DE DOOD
Het verdient opmerking, dat er in de laatste decennia in allerlei boeken, geschriften en zelfs dissertaties nog al aandacht besteed wordt aan het feit van de dood. Twee tamelijk snel op elkaar volgende wereldoorlogen en de nog steeds in de lucht hangende dreiging van een derde hebben verschillende mensen teruggeworpen op de laatste en diepste levensvragen. Ik geloof, dat we dit als een winstpunt mogen beschouwen. Het gaat er echter om tot welke conclusies dit bezig zijn met de vragen over dood en hiernamaals geleid heeft. Want (zoals bij de behandeling van alle onderwerpen) splitsen zich hier de wegen.
In de loop der geschiedenis zijn er velen geweest, die de dood als een heel normaal, natuurlijk iets beschouwd hebben, ook in het leven van de mens. Men ging daarbij van het standpunt uit: alles wat in de natuur leeft, plant, dier en mens, heeft een beperkte levensduur. De individuen verdwijnen, de soort blijft. Zoals met de herfst de bladeren van de bomen vallen, om straks weer plaats te maken voor anderen, zo behoort ook het sterven van de mens tot de kringloop der natuur. Hoewel men dit sterven niet zuiver kon definiëren (evenmin als het leven) poneerde men toch, dat de dood een zuiver natuurlijk verschijnsel was.
Hier zijn we bij het rasechte naturalisme en materialisme. De Franse geleerde Lauvergne heeft eens verkondigd: „La mort de l'homme est une consequence logique et naturelle de son être" (de dood van de mens is een logisch en natuurlijk gevolg van zijn bestaan). Dit naturalistische denken is al héél oud. Verschillende dichters en wijsgeren hebben vele variaties op dit thema gegeven. Sommigen hebben vanuit hun materialistische ideeën dan ook met de dood gespot of hem als een groot, interessant avontuur gezien. Anderen hebben hem als een redder begroet wanneer het leven te zwaar werd. Ik denk hierbij aan meerderen uit de school der Stoïcijnen, die de zelfmoord gepropageerd hebben. Van hieruit is het ook te verklaren, dat vele hooggeplaatste personen in het oude Romeinse rijk zelfmoord gepleegd hebben. Met de dood was immers alles afgedaan? Toen men eens aan Epicurus (een heidense wijsgeer) vroeg of hij niet bang was voor de dood, antwoordde hij: „Néén, want als ik er ben is de dood er niet; en als de dood er is ben ik er niet".
In de vorige eeuw hebben wijsgeren als Feuerbaoh, Strausz en Marx geprobeerd de mens als een zuiver stoffelijk wezen te verklaren vanuit hun historisch materialisme. Feuerbach zei: „Der Mensch ist, was er iszt" (de mens is wat hij éét). Het eten is grondslag en ethiek en beschaving. De Romantiek van de 18e en 19e eeuw ging met haar dweperige sentimentele beschouwingen weer een andere kant uit, maar zag de dood in ieder geval toch niet als een koning der verschrikking. Integendeel, Novalis tekent de dood als een stralende jongeman, die schrijdt over de graven en roept hem toe: „Gij zijt de dood. Gij maakt ons eerst gezond." In dezelfde optimistische sfeer bevindt zich het wijsgerig idealisme, waarin het trotse bewustzijn doorklinkt van de macht, de waarde en de eeuwigheid van het „ik". Hier is met het materialisme wel afgerekend, maar is de bijbelse ernst van de dood toch ook geheel verdwenen. Fechner sprak over de dood als een zielengeleider naar een hoger leven, als adelaarsvlucht naar de zon. Kant en Goethe gebruikten in hun theorieën de dood als een welkom middel voor de mens om zijn zedelijk doel te bereiken. Men ging er van uit, dat het zedelijk doel, waarnaar de mens streeft binnen de grenzen van dit leven onbereikbaar is. En daarin lag het postulaat verborgen, dat er een eeuwig leven moet zijn. Bovendien wordt (volgens Kant) dat eeuwig leven nog vereist door de behoefte aan vergelding, omdat deugd en lot in het aardse leven met elkaar niet harmoniëren.
Het zou ons te ver voeren om op verschillende oosterse religies in te gaan (Hindoeïsme, Brahmanisme, Boeddhisme) om aan te tonen hoe ook hier verschillende oplossingen gegeven zijn om de angst voor de dood weg te nemen. We stippen dit alleen maar even aan. Op één niet-christelijke beschouwing van de dood moet echter nog even aandacht gevestigd worden, namelijk die van het wijsgerig nihilisme. Deze stroming ziet geen enkele binding meer met enige norm (nihil = niets). Wij vinden dit vertolkt in de existentie-philosophie van Martin Heidegger en Sartre. Als het leven geen zin heeft, dan heeft ook de dood geen zin. Daarom moeten wij niet bang voor hem zijn en ons niet met bovennatuurlijke leugens en fantasieën laten bedriegen. Wij moeten heldhaftig de dood in de ogen durven zien en hem „in vrijheid" overnemen. Dat is de enige juiste houding, die wij tegenover hem kunnen aannemen.
