De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE SYNODE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE SYNODE

7 minuten leestijd

Laat ik mogen beginnen met een correctie aan te brengen in mijn vorig „Uit de Synode." Collega van Galen diende n.l. een motie in om het breed moderamen te verzoeken aan de Prov. Kerkvergadering van Zuid-Holland te vragen om in de zaak Smits te handelen overeenkomstig ord. 11-15-1. Het is u bekend, dat door de zaak Smits en de behandeling van deze zaak heel wat reacties in de kerk zijn gewekt. Ik noem o.a. het schrijven van de kerkeraad van Driebergen en van Veenendaal. De kerkeraad van Veenendaal had hierbij gevraagd om instemming met zijn schrijven en mededeling hiervan aan de generale synode.

Heel wat adhesie-betuigingen zijn binnengekomen. Verder waren er nog ingekomen stukken van classes en kerkeraden over dezelfde zaak.

over dezelfde zaak. Rondom de zaak Smits en ook naar aanleiding van de ingekomen brieven zijn heel wat opmerkingen gemaakt in de synode.

Bij sommigen kwam vooral de pers er niet al te best af. 'Deze zou zelfs onnoemelijk veel kwaad verricht hebben. De zaak zou erg scheef getrokken zijn. Het schrijven van Veenendaal moest het nog even ontgelden, omdat in deze kerkeraad iemand zit die van de besprekingen in de generale synode en ook in het breed moderamen geheel op de hoogte was.

Nu is het waar dat de pers inderdaad veel kwaad kan stichten. De pers kan ook de zaak scheef trekken. Ingezonden en rondgezonden brieven kunnen niet correct zijn. Het is waar, dat iemand niet met de kerkordelijke gang van zaken op de hoogte is en daarom van alles door elkaar haspelt en beschuldigingen uit aan een adres, waar deze beschuldigingen niet moeten zijn.

Best mogelijk dat dit ook wel. door deze of gene in deze zaak is gebeurd. Met de beste wil kan ik echter niet inzien dat de pers inzake prof. dr. Smits onnoemelijk veel kwaad verricht heeft. En wat in het schrijven van de kerkeraad van Veenendaal voor verkeerds zit, ook al gaat dat mee uit van iemand, die van nabij alles heeft meegemaakt, is me niet duidelijk.

Al is een kerkelijke vergadering serieus met iets bezig, al beraadslaagt een breed moderamen lang en met ernst, dan is dit toch beslist nog geen waarborg, dat de zaak, waarover het gaat ook op de juiste wijze wordt behandeld en de goede beslissingen worden genomen, overeenkomstig het Woord Gods en de belijdenis der kerk.

En daar gaat het tenslotte om.

Bij en onder alles ging het toch om het hart van het Evangelie. Daarom kwam de onrust, de beroering, het verzet in de kerk. Laat iemand dan kerkordelijk niet al te best op de hoogte zijn geweest, we zijn dankbaar, dat de kerk in beweging komt, wanneer er uitspraken vallen over het Lam Gods, over het gebed enz., die in strijd zijn met wat Gods kerk, op grond van Gods Woord, de eeuwen door heeft mogen belijden en nog belijdt.

. Wat nu met de brieven, die ingekomen zijn bij de synode? Moet een soort „Witboek" samengesteld worden? 

Het wordt beter geacht, dat aan het moderamen, aangevuld met enkele personen, wordt opgedragen een brief te ontwerpen als antwoord aan de vele schrijvers van verschillende brieven. Dit voorstel wordt aanvaard.

Op de synode is ook breedvoerig gesproken over de aangevulde en gewijzigde nota „Over de belijdenis der kerk en haar handhaving". In ons blad heeft afgedrukt gestaan de lezing, door ds. J. van Sliedregt gehouden op de jaarvergadering van de Geref. Bond, over de functie van de belijdenis en de tuchtoefening. Een en ander is ook in de synode aan de orde gesteld in verband met het jaar 1961. In 1951 werd n.l. besloten dat wel een tuchtprocedure aanhangig kan worden gemaakt, maar dat in de eerste tien jaar geen ontheffing uit het ambt kon volgen. Iemands leer zou wel kunnen worden veroordeeld, maar verder ging de tucht dan niet.

