UIT DE PERS
Reeds één en ander maal hebben we er in deze rubriek op gewezen, dat bij het algemene streven in onze dagen naar de eenheid en samenbundeling, de Roomse Kerk niet achter blijft. Ook daar hoort men geluiden van eenheid, verdraagzaamheid, verlangen naar eenwording enz. Dit alles lezende en horende, heeft men zelfs al in protestantse kringen gesproken van een verblijdende werking van de H. Geest, die ook in de roomse kerk zichtbaar werd. Het is daarom wel eens goed om te luisteren naar iemand, die op deze punten ter zake kundig geacht mag worden, ook al omdat hij in een overwegend roomse omgeving vertoeft. In het Gereformeerd Weekblad (Kok) wijdt J. A. C. Rullmann uit Buenos Aires een tweetal artikelen aan deze materie (12 en 19 mei). Het opschrift boven z'n artikelen luidt: These en hypothese. Met dit opschrift wil de schrijver de tweeslachtige en opportune houding van Rome aanduiden. Waar Rome het voor het zeggen heeft en dus voor hen de ideale toestand heerst, geldt nog altijd de these, dat daar geen godsdienstvrijheid is. Elke andersdenkende is een ketter, elke afwijkende mening een dwaling, waar nooit een legitiem karakter aan kan worden toegekend.
Waar Rome echter in de minderheid is of geen macht meer kan uitoefenen, daar geldt de hypothese. In een dergelijke situatie wordt voorlopig de vrijheid van dwaling als het geringere euvel erkend. Ook nu nog zegt Rome openlijk: Wanneer wij Katholieken in de minderheid zijn verlangen wij vrijheid in naam van uw beginselen; zijn wij in de meerderheid dan weigeren wij die op grond van de onze. Rullmann gaat nu verder in op een geschrift van dr. Carillo de Albomoz: Rooms-Katholicisme en Godsdienstvrijheid, een uitgave van de Wereldraad van Kerken, waarin aandacht gevraagd wordt voor een steeds groeiende stroming in de roomse kerk ten gunste van godsdienstvrijheid en een zuivering van de oecumenische sfeer. Er volgen dan een hele serie uitspraken die zouden doen vermoeden, dat er toch bij Rome wel het één en ander aan het veranderen is. Er wordt betoogd, dat godsdienstvrijheid volledig te rijmen is met de leer van de kerk; dat zij rust in de waardigheid van de mens als beelddrager Gods; dat het karakter van het christelijk geloof vrijheid tot basis heeft; dat het niet om de erkenning van de dwaling gaat maar om de eerbiediging van de rechten van de mens enz. Maar ook al zouden nog veel meer optimistische verwachtingen in vervulling gaan, dan nog acht de schrijver dat men niets verder is gekomen. Hij wil deze roomse sprekers niet beschuldigen van huichelarij en is dan heel wat gematigder dan verschillende roomsen zelf. Immers in het tweede artikel citeert hij een R.K. scribent uit Spanje, die in 1952 schreef:
Men kan vragen, in hoeverre is deze verzoenende houding (inzake godsdienstvrijheid) werkelijk oprecht? In hoeverre verbergt deze politiek een verschrikkelijke huichelarij, een zuiver strategische terugtocht, een opportunistische camouflage van de werkelijke Katholieke these? De reden van deze vragen is dat de Katholieke Kerk niet overal dezelfde taal spreekt. In het gezicht van deze feiten concluderen sommigen: de Katholieke Kerk wenst geen godsdienstvrijheid; zij is verdraagzaam tegen haar wil. Ze buigt in afwachting van de gelegenheid haar traditionele gewoonten, haar gebruikelijke Intolerantie, te hernemen. Wij moeten erkennen dat er enige waarheid is in deze beweringen. Zij zijn zeer verwarrend voor ons, Katholieken.
Dat zegt dus een roomse zelf er van. Ds. R. komt dan tenslotte tot de volgende conclusie:
De vraag waarom het nu gaat is deze: Is er bij deze nieuwe bezinning op het probleem der godsdienstvrijheid oecumenische toenadering te bespeuren?
Op deze vraag moet, naar mij toeschijnt, ontkennend worden geantwoord. Zelfs de ene zwaluw, die nog geen lente maken zou, heb ik nog niet gehoord.
