De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

Ook in de dagbladen hebben we kunnen lezen over het nog ai (k)wispelturige geschrijf van een zekere hooggeleerde heer. Bij het uitzwaaien van dr. Buskes, die om gezondheidsredenen met emeritaat gaat, heeft namelijk prof. Quispel in Elsevier tegen deze bekende Amsterdamse predikant een hele serie beschuldigingen geuit. In dat artikel staan, zo schrijft dr. Buskes in „In de Waagschaal", over hem meer dan vijftien pertinente leugens. Buskes gaat zich niet verdedigen, alleen wijst hij met diepe verontwaardiging af de beschuldiging als zou ds. Koningsberger in het ministerie van predikanten één van Buskes' slachtoffers zijn.

Overigens schrijft in het volgend nummer van „In de Waagschaal" J. Hoeve een gepeperd artikel tegen het schrijven van prof. Quispel. Dat gaat zo in de stijl van:

Dat Buskes agressief is weet ik, en ik weet eveneens, dat die agressiviteit hem „dingen" gekost heeft, die hij graag begeerd zou hebben. Maar die agressiviteit was een vrucht van zijn geloof. Was Paulus ook niet agressief? Daarentegen ken ik prof. Quispel niet goed genoeg om te beweren dat zijn agressiviteit niet uit zijn geloof voortkomt. Ik betwijfel het wel eens, als ik zijn uitlatingen lees. Ik heb zo het vermoeden, dat Quispel bezeten is van een aantal waanideeën. Hij moet beslist eens met prof. Van den Berg (psychologie; U.d.P.) hierover praten. Dan kan hij binnen zijn eigen faculteit blijven.

Het is te begrijpen dat, onder aanvoering van de Herv. Kerk, de kerkelijke tucht over de hele linie in de kerkelijke pers alle aandacht heeft. Als in dat verband prof. Wurth ook schrijft over de tuchtoefening van de synode der Geref. Kerken in Assen in 1926 waar toen Geelkerken en de zijnen door getroffen wer­den, dan ligt het voor de hand, dat Buskes daar nog weer eens uitvoerig op in gaat. Hij was immers één van degenen, die in Assen toen aan de dijk werden gezet, zoals hij dit zelf uitdrukt.

Ook wij zijn er van overtuigd, dat hier voor de Geref. Kerken allerlei moeilijkheden liggen. Buskes beweert namelijk, dat prof. Wurth met Assen in zijn maag zit, zo zelfs, dat hij er een maagkwaal van krijgt, als hij niet oppast. Prof. Wurth wil Assen nog vast proberen te houden, maar, zo schrijft Buskes in I.d.W. van 15 april:

Prof. Ridderbos van Amsterdam en prof. Lever hebben Assen al lang overboord gezet en waarlijk niet alleen door het lezen van de Bijbel. Daar hebben het historisch-kritisch onderzoek en de wetenschap wat mee te maken. En ds. Delleman geeft in zijn „Wording van mens en wereld" een scherpe veroordeling van de uitspraken van Assen. Maar er gebeurt niets in de Gereformeerde Kerken. Niemand doet een mond open. Seeberg heeft honderd maal gelijk, wanneer hij in zijn „Dogmengeschichte" zegt, dat de meeste kerkelijke beslissingen inzake de leer niet onwerkzaam zijn geworden doordat ze van buiten af bestreden werden, maar doordat zij van binnen uit werden doodgezwegen. Assen wordt doodgezwegen.

