengen, is een preek geweest, die uitliep op een zeer persoonlijke toepassing.

Men kan niet ontkennen, dat er in dit opzicht een zekere structuur kan worden opgemerkt in hetgeen Ananias verkondigd heeft in het huis van Judas te Damascus. Integendeel. Zeer zeker mogen wij zeggen, dat er een bepaalde lijn loopt door zijn rede tot Paulus, die gemakkelijk door ons kan worden herkend.

Ananias is begonnen met uiteen te zetten, dat de God der vaderen, Israels God, Paulus tevoren verkoren had om Zijn wil te kennen, de Rechtvaardige te zien, en de stem uit Diens mond te horen.

In aansluiting daarop heeft hij vervolgens verklaard, wat het Goddelijk motief van dit alles was. Dat motief was, dat Paulus getuige zou moeten zijn bij alle mensen, bij Jood en heiden, in afwijking van wat de Joodse theologie daarvan leerde, van hetgeen hij had gezien en gehoord toen Christus hem in Zijn hemelse majesteit verschenen was.

En tenslotte heeft Ananias zijn prediking besloten met de uitroep: „En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam des Heeren".

Op dit slot van Ananias' prediking doelden wij, toen wij spraken van een zeer persoonlijke toepassing. Ook in dezen kan een onderzoek naar de structuur van de preken, die in de Handelingen der Apostelen gevonden worden, leerzaam zijn voor het heden. Daar is, naar het ons voorkomt, aan deze materie vanuit dit oogpunt tot nu toe veel te weinig aandacht besteed. Genoeg is er geschreven over de rhetorische methode van zijn dagen, die Lukas aan zijn sprekers zou opgelegd hebben. Daar niet van. Afgezien echter van het probleem, of wij Lukas dit in de schoenen mogen schuiven en hem alle historische objectiviteit in het weergeven van hetgeen gesproken is mogen ontzeggen, blijft er toch het feit liggen, dat wij voor de predikkunde naar onze smaak nog lang niet uit deze stukken in de Handelingen der Apostelen geput hebben, wat er uit te halen is. Zij zijn ook voor dit doel een rijke bron. En studie daarvan kan onder Gods zegen alleen maar tot verrijking en tot welzijn van de huidige prediking zijn.

Ananias is geëindigd met een oproep tot Paulus, in de vorm van een vraag en een bevel.

Wat Ananias mét de vraag, waarom Paulus nog langer zou aarzelen, op het oog gehad heeft, valt wel te raden. Methodisch gezien, moest zij het middel zijn om er Paulus de beslissing mee op het hart te binden. Ananias heeft hem er mee voor de beslissende keuze willen stellen. Dat was de functie, die het stellen van deze vraag in het geheel van zijn betoog gehad heeft. Nu Gods raad met Paulus zó was als hij had mogen prediken, nu moest het voor deze een uitgemaakte zaak zijn, dat de weg, die Ananias hem wijzen zou, ook onverwijld door hem betreden moest worden.

Aan het bevel, dat Ananias op zijn vraag heeft laten volgen, moéten wij iets ruimere aandacht schenken. Het is een bijzonderheid van vele „preken", die wij uit het Nieuwe Testament en inzonderheid uit de Handelingen kennen, dat de toepassing zo dikwijls in de gebiedende wijs geformuleerd wordt. Wij herinneren alleen maar aan het einde van de redevoering, die Petrus op de eerste Pinksterdag, na het uitstorten van de H. Geest, heeft uitgesproken. Daar treffen wij dezelfde stand van zaken aan. Wij menen dat er de volmacht, die de Heere de prediker gegeven heeft, in tot uiting komt. Onze Dordtse vaderen hebben dit aangevoeld, toen zij in de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten beleden hebben dat het de belofte van het Evangelie is, dat een iegelijk die in de gekruisigde Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe, en dat deze belofte alle volkeren en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid (Latijn: promiscue et indiscriminatim) moet verkondigd en voorgesteld worden met bevel van bekering en geloof. (Can. Dordr., Il, 5.)

Het bevel, dat Ananias aan Paulus gegeven heeft, blijkt, vooral volgens de grondtekst, een opwekking geweest te zijn om zich op dit ogenblik te laten dopen en om zich op dit moment de zonden te laten afwassen, na vooraf de Naam van Christus aangeroepen te hebben.

Wanneer wij ons willen houden aan de volgorde, waarin de gebeurtenissen geschied zijn, dan zullen wij moeten aanvangen met na te gaan, wat het zeggen wil dat Paulus de Naam van Christus heeft moeten aanroepen.

De Naam des Heeren is een uitdrukking, die wij menigmaal in de Heilige Schrift tegenkomen. Ook al in het Oude Testament. Wie nauwlettend de plaatsen naspeurt waar zij voorkomt, die moet vaststellen dat zij een samenvatting wil zijn van de Godskennis, die de mens van God Zelf ontvangen heeft.

Om nog een stap verder te gaan: ook over de aanroeping van de Naam des Heeren wordt reeds in het Oude Testament gesproken. De Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuaginta geheten, bezigt dezelfde bewoordingen die Ananias in Handelingen 22 gebruikt, bijvoorbeeld van Abram in Genesis 13 vers 4. In die tekst uit Genesis wordt ons verhaald, dat Abram op zijn zwerftochten door het beloofde land bij een altaar tussen Beth-El en Ai, dat hij daar vroeger had opgericht, de Naam des Heeren aangeroepen heeft..