Wanneer wij al de citaten nagaan, die dr. Carillo de Albornoz aanvoert voor zijn bewering, dat Rome en wij bezig zijn de kloof te overbruggen, dan worden wij slag op slag getroffen door de gedachte, dat Rome met Rome in gesprek is en met zichzelf zoekt klaar te komen en dat wij daar nergens een rol in spelen, ook al worden wij soms genoemd. Concessie, toenadering en begrip moet van één kant komen, namelijk de onze. Rome blijft zichzelf bij alles wat verandert en ondanks de wijzigende posities. Luisteren kunnen wij, meespreken niet. Als Rome dan schone dingen zegt over de vrijheid van godsdienst, de tolerantie, de verantwoordelijkheid tegenover God, en zoveel meer, dan zal alleen Rome zeggen wat het daarmee bedoelt. Dat is bijna overal wat anders dan wat wij bedoelen. Wie dat vergeet, kan zich verbeelden, dat hij vele zwaluwen hoort en de lente in aantocht is, maar hij maakt zich blij met een dode mus.
Nadat Rullmann dit met diverse voorbeelden geïllustreerd heeft wijst hij er vervolgens op, dat hij er geen behoefte aan heeft hier de beschuldiging van onwaarachtigheid, opportunisme en onbetrouwbaarheid te laten vallen; dat gaat langs de werkelijkheid heen; het probleem ligt veel dieper en ergens anders:
Wat gezegd wordt tegenwoordig door Rooms Katholieke woordvoerders over godsdienstvrijheid is heel belangrijk. Wat niet gezegd wordt, nog veel belangrijker. De Paus is machtig, wanneer hij „ex cathedra" spreekt; maar machtiger nog als hij „ex cathedra" zwijgt. In alle verwarde discussies en boeiende betogen, waarin Rome zich handhaaft in de wereld van vandaag, zwijgt de Paus. En als hij spreken zou, dan zou dat woord toch weer een mengsel zijn van een eeuwig beginsel en van concrete feiten van de huidige situatie. Dat is ons nadrukkelijk bij voorbaat verzekerd. Daarom is er niets veranderd, zolang dat „eeuwig beginsel" onaantastbaar staat. Tot dat fundamentele probleem is de redenering van dr. C. de Albornoz nergens doorgestoten. Daarin heeft hij m.i. Rome miskend en het probleem onderschat.
Rullmann eindigt dan met ons een ontmoeting uit zijn leven te vertellen, waarin deze zaak van these en hypothese duidelijk naar voren komt:
In jeugdige overmoed heb ik mij eens tegenover een oude pater Jezuïet, met wie ik gedurende een bootreis dagelijks interessante gesprekken voerde, aan een openlijke aanval gewaagd. Zo scherp mij mogelijk was, heb ik Rome onwaarachtigheid en opportunisme en een spreken met twee stemmen verweten; ik voelde mij sterk op goede gronden met veel argumenten. Deze pater deed mij de eer niet aan boos of ook maar verontwaardigd te worden, maar hij barstte in een hartelijke, joviale lach uit en zei: Jonge man, wat is u een pracht-Protestant; helemaal volgens het boekje. U kunt dit niet anders zien, maar u begrijpt van Rome nog niets. U kunt alleen maar spreken en oordelen naar wat u als Protestant normatief acht, d.i. de Waarheidsvraag. Maar u moet alles wat u zo ergert nu ook eens bezien vanuit de gezichtshoek der liefde, der wijsheid, van het pedagogisch inzicht en de pastorale bewogenheid der Moederkerk. Als uw vrouw straks haar eersteling moet leren praten, dan zal zij het brabbeltaaltje spreken dat dit kind verstaat. Zo spreekt de Kerk haar brabbeltaal met ieder van haar leden op elk moment van de geschiedenis; opdat zij leren spreken. Dat heeft met de waarheid niets te maken; alles met liefde, de wijsheid en de pedagogiek.