Nu, in 1961 wordt dit anders. Nu kan, na een tuchtprocedure, zonodig wel ontheffing uit een ambt volgen.

We stemmen onmiddellijk toe, dat we hier geen eenvoudige zaak voor ons hebben. Het kan immers niet de bedoeling zijn, dat we een soort inquisitie gaan beginnen. Maar anderzijds kan een leer, die duidelijk in strijd is met Gods Woord, niet worden geduld. Daarbij echter hebben we niet te vergeten, dat in een kerk, waar gedurende zoveel jaren zoveel scheef is gegroeid, met dubbele voorzichtigheid en wijsheid moet worden opgetreden.

De commissie, die in een vorige synode rapport uitbracht over de opgestelde nota, had bij veel waardering, toch een aantal bezwaren.

1. De nota geeft vrijwel nergens een bijbelse fundering en verwijst ook nergens naar de beli|denisgeschriften en liturgische geschriften.

2. De commissie meent een fundamenteel verschil te moeten constateren tus­sen het karakter van de leertucht volgens hoofdstuk IV van ordinantie XI van de 'kerkorde en de tucht zoals die in de nota wordt getekend. In de kerkorde wordt duidelijk onderscheiden tussen opzicht over „belijdenis en wandel" van alle leden der kerk en het opzicht over bediening des Woords en de catechese. Het gaat er in de kerkorde niet om of een lering in het geheel van de christelijke kerk al dan niet een plaats zou mogen hebben maar of deze toelaatbaar is in de Hervormde Kerk. Het karakter van deze kerk is daarbij aan de orde.

3. Wat de nota als geheel betreft, de toon is te aarzelend, te weinig positief. De indruk zou ongetwijfeld gewekt worden, dat de kerk op het punt van de leertucht wel a, maar niet b durft te zeggen, m.a.w. terugschrikt voor de consequenties van haar eigen besluiten.

Na samenspreking met de commissie is een aangevulde en gewijzigde nota ter tafel gekomen. De hoofdlijnen van de nota is gehandhaafd, maar aan de bezwaren is tegemoet gekomen of deze konden bij nadere bespreking vervallen. We mogen zeggen, dat de nu aanvaarde nota wat beslister wijst op de noodzaak om niet alleen a, maar ook b te zeggen.

Persoonlijk zou ik graag gezien hebben dat in een nota, die over deze zeer belangrijke zaken gaat duidelijk en eenvoudig wordt uiteengezet wat de belijdenis- is in de kerk, hoe deze behoort te functioneren, terwijl een beroep steeds openstaat op het Woord Gods, om dan van daaruit de lijnen te trekken voor het opzicht en de tucht over prediking, catechese en der ambtsdragers.

Het gaat er om, dat de lastering van Gods Naam worde geweerd en Zijn eer worde bevorderd. Het gaat om het bewaren van de leer die naar de godzaligheid is. Het gaat om het welzijn in deze weg van kerk en volk.

Persoonlijk stelde ik voor om deze gewijzigde nota de kerk aan te bieden als een bezinning over de belijdenis der kerk en haar handhaving en er op aan te dringen, dat vooral ook de classicale vergaderingen deze nota ernstig bespreken en haar reacties aan de synode kenbaar maken.

We gaan nu hier niet de hele bespreking over de nota weergeven, zoals deze ter synode plaats vond, met lof en bezwaren van deze nota. We gaan deze nota nu ook niet behandelen. Mogelijk kan dit in de toekomst nog eens gebeuren. Maar wel willen we er op aandringen, dat deze nota, die de kerk ingaat, worde besproken in onze classes, en dat de meningen hierover ook werkelijk worde doorgezonden aan de synode.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE SYNODE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's