Andere Schriftplaatsen, die genoemd zouden kunnen worden, zijn nog: Gene­sis 21 vers 33; 26 vers 25; Psalm 79 vers 6; 105 vers 1; Jesaja 64 vers 7; Joel 2 vers 32. Dit is maar een greep uit het vele materiaal, dat ons ten dienste staat. Een greep, die echter voldoende is om te concluderen dat in het Oude Testament het aanroepen van de Naam des Heeren bij wijze van spreken een technische term is om aan te geven, dat de vrome zich biddend tot de Verbondsgod wendt. Hem hulde bewijst en Hem erkent als zijn God. Wij mogen er dus een geloofshandeling in zien, waarmede de HEERE beleden en geëerd wordt.

In het Nieuwe Testament vinden wij eveneens deze spreekwijze. Daar wordt zij zelfs betrokken op de Heere Jezus Christus. Wat God toekomt, dat komt derhalve ook Christus Jezus toe. Wij mogen dit wel als een der duidelijke bewijzen voor Zijn Godheid beschouwen. Wij denken in dit verband o.a. aan Romeinen 10 vers 12-15a: „Want daar is geen onderscheid noch van Jood, noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen die Hem aanroepen. Want een iegelijk, die de Naam des Heeren zal aanroepen zal zalig worden. Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in welke zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van welke zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder die htm predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? " Volgens de meeste Schriftuitleggers heeft de apostel in deze passage uit de brief aan de Romeinen primair de buk op Christus gehad, toen hij het woord „Heere" neerschreef. Om de aanroeping van Zijn naam zou het hier gaan. Behalve aan het aangehaalde gedeelte uit Romeinen 10 zouden wij ook nog kunnen denken aan Handelingen 9 vers 14 en 21; 1 Corinthiërs 1 vers 2; en 2 Timotheus 2 vers 22. Dit zijn alle teksten, waar het bijkans op het eerste gezicht al te zien is, dat de aanroeping van de Naam des Heeren een aanroeping van Christus is.

Dit alles wetende, kunnen wij wel enigszins bevroeden, wat Ananias van Paulus verlangde, toen hij hem aanspoorde om de Naam des Heeren aan te roepen. Hij heeft hem er toe gedrongen om op grond van de kennis, die hij tot op die ure van Christus verkregen had, de Rechtvaardige als God te belijden en te erkennen. Kernachtig gezegd: Ananias heeft van Paulus een geloofsbelijdenis gevorderd. Zulk een geloofsbelijdenis, waarmede Paulus hulde zou moeten betonen aan Hem, die hij gezien had en Wiens stem hij gehoord had.

Van zodanige strekking is, naar wij menen, dit deel van Ananias' toepassing geweest.

Nu blijft ons nog over het een en ander te zeggen van het gebod om zich te laten dopen en zich de zonden te laten afwassen.

Wij geloven, dat wij recht doen aan wat Ananias voor de geest stond, wanneer wij dit niet opvatten als twee eisen, doch wanneer wij het zó zien, dat het hem om een en dezelfde zaak te doen is, namelijk Paulus' doop. De doop en de afwassing der zonden, gelijk Ananias daarvan tot Paulus gesproken heeft, zijn dan niet twee geheel verschillende dingen geweest.

Daarmede willen wij niet beweren, dat door de doop op zichzelf, ex opere operato, de afwassing van de zonden van Paulus heeft plaats gevonden. Dat zij verre. Wel zijn wij evenwel van oordeel, dat de doop, waartoe Ananias Paulus opgeroepen heeft, een teken en zegel van de afwassing zijner zonden geweest is.

Met andere woorden: als Ananias zegt, dat Paulus zijn zonden moet laten afwassen, dan legt hij daarmede uit, wat voor het geloof de betekenis van het zich laten dopen wezen mag. De rijkdom van hetgeen de doop als een belofte Gods betekent en verzegelt, wordt er zodoende mee aangeduid. Wanneer Paulus, déze Paulus, zich laat dopen, na de naam des Heeren aangeroepen te hebben in die zwaar-geladen zin die deze handeling des geloofs in de Schrift heeft, dan mag die doop hem tot een zegel en ongetwijfeld getuigenis zijn, dat zijn zonden hem vergeven zijn. Met opzet heeft Ananias het woord „afwassen" gekozen. Verbonden met de doop, waarbij het water niet ontbreekt, roept het de gedachte aan reiniging op. Aan reiniging van wat onrein is.

Op de doop hopen wij nog nader terug te komen. Wij zullen hem regelmatig ontmoeten bij Paulus' zendingsarbeid. Daarom willen wij er thans niet meer van zeggen, maar te zijner tijd enkele Nieuwtestamentische gegevens bespreken, die de doop behandelen. Alleen zij nog opgemerkt, dat Christus bij Zijn afscheid Zijn jongeren de opdracht gegeven heeft te dopen in de Naam van de Drieënige God, en dat in de Handelingen en de Brieven gedurig wordt vermeld, dat de jonge Christenen de doop ontvingen.

In Handelingen 9 wordt het onomwonden verteld, dat de prediking van Ananias, waarvan de climax zulk een zeer persoonlijke toepassing was, niet zonder vrucht gebleven is: Paulus is opgestaan, is gedoopt, heeft voedsel tot zich genomen en is versterkt.

Een andere levensperiode is voor hem aangebroken. Hij kan weer voort. Met Christus. En door Christus. Als een nieuwe mens. Krachtig in de Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„EN NU.....”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's