De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Kerk en de Pinkstergroepen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Kerk en de Pinkstergroepen

6 minuten leestijd

Een eenheid vormen de Pinkstergroepen allerminst. Door de sterke nadruk op hetgeen er, naar hun mening, in de mens moet omgaan, is er een sterke mate van individualisme en subjectivisme. Daardoor treden bepaalde figuren tijdelijk sterk op de voorgrond en geven gevoeligheden spoedig aanleiding tot splitsing. Er ontbreekt te veel de compensatie van het emotionele door rustig overleg. Leerzaam is wat dit versplinteringsproces betreft het boek van Paul Fleisch over de geschiedenis van de Pinksterbeweging in Duitsland. Merkwaardig is daar de afkeer van strenge organisatie (in tegenstelling b.v. met de Jehova-getuigen, die een veel verstandelijker — niet: verstandiger — karakter vertonen), moeilijkheden ten aanzien van de vorming van een gemeenschappelijke leer (ook geheel anders dan bij de Jehova-getuigen, waar het individu niet behoeft te denken), het ingang vinden in streken, waar vroeger het piëtisme de toon aangaf.

Nu we het woord piëtisme noemen, komt de vraag naar ons toe: als de kenmerkende dingen van de Pinksterbeweging, in het bijzonder de tekenen van de Geestesdoop, behoren tot het wezenlijke van de christenheid, hoe moet dan de hele kerkgeschiedenis sedert het Pinksterfeest van Hand. 2 gewaardeerd worden. Want eigenlijk slaan kerkvaders en hervormers maar een pover figuur wat betreft de vormen van enthousiasme, die volgens vele Pinksterbroeders, onlosmakelijk verbonden zijn aan het gedoopt worden met de Heilige Geest. M.a.w.: waar is het verleden van de Pinksterbeweging in al die eeuwen?

Het herderlijk schrijven wijst op sommige bekeerlingen van Wesley en Whitefield (±: 1750) in Engeland, op sommige Jansenisten en Quakers, de Camisarden in Frankrijk en de Irvingianen, maar er blijven ook zo nog zeer grote hiaten.

Als prototype van de Pinksterbeweging met een sterk heimwee naar het leven zoals het eenmaal geweest was, noemt het herderlijk schrijven de Montanisten uit de 2e eeuw na Christus. Ernstige Pinkstermensen zullen echter niet erg gelukkig zijn met zulke geestelijke voorouders. Montanus immers beschouwde zichzelf als de belichaming van de Heilige Geest. In het Handboek der Kerkgeschiedenis van Bakhuizen van den Brink en Lindeboom worden enkele uitspraken van hem opgetekend. Wat deze man van zichzelf zegt is godslasterlijk of krankzinnig. Hij noemt zichzelf de Vader en de Zoon en de Paracleet (Heilige Geest). Hij is „God de almachtige. Die mens geworden is". Pinksteren werd vooral gevierd als hoofdfeest. Het handboek zegt: „Mantanus betekende dus een maximum van pneumatisch Christendom". Maar hij doet toch ook wel heel sterk denken aan iemand als Lou, de palingboer uit Muiderberg.

Maar in het algemeen legt men (in allerlei kringen, uit verleden en heden, waarin men op zulk een pneumatisch Christendom aandringt, zulk een nadruk op de immanentie (de inwoning) Gods, dat de majesteit van dien God, Die een ontoegankelijk licht bewoont, te kort komt.

Hier dreigt de religieuze mens zijn kansen te krijgen.

Ik denk aan een woord van wijlen dr. Noordmans: „de Heilige Geest schijnt zozeer aan onze kant, tegenover de Vader en de Zoon, Wier werk Hij toe-eigent aan ons; daarom schijnt Hij één te worden met ons hart. Hij bidt en het is ons gebed; Hij werkt het geloof in ons en het is ons geloof".

Hier liggen gevaren voor het uitwissen van de grenslijn tussen God en mens, het gevaar voor pantheïsme, dat in allerlei mysticisme op de loer ligt; daarbij gaat men toeschrijven aan de Heilige Geest wat niet anders was dan een uiting van de eigen geest.

Hier is ook verwantschap met de Wederdopers uit de tijd van de Hervorming.

De wijze, waarop de nadruk gelegd wordt op hetgeen er in de mens moet omgaan, maakt ook, dat wedergeboorte en heiligmaking gesteld worden boven de rechtvaardiging.

Over het algemeen zijn de Pinkstergroepen zeker rechtzinnig wat betreft de belijdenis van Christus als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt. Maar de wijze, waarop men de Geestesgaven accentueert, is er de oorzaak van, dat men het leven door de Geest te weinig ziet als het leven der dankbaarheid voor de in Christus verkregen verlossing, te weinig in verband met de dood en de opstanding des Heeren.

Dan komen rechtvaardiging en heiligmaking onverbonden naast elkander te staan. De heiligmaking krijgt een wettisch, geforceerd karakter. Zij wordt krampachtig en toont telkens de neiging tot perfectionisme (de leer dat de mens in dit leven reeds tot zondeloosheid zou kunnen komen).

De onderscheiding van tweeërlei soort christenen, de gewone wedergeborenen en de met de Geest gedoopten, draagt toch al in zich het gevaar voor een zekere geestelijke hoogmoed bij de hogere-school-christenen.

Dr. Boerwinkel, die in zijn bekend werk „Kerk en secte" de secten waarlijk niet met harde hand aanpakt, haalt ergens een woord van Augustinus aan: si non esset secperbia, non essent haeretici, d.w.z. als er geen hoogmoed was, waren er geen ketters, waarbij we ons herinneren, dat het woord „ketter" afkomstig is van de Katharen uit de Middeleeuwen. De naam „Katharen" betekent de „reinen". Daar is wel geen pantheïsme. Integendeel, De stoffelijke wereld is het werk van de duivel en deze „reinen" propageerden een strenge ascese. Maar de ziel was dan toch een stuk van de godheid. Ook daar dus het gevaar van de uitwissing van de grenslijn tussen Schepper en schepsel. Ook bij hen is het onderscheid tussen twee klassen van christenen. De gewone „gelovigen" leven nog in de wereld en nemen aan verschillende vormen van maatschappelijk leven deel. Maar een hogere trap wordt bereikt door de „volmaakten", die de „geestesdoop" hebben ontvangen en die zich onthielden van huwelijk en bezit, soms ook van spijze, tot de vrijwillige hongerdood toe. Merkwaardig dat in diezelfde sfeer van spiritualistisch verzet tegen een verwereldlijkte kerk ook een figuur als Tanchelm de Vlaming opkwam, die zichzelf vergoddelijkte, omdat hij de volheid des Geestes zou ontvangen hebben. Overigens eindigde, evenals bij meerdere overgeestelijke figuren, bij Tanchelm de geest op ergerlijke wijze in het vlees.

Het leesboek van de geschiedenis der kerk bevat wel veel leerrijks, zowel ter navolging als tot waarschuwing.

De verleiding is groot nog meer wandelingen door het grote gebied der kerkgeschiedenis te maken en daar in het bijzonder aandacht te schenken aan degenen, die de religie vooral als een Erlebnis, een beleving, een ervaring opvatten (vgl. E. Brunner, Erlebnis, Erkentnis und Glaube), maar dit gaat te ver buiten het bestek van deze bespreking. We moeten het hebben over het karakter van de Pinksterbeweging in ónze eeuw.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Kerk en de Pinkstergroepen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's