De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

Onlangs heeft men in de pers kunnen lezen van een verklaring, uitgegeven door een werkgroep van hervormden en gereformeerden, bevattende een oproep tot eenwording der kerken. De reacties daarop in de kerkelijke pers zijn nog al verschillend en uiteenlopend. Ds. Groenewoud in het Hervormd Weekblad van 1 juni is er nog al mee in z'n schik. Hij schrijft er over onder de titel: Een stap vooruit? Onder meer verblijdt hij er zich over, dat van Hervormde zijde dit streven — blijkens de ondertekening — vooral uitgaat van Kerk en Wereld. Hieruit blijkt, dat deze roep om eenheid geboren wordt als het met name gaat om het evangelisatiewerk, uit de praktijk dus van het werk dat de kerk in de wereld van heden te verrichten heeft. Overigens is het natuurlijk wat vreemd, dat de werkgroep nu al adhesie vraagt, terwijl er van de plannen nog geen letter op papier staat. Op dat punt is ds. G., bij al z'n blijdschap, dan ook toch nog wat voorzichtig:

Natuurlijk is het mogelijk, dat men nog te veel onzekerheid heeft. Het doel juicht men toe — maar zal men ook met de plannen kunnen instemmen, die de kleine werkgroep heeft te maken? Welnu, dan kan men altijd dit voorbehoud maken, dat men wel adhesie betuigt met het doel, maar dat men de later te publiceren plannen, nog nader wil overwegen. Overigens zou het aan te bevelen zijn, dat de commissie die deze plannen heeft te maken, zich daarbij laat voorlichten door personen die op dit terrein terzake kundig zijn. Ook als men een goed ideaal heeft, is het nog nodig, het langs geordende weg te bereiken; kerkhistorie en kerkrecht spreken hierbij ook een woordje mee. Om teleurstellingen achteraf te voorkomen, is het nodig dit woord van meet af, bij het afbakenen van de te volgen weg, mee te laten spreken. Buitendien lijkt het ons nuttig, dat deze werkgroep wat breder wordt samengesteld. De ondertekenaars van de oproep zijn wel wat eenzijdig georiënteerd.

Tenslotte komt ds. G. ook nog tot een andere (voorzichtige) conclusie. Hij kan niet aannemen, dat de hervormde deelnemers de vrijzinnigen in de kerk los hebben gelaten; dit punt zal evenmin in het gesprek met de gereformeerden buiten beschouwing gebleven zijn.

We moeten dus wel aannemen, dat de gereformeerde mede-ondertekenaars deze vrijzinnigen enigermate aanvaarden. Wellicht hebben ze reserves. Maar, en dat is voor ons van grote betekenis, dit wijst o.i. in elk geval in de richting van een andere houding tegenover het probleem der vrijzinnigheid dan we van de gereformeerden gewoon zijn; een meer hervormde houding, om zo te zeggen. Dit zou natuurlijk van groot belang zijn. Want daarmee is die houding prijs gegeven die zegt: „Eerst de vrijzinnigen eruit, en dan komen we terug". Dit betekent, dat we samen kunnen komen en kerkelijk over dit vraagstuk kunnen spreken.

Overigens kunnen we vaststellen, dat de Gereformeerde kerken in haar geheel daar in ieder geval nog niet aan toe zijn. Het oordeel van prof. H. Ridderbos in het Gereformeerd Weekblad (Kok) van 2 juni over deze oproep is namelijk wat men noemt vernietigend. Naar aanleiding van de „kreet" in de oproep: „De gescheidenheid van de Herv. en Geref. kerken mag niet langer geduld worden", schrijft hij:

Wat wij zouden willen weten is, of de opstellers van dit manifest de vereniging bedoelen van de emperische Herv. en Geref. kerk, d.w.z. van deze kerken, zoals zij thans reilen en zeilen, ieder onder de vigeur van een doelbewust gekozen en gehandhaafde kerkinrichting: de Geref. kerk met een duidelijke, tot nu toe althans nagestreefde binding aan de gereformeerde belijdenis; de Herv. Kerk met een even duidelijke doelstelling om de grenzen van de kerk en van het ambt veel ruimer te trekken, zelfs op gevaar af hier en daar niet allen de gereformeerde signatuur, maar ook het christelijk karakter van kerk en ambt in de waagschaal te stellen

De vraag, die dus rijst is deze: wat bedoelt de werkgroep nu, als ze de gescheidenheid, die toch om deze reden bestaat, onduldbaar noemt? Is het onduldbaar, dat de gereformeerden zich nog langer verzetten tegen deze alles-omvattende eenheidsconceptie van de Herv. Kerk en b.v. weigeren aan de vrijzinnigheid een dusdanige legitieme plaats in de kerk te geven als dit thans in de Herv. Kerk het geval is? Gezien de namen van de gereformeerde ondertekenaars is het moeilijk aan te nemen, dat dit de bedoeling is. Bedoelt men dan soms te zeggen, dat het onduldbaar is, dat de Hervormden nog langer de eenheid met de Gereformeerden frustreren omdat zij tot nu toe niet bereid gebleken zijn duidelijk de grenzen van de kerk en het ambt af te bakenen en te handhaven? Gezien de namen van de hervormde ondertekenaars, kan ik dit evenmin voetstoots aanvaarden. Maar wat is dan wel de bedoeling van dit: niet langer te dulden? Zien de ondertekenaars een tussenweg, een mogelijkheid van zoveel water in de gereformeerde en in de hervormde wijn te doen, dat de gescheidenheid kan worden weggenomen en is het dus onduldbaar, dat men deze weg tot nu toe niet gegaan is?

