De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VOORTBESTAAN NA DE DOOD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VOORTBESTAAN NA DE DOOD

7 minuten leestijd

2

De vorige keer hebben wij gezien, dat naast de streng materialistische opvatting, dat de mens geheel en al door het stoffelijke bepaald wordt anderen poneerden, dat met de dood niet alles afgelopen is, maar de mens op één of andere manier voortbestaat. Hier willen wij nu iets dieper op ingaan. Wij mogen dan wel zeggen, dat deze opvatting vrijwel zo oud is als de wereld. Er blijkt zolang de geschiedenis der mensheid er is bij zeer velen het ontuitroeibaar protest aanwezig te zijn tegen de totale vernietiging van het leven. Buiten de christelijke religie, zoals wij die mogen kennen uit Godsopenbaring in het O.T. en N.T., zijn er allerlei godsdiensten geweest (en zijn er nog), die een verklaring hebben gegeven van het lot van de mens na zijn sterven. De gedachte van de onsterfelijkheid is zeer verbreid. Vandaar dat men (zelfs van christelijke zijde) gepoogd heeft, verschillende bewijzen te leveren van de onsterfelijkheid van de mens.

Allereerst kwam men dan met het ontologisch bewijs. Dit poogt uit de idee der onsterfelijkheid tot haar werkelijkheid te besluiten. Men vraagt: als er toch géén onsterfelijkheid ware, hoe komt het dan dat de mens zulk een diep ingeworteld besef er van in zich omdraagt? Omdat dit opgedrongen wordt (zo beweerde men) door de eigen natuur van de mens.

In de tweede plaats kwam men met het z.g. metaphysisch bewijs. Van hieruit probeert men aan te tonen, dat de natuur der ziel onsterfelijk is. De ziel in identiek met het leven. Daarom is zij onaantastbaar voor de dood.

Als derde bewijs gold het argument, dat de mens een ander (hoger) soort zieleleven blijkt te bezitten dan de dieren en de planten. Dit hogere is dan ook onsterfelijk (anthropologisch bewijs).

Verder zijn er dan nog het teleologisch en morele bewijs. Het eerste komt naar voren in de bewering, dat vele gaven en talenten door een vroegtijdige dood of andere belemmeringen niet tot ontplooiing kunnen komen, terwijl zij toch ontwikkeld moeten worden. Daaruit postuleert men dan een hiernamaals.

Het morele bewijs ziet de spanning, die er is tussen deugd en lot in de wereld. Vele goede mensen hebben een verschrikkelijk moeilijk leven gehad, terwijl het allerlei booswichten steeds voor de wind ging. Er moet een hiernamaals zijn om dat kromme recht te buigen en een ieder te vergelden naar zijn werken. We haalden in het vorig artikel de wijsgeer Kant even aan, die deze mening óók was toegedaan. Hoewel dit laatste zeer dicht in de buurt van de Heilige Schrift komt (immers, hier wordt een norm verondersteld van goed en kwaad) heeft de bijbelse theologie zich nooit gelukkig gevoeld met deze bewijzen. Hier wordt immers buiten de Schrift om geredeneerd? ! Hoezeer wij hier het woord uit Prediker 3 : 11 verwerkelijkt zien, uiteindelijk vindt er in al deze theorieën een ontsporing plaats, waardoor de kloof met Gods openbaring groter wordt.

Dit geldt ook van het zgn. Platonisme. Plato (Grieks wijsgeer, die leefde van 427-347 V. Chr.) leerde de onsterfelijkheid van de ziel. Maar, hoe deed hij dat? Met verachting van het lichaam. Het lichaam was in vergelijking met de ziel iets minderwaardigs. Het was de gevangenis, de ijzeren kooi, waarin de schone (goddelijke) ziel was opgesloten, en van haar krachten beroofd. Dit Platonisme heeft vele eeuwen in de kerk diep wortel geschoten. Velen zijn er ook nu nog door beïnvloed. Het is dan ook geen wonder, dat verschillende theologen daar fel tegen gestreden hebben. Maar, een reactie gaat meestal te ver. Zo ook hier. Doordat men deze wijsgerige beschouwing van lichaam en ziel a.h.w. met wortel en tak wilde uitroeien, kwam men tot de uitspraak, dat er helemaal geen persoonlijke onsterfelijkheid van de mens bestaat. Men accentueerde zó de éénheid van lichaam en ziel, dat deze onder géén voorwaarde gescheiden konden worden. Wanneer het lichaam sterft, is ook de ziel er niet meer. De leer van de onsterfelijkheid der ziel acht men in strijd met het christelijk geloof, omdat men er een nawerking in bespeurt van de idee der ziel als iets goddelijks. God heeft de mens niet geschapen met een sterfelijk en onsterfelijk deel, zegt men. De gehele mens stond onder de dreiging van de dood, dus ook zijn ziel. Zo zegt de Duitse theoloog Paul Althans 1), dat de leer van de persoonlijke onsterfelijkheid een miskennen van de dood als gericht van God over de gehele mens is. De mens wordt volgens hem zo uit elkaar getrokken en zijn lichaam valt slechts onder het oordeel. In ons land is het wijlen prof. dr. G. v. d. Leeuw geweest, die tegen de leer van de onsterfelijkheid gefulmineerd heeft. Hij stelt de kwestie zo scherp, dat hij zijn (in 1936) uitgegeven boek de dilemmatische titel gaf: Onsterfelijkheid of Opstanding.

