KRONIEK
Wisselvallig klimaat — Uit de jaarvergadering van de vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs — Naar aanleiding van het „Pinksterfeest" te Jeruzalem — Reacties op Assen.
Gure en koude dagen waren er vele in de maand mei, en juni bracht tot nu toe ook niet het weer, dat men in die maand verwacht. Een dergelijke weersgesteldheid is geen uitzondering in ons goede land. De Genestet zong al van mei:
„Maar onze noorse mei helaas, is arm aan zonneschijn. Zij kan zo guur, zij kan zo koud. Zij kan november zijn . . ."
Ja, wij hebben nu eenmaal een wisselend klimaat.
Is het in de politiek beter? Leven wij in de wereld van vandaag in milder klimaat? Helaas neen! Nog altijd heerst de „koude oorlog".
Het topgesprek in Weenen tussen Kennedy en Chroesjtsjow heeft niet de mildere sfeer gebracht, waarop gehoopt werd. Zelfs geen vleug van ontspanning. De situatie is integendeel meer gespannen geworden. Kennedy was in zijn t.v.-rede voor het forum van het Amerikaanse volk „somber, maar vastberaden". Zo luidden de verslagen. Hij heeft daarna vier dagen rust moeten nemen, wegens een euvel aan een rugspier. Men zegt, dat dit een gevolg is van het plaatsen van een boompje, tijdens zijn bezoek aan Canada. Maar de New-York Times — vaak blijk gevend van goed ingelicht te zijn — wist te vertellen, dat de ontsteking een gevolg was van spanningen door het onderhoud met de Russische premier. Deze zou zo fors uit de hoek zijn gekomen, dat Kennedy achterover was geschoten. We laten dit maar voor wat het is. Een andere commentator wist, dat de Berlijnse kwestie en wat er mee samenhangt — de druk van China op Chroesjtsjow niet het minst — de Russische machthebber kwelde, als had hij een visgraat in de keel. Hij typeerde de beide topfiguren als „twee gekwelde mannen".
Betekent dit, dat de derde wereldoorlog nabij is? De dreiging is er permanent. Het algemeen gevoelen van de ingewijden in de diplomatie is, dat Rusland een wereldoorlog ten koste van alles zal vermijden. Lenin heeft eens, als kanttekening bij de bestudering van een werk over krijgskunde daarin de zin neergeschreven: „Bij het ontketenen van een oorlog ontstaan enorme risico's". Daarom is zijn advies alleen dan „een oorlog te voeren als die uitermate beperkt zijn". Aldus las ik in een artikel „De koude oorlog" in Herv. Weekblad, d.d. 8-6-'61, een bespreking van het gelijknamige boek van B. Koning.
Het schijnt, dat men nog steeds in Rusland zich houden wil aan dit advies. Maar intussen doet het Sowjet-bewind al het mogelijke „om Azië en Afrika onder zijn invloed te brengen en Amerika en het Westen te isoleren en af te snijden van belangrijke grondstoffen". Met dit alles gaat gepaard „ondermijning van moreel".
Dit is niets nieuws. Toch is het goed, dat deze dingen nog eens weer gezegd werden. Want wij hebben over heel de linie op onze hoede te zijn. Niet, dat daarmede de explosie zal gekeerd worden. Dat ligt in het bestel van de almachtige God. Maar daarom juist zij de oudvaderlandse spreuk het richtsnoer: Vreest God en houdt uw kruid droog." Het gaat in dezen om grote, eeuwige waarden, en niet het minst om de toekomst van onze kinderen.
Het had zijn reden, dat ik hiervóór even onze kinderen noemde. Ik las kort geleden een verslag van de jaarvergadering van de vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs. Der traditie getrouw werd deze bijeenkomst in de Pinkster-week gehouden, te Utrecht in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen. In die vergadering heeft de heer P. J. Rijpstra uit Badhoevedorp gerefereerd over het onderwerp: „De invloed van de toenemende stoffelijke welvaart op het onderwijs". Een kort overzicht, dat ik aantrof in „Trouw" van 26 mei jl. geef ik hier door.
„De laatste tijd wordt steeds weer geconstateerd, dat neurotische afwijkingen bij kinderen ontstellend toenemen. Emotionele explosies, onevenwichtigheid, zenuwachtig druk zijn en huilbuien zijn evenzovele tekenen van ontwrichting van de kinderziel. In alle leerjaren op de scholen blijkt de concentratie met sprongen achteruit te gaan. De passieve houding neemt toe. Er komt veel minder werk uit handen van de kinderen. Het weinige huiswerk van de lagere schoolkinderen wordt onvoldoende en slordig gemaakt. De ouders staan er te weinig achter".
Het verslag is veel uitvoeriger. De spreker heeft, wat boven summier is samengevat in den brede toegelicht. Het is eigenlijk een doorgaande klacht over een passieve instelling bij de kinderen. Een grenzeloze apathie, men kan ook zeggen onverschilligheid tegenover de leerstof. De spreker zei, dat ze zich voor weinig interesseren, blasé zijn voor wat de onderwijzer hun vertelt bijv. over Egypte of Afrika, en zo maar meer.
