Kroniek
Beschouwingen over modaliteiten en modaliteiten pers — Over een nevenvoorziening — Hervormd Weekblad over Synodale Publiciteit.
Modaliteit is een woord van bekendheid en betekenis geworden in ons tegenwoordig hervormd kerkelijk leven. Wie het in de kerkorde zoekt, zal het alleen vinden in overgangsbepaling 235- 238. In de artikelen en ordinantiën vindt men het bij mijn weten niet. Wanneer en door wie het in ons kerkelijk spraakgebruik en de praktijk is geïmporteerd, weet ik niet precies. Het is geen kerkelijk woord van oorsprong. Wijlen dr. O. Noordmans moest er niet veel van hebben. Het deed hem te veel denken aan filosofie en filosofische inmenging.
Niettemin, het woord is ingeburgerd in onze kerk, omdat de stromingen, er mede aangeduid, — gemeenlijk verstaat men er onder: richting, al betekent het meer een zekere nuancering, wijze van zien — nu eenmaal zich aftekenen in ons heterogene kerkelijk leven. Daarom ziet het gewone kerkvolk de modaliteiten als richtingen en anderen als nuanceringen, als stromingen, groeperingen, die wel één zijn in belijden der ene waarheid, maar ieder gegrepen door een bepaald aspect daarvan. Men wijst dan gaarne op het onderscheid tussen Paulus en Petrus, Johannes en Jakobus.
In het voorafgaande is niets nieuws. Ik repeteerde alleen maar, omdat ds. J. T. Wiersma uit Wassenaar in „Woord en Dienst" van 10 juni jl. het artikel schreef, dat als opschrift heeft: „Modaliteiten en modaliteiten pers". Het vangt aan met de vraag: „Hoe komt het dat ik met zorg vervuld zou worden als mijn gemeente zich zou gaan abonneren op de verschillende bladen, die in de ruimte van onze kerk verschijnen? " Daarop laat de schrijver die verschillende bladen de revue passeren en onderwerpt hun bestaan aan zijn kritiek. Ze verstoren, het een in sterkere mate dan weer een ander, de eenheid der kerk. Niet dat ds. W. hun verdwijnen begeert. Zij moesten meer „kerkelijk" zijn, zich herzien, «n werken in de geest van „In de Waagschaal", een „beslist en onpartijdig" blad naar de hoofdredacteur van dit orgaan het eens aangaf. Dat blad beoordeelt de verschijnselen naar „het centrum der kerk, Jezus Christus". Zo ziet ds. W. het. Of „In de Waagschaal" het altijd zo doet, is een vraag, die ik open laat.
Maar nu verder. Ds. W. zou willen, dat „Hervormd Weekblad" niet langer spreekbuis was van de Confessionele Vereniging. Ds. Groenewoud heeft daarop reeds zijn antwoord gegeven, en het goed recht van de huidige koers van zijn orgaan in het licht gesteld. Hij denkt niet aan „opheffing", gelijk ds. W. adviseert.
„De Waarheidsvriend" komt er minder goed af dan Hervormd Weekblad", dat in de ruimte der kerk wel het centrum in het oog houdt en van kerkelijke allure is. „De Waarheidsvriend" in zijn „artikelen en kronieken" gaat er vanuit, dat de G.B.-groep eigenlijk „de enige ware representant is van de Nederlandse Hervormde Kerk en daardoor is zij meer partijdig dan kerkelijk".
Het „Gereformeerd Weekblad" plaatst de schrijver voor een raadsel. De artikelen en verslagen der synode zijn vaak „bijtend". Soms zullen uit de laatste de lezers de indruk kunnen krijgen, dat de leden der synode het op de ondergang der kerk begrepen hebben. De recensies van boeken en publicaties van „niet-indirecte-zin-geestverwanten" zijn echter vaak van „een milde en aanbevelende toon". Ds. W. ziet als verklaring hiervan, dat de schrijvers op het persoonlijk vlak van een milder instelling zijn dan op het kerkelijke.
En nu „Kerk en Wereld", orgaan van de „Vereniging van Vrijzinnig Hervormden". Ook van die Vereniging wenste de schrijver opheffing van het orgaan. Wel moet het blad de kerkelijke bijdrage van de vrijzinnige stroming blijven geven. De kerk heeft die nodig. Maar men dient meer op het „Centrum" aan te werken en meer kerkelijk te worden. Tot zover het artikel van ds. W. in enkele hoofdzaken.