Hier treffen wij de mens aan, die zijn gevangen zijn in de kerker der wanhoop camoufleert met zijn heldhaftigheid. Terecht sprak prof. Zuidema van een „nacht zonder dageraad."
Wij hebben ons tot nog toe bezig gehouden met beschouwingen buiten de theologie om. Nu moeten wij niet denken, dat in de theologie eenstemmigheid heerst over het probleem van de dood. Ook hier gaan de gedachten in verschillende richtingen uitéén. Ook hier zijn geleerden, die menen, dat de lichamelijke dood een natuurlijk iets is. Althans men houdt het er voor, dat de dood zonder de zondeval van de mens er óók geweest zou zijn. Zo zegt de bekende theoloog Karl Barth, dat de dood, zoals hij nu is wel samenhangt met onze zonde en schuld, maar dat het sterven op zichzelf nog niet betekent het gericht, maar een natuurlijk gebeuren inhoudt. Naar Gods goede schepping heeft het menselijk leven een grens.^) Die grens was er dus óók geweest zonder de zondeval. Barth spreekt hier van een orde in de schepping. Hiertoe behoorde volgens hem ook het einde van alle creatuur.
In dezelfde trant schrijft dr. P. J. van Leeuwen') als hij duidelijk en onomwonden wil uitspreken, dat de mens, zoals hij door God is geschapen, gewild en bedoeld een sterfelijk wezen is. Wij moeten ontkennen (aldus Van L.), dat het sterven een onnatuurlijk verschijnsel, een breuk in Gods goede schepping zou zijn. , Er is geen sprake van, dat sterfelijkheid het gevolg zou zijn van de zonde. God heeft de mens zó geschapen, dat hij sterven moet. Merkwaardig is dan de wending, die Van Leeuwen ineens neemt. Hij beschouwt de sterfelijkheid 'n machtig middel om de mens in Gods gemeenschap te houden. Zo krijgt de sterfelijkheid zin, omdat het uiteindelijk gaat om de onsterfelijkheid. Ook vóór de zondeval zou de bestemming van het eeuwig leven verwerkelijkt worden door het sterven.
Er is niet veel bewijsvoering voor nodig om aan te tonen, dat wij met deze theorie absoluut in botsing komen met wat de Heilige Schrift hieromtrent leert. Nergens lezen wij, dat de natuurlijke sterfelijkheid (vanuit ons geschapen-zijn) leidt tot een natuurlijke onsterfelijkheid (naar onze bestemming). Wat naar een natuurlijke onsterfelijkheid geleid had, was het gehoorzamen aan de wil van God.
De Bijbel (en met name het N.T.) legt wel terdege verband tussen zonde en sterven. In Romeinen 5 : 12 lezen we, dat door één mens de zonde in de wereld gekomen is en dóór de zonde de dood. Zo ook in Romeinen 6 : 23: De bezoldiging (= uitbetaling) van de zonde is de dood. Verder spreekt de apostel hierover duidelijke taal in 1 Kor. 15 : 21: „Want, dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een mens". En in vers 56 van datzelfde hoofdstuk noemt hij de zonde de prikkel van de dood. Ook Jacobus getuigt daarvan: „De begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde en de zonde voleindigd zijnde baart de dood (1 : 15).
Als de dood een natuurlijk iets was, zou hij in de Bijbel niet een vijand genoemd zijn en zouden wij niet „met vreze des doods, door al ons leven, der dienstbaarheid onderworpen zijn" (Hebreeën 2 : 15). Waar we de H. Schrift ook opslaan, overal ontmoeten wij angst en afschuw voor de dood. Ook in het O.T. wordt met schrik aan het sterven gedacht. Koning Hiskia kwijnt weg als hij van Jesaja de tijding van zijn sterven ontvangt. In de Psalmen vinden wij vele worstelingen om aan de greep van de dood te ontkomen. Nergens wordt daar de dood als iets natuurlijks gezien. Dat kan ook niet, omdat overal duidelijk verband gezien wordt tussen de zonde en de dood als straf. Daar begint het boek Genesis mee: Ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij de dood sterven. (2 : 17). Volgens hoofdstuk 3 : 3 hield het niet eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads het niet sterven in.
Ik geloof niet, dat wij (zoals sommigen doen) dit alleen maar geestelijk verklaren moeten, maar dat wij (met Calvijn) de Schrift de Schrift moeten laten.
1) Zie G. C. Berkouwer, „De triomf der genade in de theologie van Karl Barth" (1954), Mz. 153.
2) „Het Christelijk onsterfelijkheidsgeloof (1956).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's