Nu heeft Buskes zijn bewering over prof. Ridderbos, op diens verzoek, teruggenomen in het volgend nummer van I.d.W. en hij heeft deze bewering veranderd in een vermoeden zijnerzijds. Maar zijn bewering over ds. Delleman is toch wel juist. Deze heeft namelijk op de jaarlijkse theologenconferentie van „Kerk en Wereld" een inleiding gehouden over „schepping en evolutie" en, mogen we het verslag daarover van ds. J. Irik in „Woord en Dienst" van 13 mei geloven, dan heeft hij daar het volgende beweerd:

Gen. 1 is geen reportage, maar geloofsgetuigenis. Hfdst. 1 en 2 verschillen sterk; het te gebruiken schema hangt af van de boodschap, die de verteller verkondigen wil. God geeft ons Zijn openbaring in een menselijke, zeitbedingte, feilbare vorm; maar vergelijking met de overeenkomstige verhalen uit de heidense wereld maakt zichtbaar wat de schrijver verkondigen wil en mag. Gen. 1-3 geeft geen prehistorie, maar openbaring inzake het geschapen worden en zondaar worden van de mens.

De verslaggever voegt er dan aan toe:

De „gebeurtenis" van deze lezing van ds. Delleman was misschien niet allereerst wat hij zei, maar vooral dat hij het zei. Een pittige discussie trachtte aan het licht te brengen, of er in deze materie toch nog verschillen tussen hervormd en gereformeerd zijn!

Geen wonder, dat dr. Buskes in zijn artikel om klaarheid vraagt:

Moet er klaarheid komen met het oog op de verhouding van de Gereformeerde Kerken tot hen „die toen van ons gingen" (lees: die op gezag van Gods Woord en onder de leiding van de Heilige Geest door ons werden afgezet!)? Ik weet maar één enkele klaarheid: Assen handhaven of door Assen een streep halen, de rest is knoeien!

Op dit punt zal misschien de nu aan de gang zijnde synode van Apeldoorn opzienbarende beslissingen te zien geven. In deze verwachting worden we versterkt als we lezen hoe A. M. Lindeboom aan het polemiseren is tegen dr. Koolhaas, die een referaat hield over de tucht, voor de Geref. predikanten. In het Gereformeerd Weekblad (Kok) van 12 mei laat hij dr. Koolhaas zeggen: Ja, dat kunt u als gereformeerd predikant nu allemaal makkelijk zeggen. U hebt in uw kerk die moeilijkheden niet. En de schrijver beaamt dit dan ook, maar vraagt zich dan tevens af hoe dat komt:

En dan is het duidelijk dat wij voor dergelijke ingrijpende beslissingen niet staan, omdat wij in onze voorouders die beslissingen al hebben gehad. De afgescheidenen en dolerenden hebben op een bepaald tijdstip geweldige en moeilijke beslissingen moeten nemen. Onder het brengen van grote offers hebben zij de band met de dwaalleer verbroken. Daarvan is het nu een gevolg dat wij, die in hun voetspoor zijn blijven gaan, thans zo'n band met de dwaalleer niet hebben. Maar al is het dan in ons voorgeslacht, dit doet niets af van het feit dat wij de situatie van er op of er onder wel degelijk hebben gehad.

Dat zit daar blijkbaar allemaal dus nog wel goed! Dit voorspelt voor ds. Delleman en de zijnen niet veel goeds; evenmin als voor dr. Buskes, voorzover hij door de begeerde klaarheid nog hoopt op zo iets als een eerherstel van degenen die in Assen afgezet werden. Dit eerherstel zit er echter wel in, als prof. Lever, ds. Delleman enz. ongemoeid gelaten worden. In ieder geval moet één van beiden toch wel gebeuren op de Geref. synode te Apeldoorn, als we het slot lezen van het artikel van Lindeboom:

Hierbij voelt ieder dat we dan tegelijk zijn aangeland bij de zaken die door ds. Scheele op de predikantenvergadering aan de orde werden gesteld: a. dat de Hervormde kerk moet denken aan eerherstel van de afgescheidenen en dolerenden; b. dat in de vorige eeuw in de Hervormde kerk (in tegenstelling met. de zg. tuchteloosheid) wel degelijk sprake was van tucht nl. tegenover de afgescheidenen en dolerenden.