Wat ervan te zeggen? Gegeven zijn zienswijze is het begrijpelijk, dat ds. W. liever niet de genoemde bladen in zijn gemeente gelezen ziet. Het zou de eenheid verstoren. Ze verstoren reeds de eenheid in de kerk, die hij signaleert als „een kijvende familie" in een „klein kamertje". Geen wonder, dat een opschrift van zijn artikel luidt: „Verheugende verscheidenheid zou verterend vuur worden". „Verheugende verscheidenheid"? Kunnen we zo de huidige modaliteiten noemen? Kunnen we spreken van „familie"? Zijn de modaliteiten één in het centrum „Jezus Christus overgeleverd om onze zonden, opgewekt om onze rechtvaardigmaking"? Ziet de vrijzinnigheid, sprekend in „Kerk en Wereld", dit als haar centraal geloofsstuk? Ik denk aan prof. Smits. Hem zijn de rechten van emeritus-predikant nu ontzegd door het Breed Moderamen. Het heeft eindelijk gehandeld naar wat prof. Van Itterzon immer als de weg heeft aangewezen. Maar prof. Smits was een „buitenbeentje" in zijn groep, zal misschien iemand zeggen. Ja, in zijn vormgeving. In wezen ook? De Vereniging van Vrijzinnig Hervormden heeft zich nimmer van hem gedistantieerd, hem zelfs een raadsman gegeven. Wat „Kerk en Wereld" van het besluit van het Breed Moderamen zal zeggen weet ik op het moment niet. Het zal wel niet mals zijn.
Om dit alles is het mij niet mogelijk van „familie" en „verheugende verscheidenheid" te spreken. Mijn hart hunkert naar „eenheid", maar niet ten koste van de Waarheid der Schriften, het „Centrum" om met ds. W. te spreken. Die eenheid heb ik niet in zijn stuk kunnen ontdekken. Zijn „modaliteiten"-visie lijkt mij gevaarlijk en niet naar de H. Schrift.
In de hervormde gemeente van Krimpen aan de IJssel is een „nevenpastoraat" ingesteld. Ik las het niet in de kerkelijke pers, maar vernam het door „mondelinge overlevering". Nu is de instelling van een „nevenpastoraat" in onze modaliteitenkerk op zich zelf genomen niet een gebeuren, dat in deze rubriek afzonderlijke vermelding verdient. Dergelijke pastoraten, zij het dan meer „nood"en geen „nevenvoorzieningen", werden, sinds Overgangsbepaling 235-238 vigueert, meer voor. Vaak in dusgenaamde Bondsgemeenten en dan gewoonlijk wegens ontevredenheid over de leiding van de kerkeraad ter plaatse.
In Krimpen aan de IJssel geldt het een „nevenvoorziening" ten behoeve van een herv. geref. evang., welke al enkele tientallen jaren daar bestaat. Wijlen de heer De Jong heeft daar als voorganger zegenrijk gewerkt. De evangelisatiegroep had begrijperlijker wijze liever gezien, dat de kerkeraad ten haren behoeve een 2e predikant had willen beroepen.
Door de „nevenvoorziening" krijgt de evangelisatiegroep nu eigen ambtsdragers, die adviserende stem in de kerkeraad hebben en concluderende in de classisvergadering.
Onze mensen in Krimpen aan de IJssel zijn dankbaar voor deze oplossing, doen al hun best om predikanten te vinden, die in de nu officiële beurten willen voorgaan en hopen zeer spoedig een predikant bereid te mogen vinden het beroep naar hun gemeente aan te nemen. Ik kan die blijdschap verstaan.
Een evangelisatie gelijk ze in meerdere gemeenten bestaat, is altijd een noodmaatregel. Men heeft dan de prediking, welke men liefheeft. Maar mist de sacramentsbediening. En vooral moeilijkheden met de doop der kleine kinderen — doopconsenten zijn maar moeilijk van de betrokken kerkeraden te verkrijgen — doen meerderen nogal eens aansluiting zoeken bij een andere kerk. Er verhuizen er wel vaak naar een gerei, gemeente. De afvloeiing daarheen schijn^ in meerdere plaatsen vlot te gaan. O' zulks bevorderd wordt door bepaalde accenten in de prediking, dan wel door politieke invloeden — beide zijn mogelijk — kan ik niet beoordelen. Ik geef slechts feiten.
Ook ziet men wel gebeuren, dat bij verloop van een evangelisatie het resterende deel gemakkelijk de overgang doet naar een Chr. geref. of geref. gemeente. Het komt eveneens voor, dat van een evangelisatiegroep, voor wie de plaatselijke kerkeraad een predikant beriep, bij de komst van die ambtsdrager, toch een deel blijft „evangeliseren". Jammer, dat er predikanten zijn, die dan ook nog wel eens zulk een minderbevredigde groep stijven in haar verzet, door te blijven komen preken. Dit euvel wordt ook wel gepleegd door godsdienstonderwijzers.
