DE KERKELIJKE TUCHT
in verband met de betekenis en functie van de belijdenis
5. (Slot).
Voorleven.
De tweede zaak, die alle gereformeerden ter harte moet gaan is, dat zij hebben voor te leven de gereformeerde discipline.
Heet dat in onze dag bij velen fundamentalisme of formulierendwang, zij hebben te betonen de bandeloosheid te verafschuwen. De belijdenis, waarin zij staan en waaruit zij levert, wijst hen toch de grenzen aan, waarbinnen de geestelijke en theologische bezinning zich heeft af te spelen. Dat hebben zij de kerk duidelijk te maken. Zij zullen
zich niet laten verleiden mee te doen met hen, die menen in officiële kerkelijke stukken vrijblijvend kritiek te mogen oefenen op een bepaald stuk van de belijdenis. Want zij zullen tegenover een vrijblijvend optreden tegenover de belijdenis de grondregel van de kerkelijke orde stellen, dat een stuk der belijdenis niet door de kerk kan worden getoetst, zolang die kerk niet eerst zich aan haar belijdenis gebonden weet. Pas wanneer de belijdenis waarlijk functioneert als leernorm in de kerk is de kerk waarlijk bij machte een gravamen te toetsen. Daarom zal een gereformeerde belijder zijn naam niet geven voor een officieel kerkelijk stuk, waarin vrijblijvend de belijdenis wordt becritiseerd. Hij zal hierin niet alleen theologisch oordelen, maar ook kerkrechtelijk. Als de kerk zich veroorlooft in haar officiële stukken, b.v. een pastoraal advies, kritiek te oefenen op haar belijdenis, zonder werkelijk tot die belijdenis te zijn weergekeerd als haar leernorm, constateren we hierin de oude eigenmachtige werkwijze van de remonstrant, die alles op losse schroeven zet. Daar moet een gereformeerd mens niet aan mee willen doen.
Wij duchten zeer een proces, waarbij de zee van theologische bezinning in onze kerk ongemerkt langzaam maar zeker steeds meer belijdenis-grond wegknabbelt.
Er is een vrije theologische bezinning, zogenaamd in gemeenschap met de belijdenis der vaderen, maar in werkelijkheid zich vrij gedragend tegenover de belijdenis als belijdenis der kerk. We duchten een langzaam
maar zeker ondergraven van de belijdenis als resultaat hiervan.
Het buigen voor de H. Schrift als Gods onfeilbaar Woord, zoals de belijdenis daarvan gewaagt in art. 2-7, wordt stilzwijgend gezien en voorbijgegaan als een verouderd standpunt.
Nu staat er een herderlijk schrijven over de leer der uitverkiezing op stapel, waarin art. 16 van de belijdenis wordt verklaard te geven een gespleten Godsbeeld en dus wordt afgewezen, om maar te zwijgen over de kritiek, die op de Dordtse Leerregels wordt geoefend, ook al wordt er daarnaast veel goeds van gezegd.
Zo wordt inderdaad in een geleidelijk proces weer wat van de inhoud van de belijdenis weggeknabbeld en vervangen door een nieuwe visie.
Het is m.i. ontzaglijk bedenkelijk, als gereformeerde belijders zich er voor laten vinden bij dit bedrijf ingeschakeld te worden, ook al is hun bedoelen daarbij de positieve winst zo groot mogelijk te maken. Dat wij staan midden in de stroom is onze taak. Maar als wij onze naam geven voor een stuk, waarin de belijdenis aangetast wordt in een bepaald stuk, zonder dat we staan op een minderheidsnota onzerzijds of aantekening wensen van ons protest hiertegen, dan bewegen wij ons, kerkrechtelijk gedacht, in het spoor der remonstranten. Want gereformeerd is, dat niemand over een stuk der belijdenis het recht heeft te oordelen dan de kerk, die uit haar belijdenis leeft en zich aan haar belijdenis gebonden weet. En deze gereformeerde discipline moeten wij de kerk voorleven. Het gaat bovendien in art. 16 van onze confessie niet om kleine dingen. Het betreft toch de belijdenis der deugden Gods en derhalve van Zijn Wezen.
Het is te hopen, dat dit voorbeeld geen verdere navolging vindt. Want met de winst, die schijnbaar geboekt wordt, wordt nochtans de belijdenis ondergraven. Ons streven en gebed zij daarop gericht, dat de kerk kome tot een onvoorwaardelijk buigen voor de H. Schrift als Gods Woord naar art. 2-7 van de confessie en wederkeer daarin tot haar belijdenis. Van die gehoorzaamheid spreekt de kerk toch ook in art. 10 van haar kerkorde. En we mogen die gehoorzaamheid toch niet anders verstaan.
Alleen, wanneer de belijdenis waarlijk haar geestelijke en kerkrechtelijke functie vervult als norm der hemelse leer, heeft zij de plaats in de orde der kerk, die haar toekomt.
Wanneer de kerk haar belijdenis zo niet wil verstaan, levert zij zich zelf uit aan de resultaten van theologische scholen en richtingen, waarbij de filosofie van de eeuw, waarin zij leeft, een hartig woordje meespreekt.
Samenvatting.
1. De moderne theologie gaat uit van een onbijbels openbaringsbegrip. Er aan ten grondslag ligt de overtuiging, dat het oneindig onderscheid tussen God als de gans Andere en ons, nietige schepselen niet kan worden overbrugd, ook niet door de openbaring.
