De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

10 minuten leestijd

Trouw over Groens adagium — Het besluit van de Synode van Assen — Het schild over de tolerantie van de Gen. Synode

Isolement, zowel het woord als zijn inhoud, heeft in deze tijd geen al te beste pers. Dat kan eigenlijk niemand verwonderen, die enigszins op de hoogte is van zijn tijd. Van alle kanten openbaart zich een streven naar gemeenschap, communicatie, samenbinding of hoe men het streven, dat in deze dagen gaande is, wil noemen. De drang naar een verenigd Europa is er op politiek gebied een symptoom van. Economisch is het te speuren in de E.E.G., de Benelux en welke verschijnselen er meer in dezen zouden zijn aan te wijzen. Sociaal tekent het zich af in vakverenigingen, internationaal en nationaal. In ons staatkundig samenleven kunnen we het onderkennen in het streven naar samenbinding of éénwording van de A.R.P. en C.H.U., en in het linkse kamp in de P.v.d.A. met haar „doorbraak”-inzet. Het kerkelijk terrein levert er ook zijn bijdrage aan, in het eenheidsstreven, dat in onze kerk zich doet gelden. En dan is er onlangs, om dit als laatste te noemen, „een werkgroep van hervormde en gereformeerde predikanten” gevormd, die unaniem uitsprak, dat „de gescheidenheid van de hervormde en gereformeerde kerken niet langer mag voortduren”. („Trouw”, d.d. 29-4-’61).

Wie dit alles op zich laat inwerken, kan verstaan, dat isolement — Van Dale verklaart het als „afzondering, het afgezonderd zijn, het alleen staan” — vandaag aan de dag de geesten weinig kan bekoren. Gezien het voorgaande kan ieder van mijn lezers verstaan, dat een artikel in „Trouw” van 25 mei jl., dat het opschrift draagt „Isolement” mijn bijzondere aandacht trok. De redactie vond het van belang om de serie, handelend over „de christelijke organisaties” even te onderbreken om zich op dit onderwerp te bezinnen. De slotsom waartoe de schrijver na een historische toelichting en oriëntatie in de tegenwoordige situatie kwam, is deze. Groen gebruikte het woord — men denke aan zijn zinspreuk „in mijn isolement ligt mijn kracht” in principiële zin. Hij bedoelde er meel zich terugtrekken op het beginsel om zich daarop in verdieping te bezinnen. Maar in de tegenwoordige tijd heeft het woord een meer sociologisch aspect, en krijgt in het gangbare spraakgebruik die betekenis van „sociologische afgescheidenheid”. En zo gezien, kan een isolement minder bevorderlijk zijn voor „apostolaat, zending en solidariteit”.

Op de op 26 april jl. gehouden jaarvergadering van onze G.B. heeft de voorzitter, prof. Severijn, ook het woon „isolement” gebezigd in een bepaal verband. Hij zei o.m.: „Met een dode orthodoxie in het isolement is de dooi in de pot, terwijl een levende orthodoxie op Gods tijd en door Gods kracht uit het isolement uitbreken moet”.

In het „Hervormd Weekblad” van 18 mei jl. heeft H. G. G. hierin aanleiding gevonden tot een artikel met het opschrift: „Een nieuwe Koers?” Ik ga op dit artikel nu niet in, omdat het in di verband niet ter zake is. De vraag van H. G. G. zal wel een antwoord krijgen in de publicatie van de commissie, die naar prof. Severijn mededeelde, bezig is met een en ander nader uit te werken. Overigens spreekt uit de hele rede wel dat onze voorzitter het woord gebezigd heeft in de thans gangbare betekenis die van „sociologische afgescheidenheid”.

Wat overigens het artikel van „Trouw" aangaat, het heeft mij goed gedaan daar! in te lezen: „Hij (Groen) predikte verzameling van alle christelijk gelijkgezinden, teneinde van daaruit het apostolaat op schoolgebied en in de politiek weer effectief te maken”. Inderdaad, voor Groen was isolement aaneensluiting van alle door het christelijk beginsel gegrepenen, om, zich bezinnend op en leven uit de diepe krachten van het Evangelie in de dynamiek des Heiligen Geeste over heel de linie op het volksleven in te werken om het voor Christus te winnen. Zo gezien heft Groen’s zinspreuk een ideaal op voor de belijders van alle tijden. Er komt in tot uiting van het woord, als zegen over Israël gesproken „Zie, dit volk zal alleen wonen en het zal met de heidenen niet gerekend worden”. (Num. 23 : 9). Dat Israël het in zijn farizeese verstening, in „dode orthodoxie” niet heeft verstaan, zij ons een waarschuwing en stimulans om het in Schrift- en Geestesgebondenheid als een zegen voor kerk en volk te verwerkelijken.