We zullen er goed aan doen deze dingen scherp in onze gedachten te houden bij het lezen van allerlei publikaties van Roomse zijde. Zo b.v. bij de twee publikaties van dr. W. H. v. d. Pol. In 1960 schreef hij: Het Getuigenis van de Reformatie. Hierin ziet hij de Reformatie als een voorbijgaand historisch verschijnsel, terwijl de roomse kerk een blijvende bovennatuurlijke werkelijkheid is. In 1961 schreef hij: De Oecumene. Daarin gaat V. d. Pol, volgens het artikel van dr. C. A. de Ridder in „Woord en Dienst" van 27 mei, nog verder in toegeeflijkheid. Hij erkent daarin, dat ook het r.k. kerkgenootschap in vele opzichten evengoed een voorbijgaand historisch verschijnsel is. En dan gaat dr. De Ridder verder:
Dit klinkt voor een r.k. theoloog zeer radicaal, is echter minder radicaal dan een protestantse lezer op het eerste gezicht zou denken. Immers, de toekomstige oecumene ziet v. d. Pol toch als een voortzetting van het huidige r.k. kerkgenoot schap, zij het nadat dit alles heeft opgenomen in haar verkondiging en praktijk, wat de reformatie terecht van uit Gods Woord heeft getuigd. Naar onze mening is dit geen mogelijke oplossing, daar het onmogelijk is, dat de Rooms Katholieke Kerk tegelijk het getuigenis der reformatie opneemt bij haar verkondiging en praktijk èn haar dogma's — onfeilbaarheid van de paus, onbevlekte ontvangenis van Maria, enz. — vasthoudt.
Na de leerzame opmerkingen van Rullmann en na deze uiteenzetting van De Ridder, is het onbegrijpelijk dat De Ridder toch in zijn artikel nog zo hartstochtelijk verlangt naar- en hoopt op een toetreden van de r.k. kerk tot de Wereldraad.
In dit verband willen we ook nog wijzen op een artikel van prof. Berkhof in „In de Waagschaal" van 27 mei. Hij uit zijn bedenkingen tegen een artikel van dr. R. Boon van 15 april in hetzelfde blad, waarin dr. Boon (in verband met de zaak Smits) bepleit een terugkeren tot het credo, omdat we hier een geloofsgetuigenis hebben van de éne ongedeelde kerk, terwijl allerlei andere belijdende uitspraken alleen maar gezag hebben bij de eigen leden van die deelkerken die de uitspraken deden. Alleen waar de éne ongedeelde kerk spreekt, daar spreekt de H. Geest. Door de leertucht mogen dus alleen diegenen getroffen worden, die in botsing komt met dit oecumenischgemeenschappelijk credo, niet degenen die een leerstuk uit de latere gedeelde kerk weerspreekt. Hiermee zijn we dan al een mooi eind op de terugweg naar de roomse kerk, temeer omdat volgens dr. Boon het modem onderzoek heeft bewezen, dat zelfs de interpretatie in de oude kerk van sacrament en ambt (kennelijk tot en met de apostolische successie) juist is. Na eerst allerlei dingen op heldere wijze rechtgezet te hebben gaat prof. Berkhof dan verder:
En nu vrees ik, dat dr. B. met die geschiedenis geen raad weet, omdat hij meent dat de Heilige Geest daar kerkelijk gesproken op non-actief staat. Daartegenover stel ik: de Heilige Geest werkt daar, waar de kerk op haar pelgrimsreis te midden der verzoekingen van verwereldlijking en verwettelijking telkens weer luistert naar het gezaghebbende woord van profeten en apostelen, om vervolgens de Waarheid te zeggen zoals ze in die situatie moet worden gezegd. De Heilige Geest zorgt er voor, dat dat telkens weer geschiedt. Het is daarbij niet van te voren te zeggen, welke kerk dat zal doen of het zuiverst zal doen. Eersten kunnen daarbij laatsten worden en omgekeerd. Een klein of groot, wereldwijd of geografisch begrensd speelt daarbij geen principiële rol. Maar de kerk die de waarheid belijdend uitspreekt, weet daarmee iets katholieks en oecumenisch te doen. Zij zegt de waarheid plaatsvervangend voor alle en appellerend aan alle. Zij zegt, wat van nu af overal, steeds en door allen moet worden geloofd. Als ze niet optreedt met die pretentie, is ze geworden tot wat dr. B. haar maakt: een denominatie, een afdeling, ja in de grond een secte.
Als ze zich wel bewust is oecumenisch te spreken, doet het quantitatieve feit dat zoveel procent van de christenheid buiten haar jurisdictie valt, aan haar katholieke recht niets af. Het is dan veeleer erg voor die andere kerken, dat ze doof blijven voor dit appèl.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's