De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

10 minuten leestijd

27

1 Thess. 4 : lS-18

Een lezer van ons blad vroeg om een nadere verklaring van bovengenoemd Schriftgedeelte en van Openbaring 20. In deze gedeelten gaat het over de toekomst des Heer en. Graag wil ik op het verzoek van deze lezer ingaan. Niemand toch zal ontkennen, dat deze toekomst des Heeren ons geen belang heeft in te boezemen. Bovendien komen in 1 Thessalonicenzen 4 vragen aan de orde aangaande datgene, wat dan geschieden zal met hen, die reeds gestorven zijn, en met hen, die dan nog zullen leven. Wie was nooit eens met deze vragen bezig? Terwijl Openbaring 20 ons stelt voor de vragen omtrent het Duizendjarig Rijk!

Het heeft stellig zin, weer eens op deze dingen in te gaan. En wij vergeten daarbij niet, in welke tijd wij thans leven. Een tijd, voor ons in het Westen, van grote welvaart, doch ook van span­ningen. Hoe zullen de verhoudingen tussen het Westen en het Oosten zich ontwikkelen? Verder is daar de spectatulaire vlucht van de techniek, de ruimtevaart en de dreiging van een atoomoorlog. Wie vraagt zich niet telkens weer af, welke toekomst wij tegen gaan?

Gods gemeente weet, dat dat uiteindelijk de toekomst des Heeren is.

Daarom is het goed, ons met die toekomst bezig te houden. Terwijl wij, vooral in deze, onze gedachten gevangen willen geven aan de Schrift en willen houden binnen de grenzen van de Schrift.

Zo willen wij ons eerst enige malen verdiepen in wat Paulus schrijft in 1 Thess. 4 : 13-18.

Tot goed begrip van dit gedeelte eerst iets over de aanleiding tot en de inhoud van deze brief van Paulus in 't algemeen.

In de dagen van de apostel was Thessalanica, thans Saloniki, de hoofdstad van de Romeinse provincie Macedonië. Het was een bloeiende handelsplaats, gelegen aan de zee en aan een grote Romeinse heirweg. Er woonden vele Grieken, Macedoniërs, Romeinen en Joden. Op zijn tweede zendingsreis bracht Paulus er, vergezeld van Silas en Timotheüs, en gekomen uit Filippi, het evangelie. Dit bleef niet ongezegend, er ontstond een gemeente, vooral bestaande uit heidenchristenen. Na een kort verblijf aldaar, verliet de apostel Thessalonica weer, en arbeidde hij in Athene en in Corinthe.

't Is uit déze plaats, dat Paulus zijn eerste brief aan Thessalonica schreef. Blijkbaar maakte hij zich bijzondere zorg over de toestanden in die jonge gemeente, die hij zelf maar zo kort van nabij ontmoet had. Hij zond Timotheüs er heen, die terug keerde met verschillende inlichtingen. Naar aanleiding daarvan schreef Paulus zijn brief. En de inhoud van die brief wordt daar nader door bepaald.

De berichten, welke Timotheüs meebracht, waren enerzijds gunstig. Dit blijkt uit het begin van Paulus' brief. Immers, daarin dankt hij God, dat hij vernemen mocht, dat het Evangelie niet alleen in woorden, maar ook in kracht was in Thessalonica. De gemeente aldaar had het woord van de apostel aangenomen, niet als een mensenwoord, doch als Gods Woord. Er waren duidelijke bewijzen van bekering van de afgodendienst tot de dienst van de levende God. En Paulus gedenkt in zijn schrijven het werk des geloofs en de arbeid der liefde, in de gemeente gevonden. Hij zegt, dat de gelovigen in Thessalonica een voorbeeld zijn voor al de gelovigen in Macedonië en Achaje.

Echter, anderzijds waren er blijkbaar minder gunstige berichten. Ook hier zien wij weer, dat ook toen in de jonge gemeenten lang niet alles zo ideaal was! Vele tekortkomingen waren er ook toen reeds in het gemeentelijk en geestelijk leven. De gelovigen in Thessalonica waren nog maar pas uit het heidendom getrokken. Was het wonder dat allerlei zonden nog doorwerkten? Maar daarom moest de gemeente met nadruk daarover vermaand!

