De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE KERKELIJKE TUCHT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE KERKELIJKE TUCHT

5 minuten leestijd

in verband met de betekenis en functie van de belijdenis

4. 

Geestelijke en kerkrechtelijke functie van de belijdenis hangen samen.

De belijdenis functioneert in de kerk niet kerkrechtelijk, wijl zij geestelijk niet genoegzaam functioneert. Want haar geestelijke en kerkrechtelijke functie hangen natuurlijk ten nauwste samen. Als de belijdenis niet in de gemeenten en vergaderingen der kerk voldoende geestelijk gezag oefent in de gewetens, zal de kerk haar ook kerkrechtelijk niet laten functioneren.

Zo is de situatie heden in onze kerk. Geestelijk is de meerderheid vervreemd van de religie der belijdenis. Hoewel toch telkens weer blijkt, dat zij ergens in de gewetens nog gezag oefent. Dat is het wonder van de overmacht van Gods Woord, dat telkens weer in de kerk merkbaar is, en waarvoor we niet dankbaar genoeg kunnen zijn. Dan oefent het Woord telkens weer een overmachtige invloed uit. En men komt in het spoor van de belijdenis der kerk ondanks het verkeerde uitgangspunt, dat men huldigt; en de kerk wordt zodoende voor grove excessen bewaard. Dat geschiedt soms meer onbewust dan dat men zich bewust reguleert aan de confessie, We beleven dat als € en wondere goedertierenheid Gods over onze kerk. De Heere verlaat haar niet.

Een volgend ogenblik echter wordt al het moedgevende weer weggeslagen. Gods Woord (de belijdenis) werkt ergens remmend en behoudend, maar dat geschiedt dan ook ondanks de theologie en de hantering van de orde der kerk. Want als laatsten aan het woord komen en doorpraten en - draven, merken we als kerk weer plots terug te zinken tot het peil van de reglementen-kerk van de vorige eeuw.

Welk geneesmiddel?

Wat zal ter genezing der kerk zijn? Zou het de kerk baten, dat kerkrechtelijk de belijdenis als leernorm zou functioneren, en dienovereenkomstig leertucht zou geoefend worden, zonder dat de belijdenis werkelijk geestelijk in geloof en leven in de kerk functioneerde? Stel, dat het mogelijk ware — het zou de kerk niet redden.

Allereerst dient de belijdenis geestelijk te functioneren in haar vergaderingen, en gelijke tred daarmee boude de drang om de belijdenis tot haar kerkrechtelijk functioneren te brengen.

Geschiedt dat niet genoegzaam, zo kan geen gezonde leertuchtoefening verwacht worden en zal 1 mei a.s. geen nieuwe kerkelijke aera doen aanbreken.

De beste kerkorde kan niet verhinderen, dat dan toch de kerk wegzinkt in het moeras. Dan gaat immers de helft plus één de toon aangeven, zonder geestelijke en kerkrechtelijke binding aan de belijdenis.

Uitzicht.

Toch blijft er echter m.i. een uitzicht voor allen, die in de belijdenis herkennen het geloofsgetuigenis der kerk.

Zij hebben het zedelijk recht en de roeping tevens de kerk steeds weer terug te roepen tot haar belijdenis. Volgens haar kerkorde wil toch de kerk blijven in de gemeenschap met de belijdenis der vaderen. Deze gemeenschap kan en mag niet anders worden verstaan dan een leven uit de H. Schrift gelijk de vaderen en dus een blijven bij de stukken der Waarheid Gods, waarvan onze kerk in haar rijkste tijd belijdenis heeft gedaan.

Daarbij hebben zij echter in hoog bewustzijn van hun verantwoordelijkheid twee zaken duidelijk te maken.

Geen bijzaken voor hoofdzaken.

Ten eerste moet helder uit de verf komen, dat met het functioneren van de belijdenis niet bedoeld wordt een knechting in banden van formules en woorden, maar een gevangen zijn in de religie der belijdenis, waarin we vertolkt weten het geloof der Schriften. Wanneer de belijdenis functioneert, is zij een regel des geloofs wat de stukken der Waarheid betreft.

Daarin heeft zij ook ongetwijfeld voor hen, die haar opheffen als banier, corrigerend te zijn t.o.v. allerlei gangbare opvattingen en meningen. Want het reformatorisch christocentrisch geloofsleven (of liever theocentrisch), dat in de belijdenis bruist, wordt lang niet altijd gevonden bij haar verdedigers. Er is veel letterzifterij, geestelijke onkunde en een verleggen van de klemtoon, zodat de strijd verlegd wordt naar het terrein van de bijkomstigheden. Dan worden allerlei ondergeschikte verschilpunten tot principe-kwesties verheven. Om maar één voorbeeld te noemen: het ritmisch zingen.

Doordat de belijdenis niet genoegzaam ook bij hen functioneert. komen ook haar verdedigers vaak op geestelijke en kerkelijke kronkelpaden. Door het steeds weer zich afzetten tegen de ander dreigt de bezinning op de werkelijke inhoud der belijdenis te kort te komen. Ze wordt slechts een wapenarsenaal voor de strijd. Men dreigt halsstarrig bij haar woorden en letters te volharden en zo in gebreke te blijven om uit haar moderne wapens te smeden tegen de geest van déze eeuw. Bovendien moet men ook oog hebben voor de concrete situatie der kerk. Men mag niet het onderste uit de kan terstond eisen. Natuurlijk zijn de hoofdstukken der leer indiscutabel. Maar Calvijn zegt: Als wij dan verder ons best doen te verbeteren, wat ons mishaagt, zo handelen wij daarin naar onze plicht.

Het diepe geestelijke leven, dat in de belijdenis vertolkt wordt, was het leven der kerk in de dagen der reformatie. Toen het geschrift van Guido de Brés in de gereformeerde kerken hier te lande bekend werd sloeg er een golf van ontroering door de harten. Dat was hun leven: „Bij deze dingen leef ik en dat is het leven van mijn geest", zo werd erkend. Zo werd dit geschrift tot de belijdenis der kerk aangenomen, eenparig. De belijdenis functioneerde. Is het zo ook onder ons? — Wij menen helaas ook functieverlies onder ons te moeten constateren.

De eis van kerkrechtelijke handhaving van de belijdenis tot oefening van de kerkelijke tucht mag door ons niet gesteld worden zonder dat we beseffen de noodzaak van het geestelijk functioneren van haar. En daarbij, dunkt mij, moeten we ook als gereformeerde mensen en kerkeraden zelf onder de kritiek van de belijdenis door.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE KERKELIJKE TUCHT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's