DE Dordtse LEERREGELS
En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden, en levenamaking, waarvan zo heerlijk in de Schrift gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt. En deze wordt in ons niet teweeggebracht door middel van de uiterlijke prediking alleen, noch door aanrading, of zulke manier van werking, dat, wanneer God nu Zijn werk volbracht heeft, het alsdan nog in de macht des mensen zou staan wedergeboren te worden, of niet wedergeboren te worden, bekeerd te worden of niet bekeerd te worden. Maar het is een gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige, en tegelijk zeer zoete, wonderbare, verborgene en onuitsprekelijke werking, dewelke, naar het getuigenis der Schrift (die van de Auteur van deze werking is ingegeven), in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der doden; alzo dat al diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtiglijk wedergeboren worden, en daadwerkelijk geloven. En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf. Waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mens, door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert.
HOOFDSTUK III/IV Artikel 12
Wedergeboorte is als opwekking der doden.
Nog niet zo lang geleden verscheen een brochure getiteld „De deelname aan het Avondmaal", bevattende „Overwegingen van de generale synode der Nederlandse Hervormde Kerk ten aanzien van de avondmaalsmijding." Daarin kan men lezen op bk. 17: Zij die er niet toe te bewegen zijn aan het Avondmaal te komen hoewel zij erkennen, dat het afblijven van het Avondmaal ook niet goed is, voeren onder meer de volgende motieven aan: .... er moet eerst iets met ons gebeurd zijn....
Aangezien dit een getuigenis van de synode is of boodschap of brief valt het, dacht ik, onder artikel 10 der Kerkorde. Volgens dit artikel spreekt de Kerk, ook in haar ambtelijke vergaderingen in gemeenschap met de belijdenis der vaderen. Nu is het merkwaardige van deze brochure, dat daarin, zover ik heb kunnen nagaan, geen spoor is van gemeenschap met de belijdenis der vaderen: materieel niet en ook formeel niet. Men zou toch mogen verwachten, dat in dergelijke overwegingen herinnerd werd aan de drie vereisten voor de Avondmaalganger, waaraan ieder zichzelf moet beproeven.
Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld? Toch niet zo maar voor iedereen. Ook niet voor ieder lidmaat zonder meer. Voor wie het wel is ingesteld kan men in het Formulier om het Heilig Avondmaal te houden en in Vraag 81 van de H. Catechismus en in artikel 35 van de Confessia Belgica vinden. Niet voor alle lidmaten schreef reeds Ursinus.
„Het zijn onderscheidene kwestiën: wie behoren tot het Avondmaal te gaan en wie tot hetzelve behoren toegelaten te worden.... Al degenen die tot het Avondmaal behoren te gaan, behoren ook toegelaten te worden. Maar niet allen, die wel moeten toegelaten worden, behoren ook toe te gaan. Dat is, al degenen, die wettelijke gasten en ware lidmaten van Christus zijn, behoren ook voor zodanige van de gemeente gehouden en tot de sacramenten toegelaten te worden; maar niet al degenen die voor zodanige gehouden en toegelaten moeten worden, zijn ook inderdaad zodanige. Want daar gaan velen toe, die niet behoorden. ..." Dat is Ursinus.
Ik vrees vaak, dat sommigen tegenwoordig niet meer weten, voor wie het Avondmaal des Heeren is ingesteld en niet meer willen luisteren naar Schrift en belijdenis. De belijdenis brengt men niet eens meer ter sprake en van de Schrift zoekt men zulk een uitleg te geven, dat alles algemeen wordt. Een klein voorbeeld daarvan uit bovengenoemde brochure. Let wel: ik ga deze overwegingen hier niet behandelen. Dan zou ik iedere zin moeten tegenspreken. Als er b.v. staat, dat het Avondmaal voor zondaren is ingesteld aan wie het Evangelie verkondigd is, zijn dat wel heel andere vereisten dan in de belijdenisgeschriften. Daar wordt gesproken van bekeerde zondaren, die een mishagen aan zich zelf hebben en van wedergeboren zondaren en van gelovige zondaren, tot wie het Evangelie gekomen is. In de brochure alleen van zondaren. Zo is ongeveer elke zin fout of zo vaag, dat men niet weet wat men er aan heeft.