Gods Woord is oneindig verheven. Al wat wij daarvan in formule zouden willen vastleggen zal juist in tegenspraak zijn met Gods Woord. Daarom blijven we tasten naar de Waarheid.
Vandaar de „negatieve" waardering van de belijdenis.
2. Hiertegenover staat het getuigenis der H. Schrift aangaande haar duidelijkheid. God heeft Zich in haar geopenbaard. Hij heeft in menselijke woorden goddelijke werkelijkheden beschreven.
Daarom belijdt de kerk deze goddelijke werkelijkheid in Christus tot haar zaligheid en kan zij in haar belijdenis rekenschap afleggen van haar geloof. Daarbij kent zij als haar roeping, haar belijdenis als het haar toevertrouwde pand vast te houden (Hebr. 4 : 14; 1 Tim. 6 : 20).
3. Daarom is de belijdenis niet maar een uiting van het tasten van de kerk naar de Waarheid in een bepaalde tijd; ook niet slechts een eerste commentaar der vaderen, waarnaar de zonen en dochters zedelijk verplicht zijn in ieder geval eerst te luisteren.
Maar in haar belijdenis spreekt de kerk haar geloof in Gods Woord uit en belijdt zij de schatten der genade, die haar in de kennis van haar Drieënige God gegeven zijn en in dat Woord geopenbaard zijn.
4. In haar belijdenis heeft de kerk daarom — in gehoorzaamheid aan de H. Schrift — vastgesteld de leerstukken des geloofs. De belijdenis blijft derhalve aan de H. Schrift ondergeschikt en examinabel.
Maar is de belijdenis door de kerk aanvaard, dan heeft zij gezag, omdat zij — naar de rotsvaste overtuiging der kerk — met de Heilige Schrift overeenstemt en als repetitie der Schrift de leer der Schrift doorgeeft.
5. Vast overtuigd van de vertolking van de leer der Schriften door haar belijdenis, heeft de kerk haar ambtsdragers kerkrechtelijk te binden aan haar belijdenis, haar te handhaven en over de zuiverheid der leer te waken.
Dat heeft niets te maken met legalisme (wettisch drijven); beschuldiging van legalisme wordt gevonden bij hen, die van het geloof der belijdenis min of meer vervreemd zijn.
6. In de reformatie heeft God Zijn kerk bijzonder bezocht en in een diep-geestelijke worsteling om de Waarheid haar in nog steeds onovertroffen rijkdom en diepte Zijn Woord doen verstaan. Onder machtige bediening van de Heilige Geest heeft de kerk haar belijdenis mogen verwerven, puttend uit de H. Schrift alleen, en die met haar bloed bezegeld.
Deze belijdenis heeft de kerk als haar van God geschonken kostbaar en duurzaam bezit te erkennen. Zij heeft er naar te staan bij haar te volharden en uit haar te leven. In een geestelijk arme tijd als de onze verbeelde de kerk zich niet Gods Woord rijker, voller en dieper te verstaan dan in de belijdenis tot uitdrukking is gebracht. Daarom moet geen vervanging van de oude belijdenis worden gezocht, maar dezelfde kracht des Geestes, waarmee onze vaderen haar beleden hebben, moge ook ons haar doen belijden. Hierbij gaat het niet om de letter, maar om de inhoud, de geloofsstukken, die boventijdelijk, wijl Schriftgebonden zijn en daarom ook voor het heden hoogst actueel.
7. Daarom blijft nodig wederkeer van onze kerk tot de belijdenis, welke niet maar is de belijdenis der vaderen, maar haar belijdenis. Dan eerst is zij in staat om in deze eeuw waarlijk te getuigen.
Zo is de kerk statisch en dynamisch beide. Het vinden van een tegenstelling tussen „statisch" en „dynamisch" is onbijbels. De kerk is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten, waarvan , Christus de uiterste hoeksteen is. Dat is het statische. En zij wordt geroepen om als pilaar en vastheid der waarheid te staan in het volksleven en in de kracht des Geestes haar belijdenis te actualiseren in haar getuigenis van de Waarheid Gods. Zo alleen is zij bij machte antwoord te geven op de vragen, die de wereld en de tijd, waarin zij leeft, haar stellen. Dat is het dynamische. Hierbij moet ook nog gezegd, dat de kerk juist ook belijdt door haar belijdenis te bewaren en te handhaven.
8. Dat zo de belijdenis der reformatie, die God aan onze kerk geschonken heeft, geestelijk moge functioneren in de gemeenten en de vergaderingen der kerk zij ons streven en bidden. Maar we mogen niet eer tevreden zijn voordat de belijdenis ook kerkrechtelijk functioneert als leernorm. Want Christus' kerk kan zonder Diens koninklijke regel niet bloeien. Wel moeten we altijd begrip hebben voor de grote voorzichtigheid, die m.i. moet worden betracht, gezien het verval der kerk.
9. Indien wij onze belijdenis begeren te belijden, zo zij het ons een ere om de waarachtige gereformeerde kerkelijke discipline aan de kerk voor te leven.
Daartoe is nodig gedurige oefening van geloof en gebed in blijvend verkeer met de belijdenis, willen wij, terwijl wij terug roepen tot de belijdenis, zelf niet verwerpelijk worden bevonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's