In de week vóór Pinksteren heeft del Synode der „vrijgemaakte” geref. kerken, te Assen vergaderd, het besluit genomen niet in te gaan op de voorstellen van del Synode der gereformeerde kerken (synodaal) zoals die door haar te Utrecht in 1959 zijn aangenomen. Zelfs is de Asser synode niet ingegaan op de voorslag der Utrechtse, om haar daarvoor benoemde deputaten te ontvangen, teneinde de „Utrechtse” voorstellen nader toe te lichten. Dit besluit is genomen met op twee na algemene stemmen. Onder de tegenstemmers was één ouderling en de predikant van Amsterdam, C. J. P. van der Stoel. Dat deze tegenstemde was te verwachten. In Amsterdam toch zijn besprekingen geweest tussen de „vrijgemaakten” en de „synodalen”, om deze benamingen gemakshalve hier te gebruiken. Dat plaatselijk contact heeft tot resultaten geleid, waarin de Synode der gereformeerde kerken (synodaal), op 2 mei samengekomen te Apeldoorn — zij is na 2 dagen verdaagd tot 29 augustus e.k. - „gemoeid is”. Zo las ik het in een artikel van prof. Herman Ridderbos in „Geref. Weekblad” (uitgave J. H. Kok) d.d. 12-5-’61, aan de eerste synodezittingen gewijd.

In dat artikel roerde prof. Ridderbos ook de vraag aan, wat te Assen zou worden besloten. Erg hoopvol was hij niet gestemd betreffende de ontvangst van de Utrechtse voorstellen. Hij schreef, dat „hetgeen van de Synode van Assen vernomen is, nog geen grond geeft voor onverdeeld optimisme”. Hij voegt er aan toe, dat „deze indruk is versterkt door het bericht in de dagbladen, dat de hoogleraren Jager en Veenhof zich niet hebben laten vinden voor een uitnodiging van hun Synode om deel te nemen aan de beraadslagingen over een gedragslijn, die men t.a.v. de Utrechtse voorstellen moet volgen. Deze teleurstelling beklemt hem (R.) temeer, daar „het speciaal prof. Veenhof was, wiens brochure „Laatste Appèl”, die op de Synode van Utrecht werd uitgedeeld, en die steeds met grote kracht gepleit heeft voor het wegnemen der confessionele verhinderingen”. Het is te begrijpen, dat prof. Ridderbos het betreurd heeft, dat de hoogleraren Veenhof en Jager verstek lieten gaan. Of de besluiten anders zó zouden zijn uitgevallen, is moeilijk te zeggen. Misschien niet in de vorm, waarin zij nu zijn vastgelegd. Het zou ook mogelijk geweest zijn, dat genoemde hoogleraren, wel ter Synode aanwezig, zoveel invloed hadden kunnen uitoefenen, dat althans de Utrechtse deputaten waren toegelaten tot de betreffende zittingen om het gevoélen hunner Synode toe te lichten. Ds. v. d. Stoel heeft met klem er op aangedrongen dat zulks ten minste zou geschieden. Hij vermocht niet de Synode daartoe te bewegen.

Ik vind dit heel jammer. Zonder te willen beweren, dat de Synode van Utrecht in 1959, toen ze besloot tot de intrekking der„vervangingsformule”, dit erg royaal heeft gedaan, zodat men aan de overzij de indruk moest krijgen, dat alles gedragen werd door een brandend verlangen naar eenheid, er was toch een uitgestoken hand en daarmede een begeerte tot gesprek. Dat had men kunnen waarderen, tevens bedenkend, dat „de weg terug”, die voor ieder een harde weg is, en niet het minst voor een Synode van gereformeerde kerken, daaruit toch voort kon komen. Nu heeft men de schijn op zich geladen van „onverzoenlijk”, gelijk prof. Ridderbos boven het artikel plaatste, waarin hij het Asser besluit kort bespreekt.

Er zijn te Assen ter Synode krasse uitspraken gedaan. Zo is, om deze ene te noemen, door ds. v. d. Bom van Helpman in verband met de verklaring der Synode van 1944, — waar de schorsingsbesluiten zijn genomen — dat „men opkwam voor het Woord des Heeren”, gezegd: „Sindsdien is duidelijk gebleken, dat men, hoewel zeggende het Woord hef te hebben, daarnaar niet heeft gehandeld. Er zijn contacten gelegd met de hervormde kerk en de oecumene, ja het was één grote knoeipartij met het Woord des Heeren”. Aldus staat het in het verslag van „Trouw”, d.d. 18-5-’61.