De referent meent, dat men niet van een jeugdprobleem kan spreken. „Het is louter een probleem van de ouders en de ouderen in het algemeen". Hij haalde voorbeelden aan hoe door de kinderen met geld gesmeten wordt. Kinderen uit gezinnen, waarvan de moeder een krantenwijk heeft of kantoren schoonmaakt om wat bij te verdienen, hebben vaak een rijksdaalder zakgeld en prikkelen met hun royaliteit kinderen, die minder royaal in het geld zitten, om wat ze niet hebben op de een of andere wijze te verkrijgen. „De welvaartsroes heeft in vele technisch denkende gezinnen God overbodig gemaakt".
Deze enkele gegevens, welke ik uit het verslag vrij weergaf, waren ons van horen zeggen wellicht bekend. Hier zijn ze om zo te zeggen samengelezen en dan krijgen we wel de indruk van een ontstellende verwording, waarin alle normbesef versterft.
Is het alles aan de welvaart te wijten? Neen, maar wel aan het gebruik, nog beter aan het misbruik van de meerdere welstand. Als de ouders smijten met het geld, gelijk boven werd geïllustreerd, lachen de kinderen om de onderwijzer, als hij ze wil bijbrengen dat een dubbeltje een dubbeltje is, en vanouds, ook in welvarende tijden, het sobere levenspatroon ons volk eigen was.
Wat de heer Rijpstra naar voren bracht, was genomen uit de praktijk van een christelijke school. Nu wil ik gaarne aannemen, dat het op heel veel christelijke scholen beter gesteld is met de instelling der kinderen, en er bij hen eerbied is voor God en Zijn Woord. En ook, dat ze na de schooltijden terug kunnen vallen op een gezin, waarin de ouders met de school meebidden en mee-arbeiden om de harten te winnen voor de Heere Jezus. Dat is gelukkig en een zegen des Heeren. Maar ook die ouders en kinderen leven in een wereld, waarin de welvaart haar infecterende werking uitoefent. Het zijn sterke benen, die de weelde kunnen dragen. Zilver en goud hebben op ons aller hart een fascinerende invloed. Weeldeleven verslapt. Gehele volken zijn erdoor ten onder gegaan.
De enige remedie is, dat het hart, ook het kinderhart leert: „Wetende, dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud verlost zijt uit uwe ijdele wandeling, die u van de vaderen is overgeleverd, maar door het dierbaar bloed van Christus als van een onbestraffelijk en onbevlekt lam" (1 Petr. 1 : 18 en 19). Het zal een worsteling moeten zijn om licht en kracht des Heiligen Geestes, opdat onze kinderen die Heiland leren lief krijgen en aanhangen. Dan leren ze normbesef. Dan zullen ze gestaald staan in de strijd, hoe bang en hard die ook worde. Gelukkig het gezin, waarin het vóór alles gaat om die schatten. Daar zal een mee-arbeiden en mee-bidden zijn met het moeilijke werk van de christelijke school. In die weg licht een dageraad van hoop.
Velen uit de Pinksterbeweging — ze omvat vele groeperingen, oude en nieuwe, en is dus allerminst een eenheid — hebben Pinksterfeest gevierd in Jeruzalem. Christelijk en Israëlitisch Pinksteren vielen dit jaar samen, en zo was het in Jeruzalem, wat de tijd aangaat, een gemeenschappelijk Pinksteren. Natuurlijk was er over en weer in de viering wel verschil, maar er zijn contacten geweest. Een uit de Pinkstergroepen heeft, zo las ik in een blad, in de synagoge getuigd. Dat is treffelijk. Getuigden wij maar meer! Daarvoor hebben we het werk des Geestes te kennen, want Die doet spreken, „wat we zien en horen". En dan gaat het niet om tekenen en wonderen of spreken in tongen, maar om dit grote, dat „God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, Jezus, Die Israël kruisigde" (Hand. 2 : 35). Zo getuigt Petrus. Ik neem gaarne aan, dat hij, die in Jeruzalem in de synagoge sprak, ook dit getuigenis deed horen. Maar daarvoor behoeft men niet Pinksterfeest in Jeruzalem te vieren, al zullen daar de contacten makkelijker gevonden zijn dan hier. En daarvoor behoeft men nu niet bij een Pinkstergroepering te behoren. Het kan ook hier, in ons kerkelijk leven. Werd het maar meer gezocht en gedaan! Wij hebben zeker een nieuwe stuwing des Geestes nodig. Misschien moet het verschijnsel der Pinksterbeweging daartoe meewerken.
