De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE KERK EN DE PINKSTERGROEPEN (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE KERK EN DE PINKSTERGROEPEN (1)

6 minuten leestijd

Zo luidt de titel van een „herderlijk schrijven" dat de Synode nog niet lang geleden heeft doen uitgaan. De uitbreiding van de Pinksterbeweging, de ontmoeting er mede, ambtelijk en persoonlijk, de aantrekkingskracht die er van uitgaat op sommige mensen, waren de redenen, waarom de Synode dit geschriftje deed opstellen.

Men heeft ds. Glashouwer uit Driebergen als Hervormd predikant voor de radio kunnen horen spreken over de Pinksterbeweging. Ook andere predikanten, b.v. de bekende Gereformeerde ds. Hegger, gevoelen sympathie voor de boodschap van de Pinkstergroepen, althans zoals die door sommige Pinksterbroeders gebracht wordt. Er is een maandblad Vuur, onder eindredactie van ds. W. W. Verhoef te Hoenderloo, dat een middel wil zijn tot opwekking van ingezonken geloofsleven en daarom bijzondere aandacht schenkt aan hetgeen de Schrift leert over de Persoon en het werk van de Heilige Geest.

Nu doet het geschrift van de Synode sympathiek aan door de rustige, nobele toon, waarin het gesteld is, al zou men hier en daar de vraag kunnen stellen of de Svnode wel voldoende gewaarschuwd heeft tegen de bedenkelijke openbaring van sommige Pinkstergroepen en of ze wel voldoende de belijdenis der Hervorming in haar rijkdom heeft laten spreken.

De Synode heeft dit hele complex van verschijnselen willen beoordelen naar de beste vertegenwoordigers. Dat is dus het omgekeerde van de vaak gebruikte methode om de slechtste exponenten voor het voetlicht te plaatsen en aan bepaalde uitspraken de meest ongunstige uitlegging te geven en dan daarop los te slaan. Dat zou in het geval van de Pinkstergroepen niet eens zo erg moeilijk zijn geweest. We hebben hier te doen met een verschijnsel van de laatste 50 jaar, als uitvloeisel min of meer van bepaalde „opwekkingen" in Wales (1904) en in Californië (1906). In 1924 schreef de toenmalige Amsterdamse predikant ds. H. Bakker een boekje over verschillende stromingen en secten. Daarin o.a. ook over de Pinksterbeweging. De mate waarin men gebruik maakte van allerlei suggestieve opwindende methoden, brachten hem de vraag van koning Achis te binnen: „heb ik razenden gebrek? " (1 Sam. 21 : 15). En heel nuchter herinnert hij aan het woord van Jezus, als de zeventig terugkomen van hun zending en het zo geweldig vinden, dat de geesten hun onderworpen zijn: verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veelmeer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.

Toch ziet ook deze nuchtere ds. Bakker in dit in 1924 verschenen boekje een aanklacht tegen onze kerkelijke lauwheid en wereldgelijkvormigheid in het optreden van deze beweging.

Het herderlijk schrijven zoekt naar de betere vertegenwoordigers van de Pinksterboodschap en wijst op bepaalde figuren als Donald Gee en David du Plessis, die van hun kant oog blijken te hebben voor het werk van de Heilige Geest ook in de kerk.

Met instemming wordt overigens, wat de kerk betreft, het ontdekkende woord aangehaald uit een rapport uitgebracht door de deputaten voor het onderzoek naar de stand van het geestelijk leven in de Gereformeerde Kerken: „de Kerk lijdt gebrek aan de Heilige Geest". Dat is inderdaad een uitspraak die tot bezinning roept. Alleen daarom al is het goed om te luisteren naar hetgeen de Pinksterboodschap ons zegt, al zullen wij niet bereid zijn alle middelen en wegen, die zij aanwijst, te aanvaarden. De Synode roept ons op in elk geval onszelf te onderzoeken, wanneer ons hier een ernstig tekort wordt aangewezen. De zaak is daarom waard er bij stil te staan. Jammer dat wij morgen misschien weer geroepen worden naar iets anders te luisteren. Het ontbreekt ons veelal aan echte bezinning, door de veelheid van stemmen, die rondom ons opgaan. Onze aandacht wordt dagelijks versnipperd.

Eén ding, waarover ongeveer alle Pinkstergroepen (bij alle onderlinge verdeeldheid) het eens zijn, is, dat er in de gemeente van Christus tweeërlei christenen zijn.

Er zijn: Ie wedergeborenen, die oprecht in Jezus geloven en ook wel iets van Zijn Geest hebben ontvangen. Maar er zijn 2e de gedoopten met de H. Geest. Alle wedergeborenen moeten trouwens er naar staan om die Geestesdoop te ontvangen.

Men denkt dan aan het woord van Johannes de Doper over Hem, Die dopen zou met de Heilige Geest en met vuur. Men wijst op de discipelen, die wel wedergeboren en gelovig waren, maar toch eerst met Pinksteren aangedaan werden met kracht uit de hoogte. Verder wijst men op voorbeelden van mensen, die reeds tot het geloof gekomen waren, maar daarna toch nog op andere wijze de Heilige Geest ontvingen. In Samaria b.v. predikt eerst Filippus. Velen geloven. Daarna komen Petrus en Johannes en wordt de gemeente vervuld met de Heilige Geest. Dit gaat vergezeld met tekenen, die aan Handelingen 2 doen denken, o.a. het spreken in allerlei talen. Verder legt men sterk de nadruk op het slot van Marcus 16, op 1 Cor. 12 over de verscheidenheid van gaven, die één en'dezelfde Geest uitdeelt, en op 1 Cor. 14 waarin 25 jaar na de uitstorting des Heiligen Geestes het spreken in tongen wel geremd wordt maar niet afgeschaft.

Men heeft van deze voorbeelden uit het verleden alleen een systeem voor het heden gemaakt. Vele Pinksterbroeders menen, dat een christen een bijzonder moment in zijn leven moet kunnen aanwijzen, waarop hij met de Heilige Geest werd gedoopt (veelal zelfs als een ook lichamelijk waarneembaar gebeuren). Dan pas kan hij dienstbaar zijn in het Koninklijk der hemelen. Het komt ons voor dat men met deze teksten meer wil bewijzen, dan er in gezegd wordt en dat het allerlei gevaren van hoogmoed en van neerslachtigheid oproept, wanneer men zo twee klassen krijgt van christenen, waarvan de laatste alleen de volwaardigen bevat.

De bijbel spreekt niet van 2 zulke verschillende niveau's, maar veeleer van het opwassen in de kennis en de genade van de Heere Jezus Christus en het voortbrengen van de vruchten des Geestes. Daarbij heeft het leven zijn verschillende tijden, zijn zomer- en wintertijden. De bijbel weet ook inderdaad van de gaven des Geestes, waarmede de leden van het lichaam van Christus in meerdere of mindere mate en in grote verscheidenheid getooid zijn en die dienen om de vruchten des Geestes de door God gewilde vorm te geven. Bij die vruchten des Geestes is de liefde de hoogste gave. (1 Cor. 13).

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE KERK EN DE PINKSTERGROEPEN (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's