Maar nu dat voorbeeld van lichtvaardige exegese. Het gaat over 2 Cor. 13 : 5 in de brochure aangehaald in N.V., maar vanouds luidende: „Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt, beproeft uzelf. Of kent gij u zelf niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt". Het is duidelijk dat onderzoek een dubbele uitslag kan hebben: goed of kwaad. In het geloof of buiten het geloof. Maar neen, het staat vast, lees ik op blz. 9, dat wij (allen? ) in het geloof met Hem één zijn. Daar hoeven we dus geen zorg over te hebben. Wat moeten we dan onderzoeken? Of ik mijn geloof beleef. Is dit werkelijk de vaststaande exegese van dit vers? Of is het een mening van de meerderheid der synodeleden? Naar mijn bescheiden overtuiging dan een verkeerde mening. De Apostel gebruikt immers een woord voor onderzoeken, dat de uitslag onzeker stelt. Prof. Grosheide schrijft: „Paulus vermaant dus de Korinthiërs zichzelf te onderzoeken of zij werkelijk geloven. En blijkens de betekenis van peirazein (beproeven) kan dat zelfonderzoek een gunstig en een ongunstig resultaat hebben. Hoe het zal uitvallen, zegt Paulus niet, dat laat hij voor de verantwoording der Korinthiërs." Voorts wijst prof. Grosheide er op, dat het slot van vers 5 met name de mogelijkheid noemt, dat het zelfonderzoek brengt tot de erkentenis van verwerpelijkheid. De exegese der synode schijnt dus nogal wankel en door de meerderheid een beetje pasklaar gemaakt voor haar eigen mening. Dit doet mij denken aan de bekende uitspraak van Hoedemaker: „God beware ons voor een orthodoxe synode!" Bedoelde hij daar een synode mee van leden, die allen aan de erfenis der vaderen confessioneel gebonden waren? Bedoelde hij een gereformeerde synode? Blijkens zijn toelichting niet. Dr. Scheers schrijft er het volgende over in zijn „Philippus, Jacobus, Hoedemaker" blz. 192: „.... een orthodoxe synode zal, zo meent Hoedemaker, een „Ethische" zijn en daar is hij buitengewoon bang voor, " „De geheime reden waarom zovele „gematigde orthodoxen" maar niet kunnen inzien, dat de Besturen de leer zelfs niet tot op zekere hoogte kunnen handhaven is gelegen in de hoop, dat hunne ietwat vrijgevige opvatting in de Besturen tot heerschappij zal komen". In dat verband haalt hij vaak zijn eigen woord aan, in 1876 gesproken op een vergadering van de Vrienden der Waarheid: „God beware ons voor een orthodoxe synode"!
„Aan de oude Liberalen en Modernen mag.... de lof niet worden onthouden, dat zij, zolang het heiligdom van hun leervrijheid niet werd aangetast, de Kerk in de regel met grote onzijdigheid hebben geregeerd. Dat zal anders worden, als de Moderne „Orthodoxie" aan het roer komt". Zo Hoedemaker!
Wij hebben nu een orthodoxe synode. Is Hoedemaker terecht bevreesd voor haar geweest? Ik meen van wel. Deze orthodoxe synode is inderdaad 'n „Ethische", zoals hij vreesde. Wij noemen dat nu een „midden-orthodoxie". Sommige vrienden van Hoedemaker waren helaas niet zo bang van een orthodoxe synode als hun leider, maar de man van „heel de kerk en heel het volk" heeft hierin gelijk gekregen, dacht ik. Het is niet de belijdenis der Kerk, die men zoekt te handhaven. Deze belijdenis holt men veeleer uit, om hem dan op te vullen met zijn eigen ideologie. Collega Van Sliedregt noemde dat „een langzaam ondergraven van de belijdenis". Dat heeft Hoedemaker blijkbaar voorzien blijkens zijn bede: „God beware ons voor een orthodoxe (= midden-orthodoxie) synode!"
Na deze uitweiding, die nodig was om de actuele waarde van artikel 12 te laten zien, gelijk van al deze artikelen, keren we terug tot de gereleveerde uiting: „Ik kan niet aan het Avondmaal want er moet iets met mij gebeurd zijn." Hoe waar dit is, weet ieder, die de H. Schrift kent. Op grond daarvan zegt artikel 35 van de C.B.: Avondmaalgangers moeten wedergeboren zijn. Ons artikel 12 zegt: dat is een opwekking uit de doden. Men mag toch aannemen, dat dit een geweldige ommekeer in ons leven brengt. Deze wedergeboorte leidt tot een al maar dieper kennen van onze zonde en vervloeking, tot het geloof in Christus en tot een begeerte om waarachtige dankbaarheid te bewijzen. Men zou veel meer dingen kunnen noemen, die alle evenzoveel kenmerken zijn van die geweldige radicale vernieuwing, die in elke Avondmaalganger begonnen en aan de gang moet zijn.