En daarbij had deze gemeente het ook niet gemakkelijk. Zij had te lijden aan vervolging van vijandige zijde. Het waren onbekeerde Joden én heidenen, die haar verdacht maakten en haar het leven bemoeilijkten. En nu was haar het Koninkrijk gepredikt en in het vooruitzicht gesteld. Deze verdrukking wist zij in dat geheel moeilijk te plaatsen. Bovendien maakte dit alles de gemeente vatbaar voor een andere verdachtmaking, nl. omtrent de apostel zelf en diens helpers. Paulus zou in zijn werk niet onbaatzuchtig zijn geweest en hij zou op één lijn te stellen zijn met andere rondtrekkende predikers van allerlei wijsheid, die leefden op de zak van de goe-gemeente.

't Is duidelijk uit de inhoud van zijn brief, dat Paulus bewust tegen dit alles in schrijft. Daarom draagt ze óók een apologetisch karakter. Hij verdedigt daarin zijn optreden. En verder waarschuwt hij tegen het aan de hand houden van allerlei zonden, terwijl hij er tevens op wijst, dat in het leven van allen, die in het Koninkrijk mogen ingaan, verdrukking en vervolging toch een plaats kunnen innemen.

Bij dit alles was blijkbaar iets van bijzondere betekenis. Wij mogen aannemen, dat de prediking van de apostel, ook in Thessalonica, nog allerlei andere aspecten zal vertoond hebben. De verlorenheid van de mens buiten God zal niet verzwegen zijn, Christus en Diens werk en de vruchten daarvan in de bediening des Geestes zullen het centrum gevormd hebben. De oproep tot bekering en geloof zal geklonken hebben. Doch een sterk accent heeft blijkbaar, bij dit alles, dus gehad: de toekomst des Heeren. Dit vinden wij trouwens meer in zijn prediking en in zijn brieven. En zo was de verwachting van die toekomst een wezenlijk bestanddeel geworden van het geloofsleven in Thessalonica.

Evenals in meerdere gemeenten in de dagen van de apostel, leefde men ook in Thessalonica sterk in het besef, dat met Jezus' komst in het vlees de Messiaanse tijd begonnen was, — de vervulling van de profetieën, die spraken over het laatste der dagen! En deze tijd zou immers afgesloten worden met de tweede komst van Christus! De gelovigen, die ook toen in hun dagen in een periode van bijzondere geestelijke en politieke spanningen leefden, waren bijzonder met déze dingen vervuld.

In de gemeente van Thessalonica lag de zaak blijkbaar zo, dat men die tweede komst van Christus als wel zéér aanstaande verwachtte. En nu waren er in haar midden een aantal leden, wellicht enigszins overgevoelige en licht overspannen geesten, bij wie, zoals wij dat nóg wel aantreffen in bepaalde geestelijke stromingen en secten, deze overspannenheid een verkeerde uitweg zocht. De verwachting van Christus' wederkomst leidde bij hen tot excessen. Men dacht zich die komst zeer nabij, welnu, — dan kon men het dagelijks werk wel neerleggen en zijn gewone roeping verwaarlozen!

Ook tegen déze verkeerde gevolgtrekkingen schrijft de apostel. Met name in zijn tweede brief vinden wij daarvan de bewijzen!

En dan was er nóg iets, dat blijkbaar een belangrijke rol speelde in de gemeente van Thessalonica. Men verwachtte dus, dat de wederkomst des Heeren spoedig zou plaats vinden. Zou men, als de bruid, de Bruidegom bij Zijn komst mogen inhalen? Doch nu gebeurde er iets, waarop men niet zo gerekend had. De dóód trok ook door de gemeente heen. De dood, die niet vraagt naar onze toekomstverwachtingen en een streep haalt door onze mooiste idealen. En zij, van wie men verwacht had dat zij als bruiloftskinderen de Heere tegemoet hadden mogen gaan, moesten in de aarde gelegd. Altijd brengt de dood droefheid, doch vooral in Thessalonica bracht zij die. Zij haalde ook zo'n dikke streep door de hooggestemde toekomstverwachtingen. Men meende en hoopte dat de Heere spoedig zou komen en dat allen Hem levend zouden mogen tegemoet gaan. En nu gebeurde dit! Wij begrijpen de tranen!

Wat daar in Thessalonica dus het meeste pijn deed, was de gedachte aan het lot der gestorvenen. Ook de hoop omtrent henzelf had een geduchte knak gekregen, de verwachting, dat zij zelf het moment van Christus' wederkomst zouden beleven, vervaagde. Doch zij hadden, zolang zij nog leefden, om zo te zeggen, een kans! Maar die gestorvenen? Waar waren die, als Christus weder kwam? Zouden zij die glorieuze ontmoeting missen? En zou datgene, waarop ook zij zich zo gespitst hadden, hen toch nog ontgaan?