Ds. de Wolf uit Enschede, rapporteur, heeft bijzonder de nadruk gelegd op de „vrijmaking” als daad Gods, waarmede hij bedoelde vrijmaking van de dwalingen der hiërarchie. „Van een breuk in de kerk”, zo zei hij, „is geen sprake. De kerk werd door God gered. Alleen zijn er schapen in de verkeerde stal terecht gekomen. Tot hen blijft de oproep tot vrijmaking onverminderd uitgaan”. („Trouw”, d.d. 15-5-’61).

Met de laatste zin heeft hij het oog op synodalen en hervormden en anderen, die onder een synodale hiërarchie verkeren. Dit is consequent doorgevoerd de gedachte, dat de „vrijgemaakten” de ware kerk zijn van Art. 29 N.G.B. Het behoeft dan ook geen betoog, dat naar dit rapport geen contact — kerkelijk gesproken — met de synodalen (en anderen) mogelijk is. Dat is radicaal. Naar die radicaliteit is het besluit gevallen. „Definitief ieder contact verbroken” schreef „Trouw”, d.d. 19 mei jl. boven haar verslag. Zal het nu zijn: Roma locuta, causa finita, d.w.z. de kerk (Rome) heeft gesproken, de zaak is af? Dat vermoed ik niet. Ook de „vrijgemaakte” kerken zijn geen eenheid, al doet men het zo wel voorkomen.

Heel de zaak blijft een trieste geschiedenis door, naar ik meen, wederzijdse schuld en misverstanden. Dat ik het bovenstaande er aan wijdde, vindt zijn oorzaak, dat het hierin gaat om een twist tussen hen, die naar Groen’s visie behoren tot de „gereformeerde gezindte” en dus van de familie zijn. Is het besluit der Asser Synode een vlucht of volharden in isolement, in Groen’s lijn, of naar de huidige opvattingen? Ik beslis niet, want het woord „sectarisme” wil hierbij niet uit mijn gedachten. Of is het juister te spreken van sectarische aberratie?

Tenslotte vraag ik nog de aandacht voor een uitlating van dr. Taal in het r.k. apologetisch tijdschrift „Het Schild", Hij bespreekt daarin de procedure — prof. Smits en constateert, dat de Generale Synode „zich tegenover de uiterste Vrijzinnigheid plaatst op het standpunt der uiterste tolerantie", en constateert dan, dat „de Ordinantiën weer de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift overwoekeren". Maar dan gaat hij verder en spreekt de wens uit, dat de Generale Synode „eenzelfde verdraagzaamheid zal beoefenen tegenover katholiserende predikanten, die vandaag of morgen wel in de Hervormde Kerk zullen opstaan en die het goed recht zullen bepleiten van bepaalde waarheden als b.v. het offerkarakter van het Avondmaal of van kerkelijke praktijken, als b.v. Biecht en Maria-verering, maar overigens met de Synode Jezus Christus als Gods Zoon belijden".

Dr. Taal is van huis uit hervormd, kerkte indertijd veel bij wijlen dr. Posthumus Meyes toen die nog predikant was in Heinenoord. Onder diens leiding kwam hij ook tot belijdenis des geloofs. Bij het overlijden van die gezalfde predikant, wijdde hij aan diens nagedachtenis in „Het Schild" een bewogen In Memoriam, waarin hij ook verhaalde, hoezeer het hem om deze eminente leraar smartte, dat hij de reformatorische wegen moest verlaten. Ik heb daarvan genoten, omdat het sporen vertoonde door Meyes prediking in zijn leven getrokken.

Daarom temeer heeft bovenstaand citaat mij onaangenaam getroffen. Niet om wat hij schreef over de tolerantie van onze Synode. Zijn woorden daarover zijn helaas waar. Wel hierom, dat hij op grond daarvan pleit voor tolerantie jegens „katholiserende predikanten" in de Hervormde Kerk. Hij weet natuurlijk, dat ze er zijn. Wellicht kent hij ze. Maar om op een wijze als hij deed, hun erkenning te bepleiten, openbaart m.i. een ijver, die niet fair is. Van een renegaat kan men ijver voor zijn kerk verwachten, maar hij mag niet een weg vragen als bovenstaande aanhaling suggereert. Dat is tweeslachtig. Prof. Ridderbos, aan wiens artikel „Rooms oordeel" („Geref. Weekblad", uitgave J. H. Kok, d.d. 28-4-'61) ik het citaat ontleende, plaatste er, zeer fijntjes, als onderschrift onder: „Of het nu voor de Roomse Kerk wel zo aangewezen en eervol is door déze poort toegang te vragen, waag ik te betwijfelen". Daarmede zal ieder onzer, dacht ik, kunnen instemmen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's