Het was sympathiek, dat ds. Glashouwer uit Driebergen, die rondom Pinksteren enkele malen voor de microfoon der N.C.R.V. over de Pinksterbeweging sprak, ook aandrong, om die vernieuwde aandrift des Geestes te bidden. Ik kon mij beter in zijn toespraken vinden dan in de boodschap, die ds. Du Plessis, lid van de Pinksterbeweging, ons deed horen. De scheiding tussen de gave des Geestes en de vuurdoop kan ik niet in de Schrift, in het Evangelie, vinden.
De beantwoording van ingekomen vragen, die ds. Glashouwer voor de microfoon zou houden, stelde me teleur. Hij kon niet alle vragen behandelen, beantwoordde er een paar en hield toen een vraaggesprek met ds. Du Plessis. Opmerkelijk was, dat deze (ds. Du Plessis) over de glossolatie, het spreken in tongen, heel sober was. Dat kwam voor mijn besef niet uit de verf.
Wil men in het staan naar spreken in tongen, niet teveel de eerste tijd van de Christelijke Kerk — een heel bijzondere tijd — doen herleven of imiteren? Ik zeg niet, dat de Heilige Geest ook in deze tijden niet iets dergelijks, een enthousiast loven en prijzen van Gods heilsdaden m Christus, in veelzins onbekende woorden, Gods kinderen niet zou kunnen schenken. Maar dan is het iets bijzonders, iets exceptioneels. Wij hebben er niet naar te staan. Heb ik ds. Du Plessis en ds. Glashouwer goed begrepen dan gaan zij ook die kant op. Dat is naar wat Paulus zegt in 1 Kor. 14 : 18 en 19.
Soberheid is dus aanbevolen. Geen imitatie. Dan wordt het experiment.
Over experiment gesproken, dat lijkt mij ook wat vrijdagavond 19 mei jl. in een grote zaal van de dierentuin in Den Haag werd georganiseerd. Daar heeft men „de eenheid van Pinksteren beleefd" door voor 800 deelnemers een maaltijd aan te richten. Men at samen en er waren enthousiaste getuigenissen. Men wilde zo beleven, wat in Handelingen 2 : 43 is verhaald.
Dit staat te lezen in „De Rotterdammer" van 20 mei jl. Boven het verslag staat: „Enthousiaste Pinksterbroeder zat naast belijnd calvinist".
Ik geloof niet, dat we deze kant op moeten. In het verslag viel trouwens het woord „experiment". Terecht, naar ik meen.
We hebben biddend te staan naar eenheid in Christus. Doch wat in de Jeruzalemse gemeente onder heel bijzondere omstandigheden geschiedde — er waren daar immers vele vreemdelingen op het grote Pinksteren en ook in de jonge gemeente, waarvoor bijzonder moest gezorgd worden, — kunnen wij niet imiteren.
Zijn we zo verlegen met Pinksteren en de gave des Geestes, dat we onze toevlucht zouden moeten nemen tot dergelijke imitatie om de volheid des Geestes te genieten? Het gebed om de Geest is in deze tijd bitter nodig. Hij werke het. En er zij en kome dat geleid worden door de Geest, waarin het kindschap Gods heerlijk en eenvoudig uitkomt. Dan zullen we genieten „het getuigen van de Geest met onze' geest, dat wij kinderen Gods zijn, en erfgenamen Gods, ja mede-erfgenamen van Christus" (Rom. 8 : 14-17).
Tenslotte nog iets over de reacties op het besluit van de Asser Synode (vrijgemaakt). Zaterdag 10 juni jl. is in Zwolle een vergadering geweest, waarin ds. Schoep uit Nieuwer-Amstel de beslissing der Synode aan een scherpe analyse heeft onderworpen. Uit alle delen des lands waren leden der vrijgemaakte kerken opgekomen. Ook prof. dr. H. J. Jager was aanwezig, naar wiens advies werd besloten: „Niet breken met de vrijgem. geref. kerken". Van een bepaalde actie of manifest werd afgezien. Prof. J. „wekte ieder op, op eigen plaats en naar eigen gaven te doen wat des Heeren wil is". Conform deze raad is besloten. („Trouw" d.d. 12-6-'61). Ds. Schoep sprak van het „raadsel van Assen" en toonde zich met heel de vergadering zeer teleurgesteld.
Dit is niet de enige reactie. Bij N.V. Uitgeversmij. De Graafschap, Aalten, verscheen: „1944 en 1961" „Open brief aan de hoogleraren dr. H. N. Ridderbos en J. Kamphuis". In de advertentie staat nog verder: „een zevental Vrijgemaakte Gereformeerde kerkleden laten in deze open brief een consciëntiekreet horen. Ze zijn het niet eens met „1961", evenmin met „1944". Bij het zevental is ook drs. G. Puchinger.
Assen krijgt een nieuwe aantekening in de kerkelijke historie der 20e eeuw. Het was de plaats, waar de zaak-Geelkerken in de twintiger jaren haar beslissing kreeg. En nu viel er het besluit, dat de hoop op heling der breuk tussen Synodalen en Vrijgemaakten verijdelde. Althans voorlopig. Heel het gebeuren rondom 1944 en 1961 is en blijft een trieste historie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's