Schrijft nu de genoemde brochure er ook zo over? Neen, zij bestrijdt van alle kanten, dat er met ons iets gebeurd moet zijn. Hier en daar zal men misschien een vage uitdrukking in die richting vinden, doch het redebeleid wordt er op geen enkele wijze door bepaald. Men is gedoopt dus moet men aan het H. Avondmaal. Als men het niet zo zegt ligt toch deze conclusie voor de hand. Is het dan niet juist dat volwassen leden op grond van de beloften Gods hun in de Doop betekend en verzegeld toegang behoren te vragen tot het Avondmaal? De Apostel Paulus schrijft: „Onderzoek uzelf of gij in het geloof zijt." Dit moet voorafgaan. En dat geloof is weer een vrucht van de wedergeboorte, m.a.w. een gave Gods door een krachtig ingrijpen des Heeren gewerkt. Er moet wel degelijk wat gebeuren met ieder zondaar, die dood geboren is. Wij moeten van dood levend gemaakt worden, van blind ziende.
Hoe wordt nu een mens wedergeboren? Kohlbrugge schrijft er in een preek over Joh. 3 dit van: „Hoe wordt nu een mens uit Geest geboren? Daarop antwoord ik: het uitwendige middel, de Doop van Johannes, deed het op zichzelf niet, ook niet het feit, dat iemand zich uiterlijk aan het middel zou onderwerpen, alsof iemand daardoor tot een kind Gods zou geboren worden, dat men uitwendig 't werk gedaan had, dat God had bevolen; neen, maar er gaat iets gepaard met dat uitwendige werk, wanneer het in God gedaan is en dat is de Heilige Geest. Deze voegt zich bij de mensen.... Dan werpt Hij het levende zaad in het hart van een mens, n.l. het eeuwige en blijvende Woord Gods. Door dit Woord herschept Hij de mens.... Dan is daar eerst de ontdekking van schuld en verdoemenis, van verlorenheid, van zonde en ongerechtigheid, van een geheel afgevallen zijn van God. Daar verwekt dan de Geest een smachtend verlangen naar verlossing van schuld en straf, naar vrijmaking van alle heerschappij der zonde. Daar ontvallen de mensen dan ook alle werken van gerechtigheid, van deugd en heiligheid.... zodat hij in 't geheel niets meer is en niets meer heeft en onder het vreselijke gevoel van Gods toorn ligt. Daar geeft de Geest ook honger en dorst naar die gerechtigheid welke voor God geldt, een schreien en roepen om genade en ontferming. Zo drijft de Geest tot de middelen; want er gebeurt niets door de middelen op zichzelf, maar ook niets door de Geest zonder de middelen. ... En uit de Geest geboren zijn is: alle vertrouwen op eigen kracht, wijsheid en rechtvaardigheid laten varen en alles, wat er in en aan ons is, geheel en al verdoemen. Want, waar dit gebeurt, daar verwekt de Heilige Geest het geloof, waardoor een mens door deze Geest een geheel ander mens wordt, n.l. een mens, die in de Heere leeft en in de Heere zijn gerechtigheid en sterkte heeft en zich niet langer meer op de oude stam van Adam bevindt.
Dit alles is enkel en alleen uit God. Nochtans wordt het een mens voorgehouden, opdat hij weet, waar hij het zoeken moet en wat voor hem nodig is, zodra hij naar de dingen van God, de God des levens begint te vragen....
Velen houden een levende overtuiging van zonden en een daarop volgende verruiming der ziel voor de wedergeboorte. Hoewel dit ook bij de wedergeboorte behoort, is dit toch de wedergeboorte zelf niet....
Waarin bestaat zij dan eigenlijk? Ik antwoord: Daarin, dat men uit de Wet en het drijven daarvan aan de hand des Geestes overgaat in het geloof in Jezus Christus.... Deze overgang geschiedt.. door het machtige trekken des Vaders tot Christus.
Waar zulk een overgang plaats vindt, daar is niet alleen een machtig en diep gevoel van zonden, maar ook van grondeloze verlorenheid en verdorvenheid, en tevens een waarachtige begeerte om met de Wet Gods in overeenstemming te zijn; maar niet minder een overtuiging van eigen totale onmacht en een worstelen om van de tyranie der zonde verlost te zijn. Dan wordt men geheel en al overtuigd van de ongenoegzaamheid van alle vrome werken.... en terwijl men overgezet wordt onder de heerschappij der genade, houdt men het daarvoor, dat men met Christus der Wet afgestorven is en terwijl men zich overdekt gevoelt met eeuwige genade, verheugt men zich in de belofte: „Ik zal u onderwijzen...."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's