We kunnen namelijk niet aannemen dat iemand, die boter op z'n hoofd heeft, in de zon zal gaan staan. Overigens is het natuurlijk ook mogelijk dat A.M.L. in z'n argeloosheid wel wat al te simplistisch en rechtlijnig redeneert; deze „gearriveerdheid" kon wel eens een fictie blijken te zijn. We hebben namelijk de indruk, dat A.M.L. een op dit punt heel belangrijk iets over het hoofd ziet; iets waar we in de Herv. Kerk bij opgegroeid zijn. We bedoelen: het bestaan van richtingen en modaliteiten. Die zijn er namelijk in de Gereformeerde ook. In „Waarheid en Eenheid" van 12 mei lezen we onder: Kerkelijk leven:

Zonder aanspraak te maken op volledigheid meen ik een onderscheiding in drie modaliteiten te mogen maken: één, die haar klankbord heeft in de Strijdende Kerk, één die in Waarheid en Eenheid/De Roeper haar gevoelen uitzegt, en de grote groep, die men ook wel, naar analogie van de Hervormde Kerk, de middenorthodoxie der Gereformeerde Kerken noemt. Eerstgenoemden hebben op de gang van zaken in de Gereformeerde Kerken slechts een ondergeschikte invloed. Laatstgenoemden, hoewel in formele zin geen groep vormend, bepalen het beleid met name der meeste kerkelijke vergadering, de Generale Synode. Bij benoemingen komen anderen niet of nauwelijks aan bod. Bij de mindere vergaderingen spelen de modulaties minder sterk, doch mede ten gevolge van de getrapte verkiezingen hebben minderheden in ons kerkelijk bestel een kwade kans om tot de meeste vergadering door te dringen. Kenmerkend is het volgende gezegde, dat bij wijze van grapje geuit werd, toen gesproken werd over het in aanmerking komen voor een bepaalde functie: „Als het maar doorgaat, nu je redacteur van W. en E. geworden bent". Dit werd gezegd door iemand, die bepaald geen W. en E.-man was. 't Was maar een grapje, doch het is tekenend, dat iedereen het meteen begrijpt en men moeilijk kan beweren, dat het geen achtergrond heeft. Deze achtergrond bestaat in een zeker wantrouwen, dat de sfeer in onze kerken vertroebelt.

Deze verschijnselen neemt de schrijver ook waar in andere kerkgenootschappen. Bij de Chr. Gereformeerden, zo schrijft hij, zijn kennelijk belangrijke stromingen, die sterk verwantschap vertonen met verschillende formaties van wat men populair pleegt aan te duiden als oud- Gereformeerd. Misschien dat daar iets in zit voor ds. Velema, die in de „Wekker" van 12 mei klaagt:

Er zijn verschillende symptomen, die er op wijzen dat met ons als Chr. Gereformeerden nog steeds niet gerekend wordt. Nu zou bij het lezen van een dergelijke klacht direct het verwijt gedaan kunnen worden: een chauvinistisch, kerkistisch standpunt van iemand, die meent dat zijn eigen kerk de boventoon moet hebben. Dat is allerminst m'n bedoeling. De schrijver van dit artikel is zich heel goed bewust dat we als kerken geen reden hebben om een hoge borst op te zetten. Er zijn vele gebreken en ellendigheden, die ons kerkelijk leven aankleven. Maar dat betekent niet dat we ons daarom bij voorbaat aan de kant behoeven te laten schuiven. Wie daar voor voelt en vanuit die instelling leeft, heeft zelf geen overtuiging en is het eigenlijk eens met die mensen buiten onze kerk, die menen dat het met onze kerken ook niets gedaan is. Voor de oorlog klaagden we wel eens over gereformeerd imperialisme. Ik heb het idee dat tengevolge van allerlei factoren deze mentaliteit behoorlijk verdwenen is. Daarvoor in de plaats is een nieuw imperialisme gekomen: het hervormd kerkelijk denken, dat aanzienlijke afmetingen aanneemt. Een kleine kerk als de onze kan dan zo heerlijk genegeerd worden. We tellen toch niet mee. Het is vaak niet eens opzet, die hier achter zit. Maar we bestaan eenvoudig niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's