Volgens prof. Van der Leeuw kunnen de leer van de onsterfelijkheid der ziel en de leer van de opstanding op de jongste dag niet samengaan. Het eerste is (volgens hem) een gedachte van heidense oorsprong, het tweede is christelijk.

Ook vele protestanten van onze tijd zien in de onsterfelijkheid van de ziel een onchristelijke, onbijbelse stelling. De Bijbel zou leren, dat met het lichaam de ziel sterft, dat de dood dus het einde is van het bewust persoonlijk voortbestaan, dat weer een aanvang neemt bij de opstanding. Deze ziet men dan onmiddellijk als een herschepping, ja als een nieuwe schepping. Zo schrijft prof. dr. G. C. van Niftrik: „Het Protestantisme leeft nog voor een groot deel onder de ban van een dualistische metaphysica, waarin het onder alle volken aanwezige primitieve, animistische denken zijn wijsgerige uitdrukking gevonden heeft 2).

Maar volgens hem is de dood „restloze ondergang" en komt straks (bij de opstanding) de volkomen vernieuwing. „Onze identiteit wordt bewaard door de dood heen in de Hef de Gods, in het genaderijke oordeel Gods" 3).

Wat moeten wij hierop zeggen? Om te beginnen moeten wij toegeven, dat inderdaad onder ons, protestanten (net zoals bij R. Katholieken) te veel geschermd is met de term „onsterfelijke ziel". Daardoor werd het heil te individualistisch gedacht en verloor men de gemeenschap uit het oog. Maar vooral raakte men daardoor het uitzicht op het komend Koninkrijk Gods (op deze aarde) kwijt. Theologisch uitgedrukt: De eschatologie raakte uit het gezichtsveld. In de Bijbel gaat het niet in de eerste plaats om „de zalige ziel", maar om de grootheid en heerlijkheid Gods, die straks in al zijn volheid en heerlijkheid geopenbaard zal worden, wanneer er een herschapen mensheid naar lichaam en ziel de Drieënige God zal verheerlijken. Daar is alles in de H. Schrift op toegespitst. Het gaat om het volledig mens-zijn voor God. Het lichaam is daarbij onontbeerlijk. Wie het lichaam als iets minderwaardigs of zelfs als iets hinderlijks ziet, is inderdaad in Griekse wijsgerige wateren terecht gekomen. Dat in het lichaam de zonde diepe sporen heeft getrokken kan en mag niet ontkend worden, maar dat heeft zij evenzeer in de ziel van de mens. Daarom vormen ziel en lichaam samen de menselijke natuur. De strijd, die het christelijk leven kenmerkt is niet die van de ziel tegen het lichaam, maar van de verloste mens tegen het onverloste in hem. De Heilige Geest sterkt de nieuwe mens, die de strevingen van de oude mens moet overheersen. Zo komt er ook eschatologische spanning in het leven, het uitzien naar de grote dag van Christus' wederkomst. Paulus geeft deze treffend weer in Romeinen 8 : 23, waar hij het wel degelijk over de verlossing van het lichaam heeft. Het gaat om de redding van de mens en niet alleen maar over het behoud van de ziel. Daarom is de term „onsterfelijke ziel" een wat eigenaardige. We komen die nergens in de H. Schrift tegen. Wél wordt gezegd, dat alleen God' onsterfelijkheid heeft (1 Tim. 6 : 16). Eenmaal zal echter het sterfelijke van de mens onsterfelijkheid aandoen. Maar dat ligt nog in de toekomst. En dan pas kan gezegd worden: de dood is verslonden tot overwinning. (1 Kor. 15 : 53, 54).

Hebben dan zij geen gelijk, die zeggen, dat wanneer het lichaam dood is, de ziel ook gestorven is? Kortom, die elk voortbestaan na de dood ontkennen? Nee, wij kunnen met de hand op de Heilige Schrift volhouden, dat er toch een bepaalde continuïteit is. Wij hopen dit een volgende keer aan te tonen.


1) P. Althans, „Die letzten Dinge", 1933.

2) G. C. van Niftrik, „Zie de mens", blz. 281.

3) G. C. van Niftrik, „Kleine Dogmatiek", 3e druk, blz. 268.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET VOORTBESTAAN NA DE DOOD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's