Stellig leefden déze gedachten in de gemeente. Wij zeggen misschien: dat behoefde toch niet? Want zal de apostel, wiens prediking allerlei elementen bevatte, ook niet over de toekomst en de opstanding der gestorvenen gesproken hebben? Laten wij dan echter niet vergeten, dat het steeds weer blijkt, dat het een moeilijk ding is het gehele Woord Gods te horen. Hoe reageerde men in Athene, toen de apostel daar sprak over de opstanding? Daarop was van invloed, dat de Griekse denkwereld op dit punt zo gans anders was. De ziel toch dacht men als hét eigenlijke van de mens, het lichaam als het mindere. En de ziel zou blijven voortbestaan, zonder het lichaam, dat geheel ten onder zou gaan. Er zou wel onsterfelijkheid der ziel zijn, doch geen opstanding!

Was het wonder, dat de heidenchristenen in Thessalonica, die in dit geestelijk klimaat hadden geademd, niet alles verstonden en innerlijk verwerkten, wat de apostel hen over de opstanding der doden verkondigd had?

Wij zullen ons in deze niet boven die gemeente verheffen. Verstaan en verwerken wij, die meestal van jongs af bij het Woord Gods zijn grootgebracht, alles daaruit zo goed? Hebben wij, opdat het niet bij wat brokstukken alleen zou blijven, ook niet voortdurend nodig de bijzondere bearbeiding van de Heilige Geest, Die het verstand verlicht en het hart overwint?

Nog eens: wij zullen ons niet boven de gemeente van Thessalonica verheffen. Zeker, zij greep wat mis in het stuk van de christelijke hoop. Maar, wat kwam ook hier toch uit, dat er zulke goede dingen in deze gemeente waren. Deze noemden wij reeds. Hier moeten wij wel getroffen worden door de bijzondere liefde, welke er in Thessalonica heerste!

Die tranen, welke daar gestort werden, hadden iets schoons. Men was dus niet alleen bezorgd over zichzelf en redeneerde niet: „als ik er maar kom en er deel aan heb". Maar men was ook bezorgd over het heil van de ander. De gemeenschap der heiligen werd daar blijkbaar sterk beleefd. En zelfs het graf verstoorde die gemeenschap niet. Vandaar die vraag: wat gebeurt er met die gestorvenen van ons?

Kunnen wij in dit opzicht van deze gemeente nog niet leren? Zeker, zalig worden is een persoonlijke zaak en eist een persoonlijke strijd. Maar God heeft Zich een gemeente in Christus uitverkoren ten eeuwigen leven. En daarom, de gemeenschap der heiligen mag ook voor ons nooit slechts een pro-memoriepost zijn. Hebben wij geen roeping, ook tegenover de anderen én om de opbouw van Gods gemeente naar onze gaven te dienen? Hoe staat het met onze bewogenheid niet alleen om de ere Gods, doch ook om het eeuwig welzijn van de naaste?

Intussen, thans staat ons de toestand van de gemeente in Thessalonica wel enigszins voor de geest. Zij zat met vragen aangaande de toekomst des Heeren en in verband daarmee aangaande het lot der gestorvenen. Hun liefde was groot, hun hoop onzuiver. Daarom wilde de apostel haar ook op dit punt onderwijzen, opdat haar hoop gezuiverd zou worden. En dat doet hij in dit gedeelte van zijn brief. Zo handelt hij hierin over bovengenoemde zaken.

En het is hierbij b.v. wel duidelijk, dat ook voor zijn besef de dingen in Thessalonica anders lagen dan in Corinthe. Daar had de twijfel aangaande de opstanding zelf vat gekregen op de gemeente. Dat was een meer ingrijpende dwaling dan wat bij de Thessalonicenzen leefde, 't Is dan ook wel opmerkelijk, dat b.v. een hoofdstuk als 1 Cor. 15 scherper, bestraffender, is gesteld, dan dit gedeelte in 1 Thess. 4. Dit gedeelte is meer rechtzettend, vertroostend. En zo lezen wij daar: „Broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt gelijk de anderen, die geen hoop hebben".

Doch, een volgend maal hierover nog nader.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT HET NIEUWE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's