Na nog gewezen te hebben op het eigenaardige verschijnsel, dat men wèl spreekt over de onduldbare gescheidenheid der twee kerken, maar met geen woord over de onduldbare verdeeldheid binnen de ene (Herv.) kerk, eindigt hij met te constateren, dat deze oproep alleen maar verwarring sticht en de bestaande verwarring nog vergroot.

In de rubriek „Uit andere Bladen" van „de Wekker" wordt een artikel aangehaald van prof. Waterink, dat ook over deze oproep handelt. Het artikel zelf is geschreven in het Centraal Weekblad. Ook door deze schrijver wordt de oproep „gekraakt"; we willen alleen maar volstaan met mee te delen, dat prof. W. z'n artikel schrijft onder het opschrift: „Deraillement". De persschouwer van de Wekker vraagt zich in z'n instemmend commentaar af, in hoeverre het geluid van prof. Waterink nog weerklank vindt; en of prof. W. zich langzamerhand ook eenzaam gaat gevoelen in de Geref. Kerken.

Uit al dergelijke artikelen spreekt een zekere zorg over het verschijnsel, dat het vasthouden en handhaven van de belijdenis bij velen meer en meer gaat verzwakken. Men voelt weinig of niets meer voor „starre dogma's" en begeert een eenheid die zich dan nog zo wat houden wil aan een grootste gemene deler belijdenis. Daarnaast en natuurlijk daarmee onmiddellijk in verband staande klinkt ook bezorgdheid en vrees door bij de gescheiden kerken voor een „verloop" naar de Herv. Kerk.

Nog veel dieper gaat prof. H. Ridderbos op deze problemen in als hij drie weken aaneen in de rubriek „Van week tot week" schrijft over het artikel van prof. Berkhof in „In de Waagschaal" waarin deze de visie van dr. Boon afwijst. Een vorige keer citeerden wi ook reeds uit dit artikel van prof. Berkhof. Ridderbos is het met Berkhof eens als die spreekt van het steeds voortgaan van het belijden der kerken. Maar prof. R. vraagt dan met klem aan prof. B. hoe het nu zit met de geldigheid, het bindend karakter van die belijdenis:

Vergis ik mij, wanneer ik prof. Berkhof's (prijzenswaardig) optimisme t.a.v. de ongedeelde kerk der toekomst mede daaruit verklaar, dat hij op de kerkelijke geldigheid van het belijden zo weinig nadruk legt? Wat is het, dat aan de oecumenische eenwording wéér struikelblokken in de weg legt dan juist het bindend karakter van de belijdenis der „deel-kerken"? De praktijk in de kerken en tussen de kerken leert, dat men veel en soms alles van elkander wil aanhoren en verdragen, als men zich maar niet aan enige belijdenis-uitspraak behoeft te binden. Het merkwaardige feit doet zich daarom voor, dat de gereformeerde kerk heden ten dage vrijwel machteloos is nog één woord buiten de drie formulieren van-enigheid te zeggen, op straffe van door scheuring bedreigd te worden. En dat de hervormde kerk het éne belijdende stuk na het andere publiceert, zonder daarvan ook maar de minste last te ondervinden. Het is merkwaardig, hoewel niet onverklaarbaar: want het behoort tot het karakter van het gereformeerd belijden, dat 'het kerkelijke geldigheid heeft; terwijl het belijden van de hervormde kerk tot nog toe vrijblijvend is. Zo spoedig daarin verandering zou optreden, zou zij ook moeten kiezen tussen ophouden met belijden (zoals in de vorige eeuw) of opgesplitst worden in deelkerken. Aan deze zijde van het door dr. Boon gestelde probleem gaat prof. Berkhof voorbij.

In z'n derde artikel schrijft prof. R. over de moeilijkheid om aan beide aspecten van de Kerk recht te doen: haar belijdend karakter en haar oecumeniciteit; of om het met de woorden van het credo te zeggen: haar heiligheid en haar algemeenheid. De pluriformiteitsgedachte van Kuyper is wel een poging daartoe maar is te theoretisch en bevredigt verder ook allerminst. Schilder die Kuyper op dit punt krachtig bestrijdt, vereenzelvigt het oecumenische maar al te zeer met het gereformeerde en zelfs op de duur met het vrijgemaakt-gereformeerde. Prof. R. eindigt z'n artikel dan met t€ schrijven:

Het gaat er om hoe we beide aspecten van de kerk op aarde, óók in haar tegenwoordige en empirische openbaring, ernstig zullen nemen. Dat het belijdend karakter van de kerk niet een vrijblijvende zaak is, is ons met de paplepel ingegoten. Het zou niet alleen een verloochening van onze kerkelijke afkomst, het zou ook een miskenning van het wezen der kerk zijn, wanneer wij — al dan niet uit reactie — ons terwille van een bredere oecumenische armslag daarvan bij gedeelten zouden ontdoen. Geen reductie dus van de belijdenis. Hoe kunnen wij daarbij echter ook honoreren — en dan niet alleen in blote theorie — wat de onafwijsbare waarheid was in Kuypers pluriformiteitsleer en wat ons niet alleen van buiten af, maar ook van binnen uit steeds meer duidelijk wordt: dat de kerk niet alleen heilig, maar óók algemeen is; en dat het gebrek, dat in de kerk op aarde zowel in het een als in het ander openbaar wordt, nochtans de aanvankelijke realiteit van beide niet vermag weg te nemen en dus ook om daad-werkelijke erkenning vraagt?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's