Om al deze redenen en narigheden lijkt mij de weg van een „nevenpastoraat" voor onze evangelisaties verkieslijk als een 2e of 3e predikant ter plaatse op verzet of onoverkomelijke moeilijkheden stuit. Ik weet wel, dat het niet is, wat men gaarne zou willen. Zulks is er heel veel in ons kerkelijk leven. En we krijgen er allen ons deel van. We zullen het wel nodig hebben. Indien niet, dan gaf de Heere wel een andere weg. Het gaat echter om de bediening van Woord en Sacrament naar eis van Schrift en Belijdenis. Daarvoor is een „nevenvoorziening" een weg. Krimpen aan de IJssel koos voor deze weg. Ik hoop, dat het tot zegen zal zijn van heel de gemeente. Er zij onder Geestesdrift werfkracht voor Gods zaak.
In zijn artikel „Synode, wat nu? ", verschenen int; , Hervormd Weekblad" d.d. 15-6-'61, heeft prof. Van Itterzon kritiek geoefend op de trage publicatie van de zijde van het bureau der Generale Synode. Zulks in verband met het feit, dat dit bureau wekenlang gezwegen had over de weigering van prof. Smits om te voldoen aan het verzoek tot samenspreking met de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie. Ds. Groenewoud haalt dit aan in het nr. van 22 juni jl. van „Hervormd Weekblad" naar aanleiding van een artikel van de perspredikant, ds. L. Ruitenberg, in „Herv. Nederland" d.d. 17-6-'61, waarin hij de voornaamste agendapunten van de — inmiddels gehouden — zomerzitting der Generale Synode weergeeft. Hij (ds. R.) zegt daarin o.m.:
„Dat zon vergadering van het breedste lichaam der kerk iets anders is dan een vergadering van de Kamers der Staten Generaal moge blijken uit het feit, dat de stukken alleen maar aan de leden der synode worden toegezonden. Dat betekent de betrekkelijke beslotenheid van die vergadering en wijst op een andere oordeelsvorming dan in een politiek lichaam.
Intussen: er is niets geheimzinnigs aan verbonden".
• Ds. Groenewoud is over een en ander niet erg te spreken in zijn artikel: „Synodale Publiciteit" en evenmin over wat ds. R. schrijft, die „om de eigenlijke zaak" de klacht over de publicatiemethode der Synode „heenloopt, door er iets anders van te maken". Niemand vindt het vreemd, dat ben ik met ds. Gr. eens, dat de synodeleden de stukken krijgen. Die behoeven de kerkleden niet. Maar waarom ze niet tijdig aan de pers verstrekt, opdat de kerkleden en kerkeraden weten wat er in onze hoogste kerkelijke regering geschiedt? Het is in deze trant, dat ds. Gr. zijn hart lucht over de „Synodale Publicatie". Ik ga dit alles hier niet weergeven. Meermalen heb ik in de „Kroniek" mijn bezwaren tegen een en ander geuit. En zulks niet uit lust tot kritiek, maar in wat ik meen te zijn het welbegrepen belang onzer kerk.
Van synodezijde zijn vóór de zitting wel verzoeken gezonden aan de kerkeraden om haar in haar arbeid de zondag aan de zitting voorafgaande in de gebeden te gedenken. Of dit de laatste tijd nog geschiedt, is mij niet bekend. Hoe kan dat zinvol geschieden, indien men bijkans onkundig is aan de agenda? En waarom zijn de zittingen „besloten"? Zie, wij behoeven de Geref. Kerken in haar synode-praktijk niet te imiteren. Een eigen kerkelijke stijl mag iedere synode hebben. Daar is niets op tegen. Maar openheid voor het kerkvolk, welks belangen aan de orde zijn. Zo kan er komen een meeleven met de top en kan de distantie, die er helaas is, weggewerkt worden.
Ds. Gr. zegt in het slot van zijn artikel, dat de publicatiemethode van de Synode „zeer veel op een politieke manier van doen lijkt en op een door en door politieke oordeelsvorming, te weten bij het kerkvolk. Bij de officiële kerkelijke berichtgeving worden sommige dingen verzwegen, andere naar voren gebracht, ook gebeurtenissen in een bepaald licht gesteld, met het doel het kerkvolk in een bepaalde richting te leiden. Op deze manier wordt de kerkelijke publiciteit een middel in de hand van een bepaalde partij om het eigen inzicht aan het kerkvolk op te leggen, en het oordeel van dit kerkvolk te vormen, d.w.z. naar de hand van deze groep te zetten. Dit is meer een politieke dan een kerkelijke manier van doen".
Ik ben het in dit opzicht volkomen met de schrijver eens. Zeer hoop ik, dat de Synode en haar bureau deze opbouwende kritiek niet naast zich zullen neerleggen, maar dat zij tot genezing moge dienen. Misschien werkt het uit, dat wij van officiële zijde en in de verslagen in de kerkelijke bladen iets meer van het ter jongste zitting verhandelde zullen vernemen.
In terugslag op de kritiek van ds. Wiersma op ons, zou ik willen zeggen: „Deze wens is meer kerkelijk dan partijdig".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's