De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

8 minuten leestijd

Reeds herhaalde malen zijn er in de kerkelijke pers bezwaren naar voren gebracht tegen de publicatie-methode van de leiding der Herv. Kerk. Onlangs schreef prof. v. Itterzon er nog over in het Hervormd Weekblad, in het nummer van 22 juni komt ds. Groene woud er nog eens op terug. Volgens hem gaat het niet aan om de gemeenten te verwijten dat er een gebrek is aan medeleven met het kerkelijk gebeuren in de Herv. Kerk; de schuld ligt ook bij hen die een verkeerde publiciteitspolitiek voeren en de gemeente de kennis onthouden van wat zij behoort te weten. Ds. Ruitenberg tracht wel dit publiciteits-beleid van de kerk te verdedigen door te zeggen, dat de kerk op een andere oordeelsvorming aanstuurt dan een politiek lichaam, maar ds. Groenewoud begrijpt dit toch niet helemaal; hij is zelfs geneigd de zaak om te keren:

Maar we zouden wat ds. Ruitenberg beweert ook kunnen omkeren en zeggen: geheel deze manier van publiciteit lijkt zeer veel op een politieke manier van doen en op een door en door politieke oordeelsvorming, te weten van het kerkvolk.

Bij de officiële kerkelijke berichtgeving worden sommige dingen verzwegen, andere naar voren gebracht, ook gebeurtenissen in een bepaald licht gesteld, met het doel het kerkvolk in een bepaalde richting te leiden. Op deze manier wordt de kerkelijke publiciteit een middel in de hand van een bepaalde partij om het eigen inzicht aan het kerkvolk op te leggen, en het oordeel van dit kerkvolk te vormen, d.w.z. naar de hand van deze groep te zetten. Dit is meer een politieke dan een kerkelijke manier van doen. Er zijn vele argumenten tegen aan te. voeren. Enkele er van noem ik hier in de vorm van vragen: Slaat men het kerkvolk niet te laag aan? Geeft men op deze manier niet uiting aan wantrouwen tegenover de andere kerkelijke pers? Plaatst men zichzelf niet te hoog? Vertrouwt men wel op het werk van Christus en de Heilige Geest in de gemeente? Is dit niet een vorm van verwereldlijking? Is het geen partij-overheersing? Geeft het niet iets krampachtigs en benepens aan het blad waardoor het de grote allure van de vrijheid, de openheid, de ruimheid mist?

Als we zo wel eens wat rondsnuffelen in, De Saambinder het weekblad der Gereformeerde Gemeenten, dan kunnen we ons meerdere malen niet aan de indruk onttrekken, dat de inhoud er van soms niet zozeer gericht is op het onderwijzen van de lezers dan wel op het behagen van hen. We missen er zo in de voorlichting, gebaseerd op gedegen studie en in plaats daarvan krijgen we een serie gemeenplaatsen en een te pas, maar ook dan wel eens te onpas zomaar neerschrijven van waarheden. Die indruk kregen we ook weer toen we in het nummer van 8 juni de brief lazen van ds. Hegeman uit Amerika:

Het is vandaag „Memorial Holiday" in Amerika, Dit is een dag van herdenking van degenen, die gevallen zijn in de oorlogen, die er geweest zijn. Dit Is een algemene herdenkingsdag, en dat is niet af te keuren. Maar het zal een weldaad zijn als er eens een herdenking mag zijn van onze val in Adams bondsbreuk. Daar horen we zo heel weinig van in onze dagen. Neen, daar willen we niet aan. Alles wordt gedaan om dat maar weg te werken en te verzachten.

Eerlijk gezegd hopen we maar dat de dominee niet binnen afzienbare tijd getuige zal zijn van de onthulling van één of ander monument voor de gevallenen in de wereldoorlogen. Je weet maar nooit waar begripsverwarring nog toe leiden kan.

Het besluit van de vrijgemaakte synode te Assen, om namelijk geen deputaten der synodalen tot een samenspreking te ontvangen, heeft al heel wat pennen in beweging gebracht. In De Wekker van 16 juni gaat ds. Velema vooral in op de motivering van dit besluit:

Het is een diep-bedroevende, ontstellende motivering. Er klinkt in deze motivering een toon van kerkelijke hoogmoed, gespeend aan alle ootmoed, die in Christus' Kerk verwacht mag worden; er is geen greintje liefde in de motivering te ontdekken. Wat een strakheid en hardheid. Wat staat een dergelijke motivering buiten de werkelijkheid van de huidige kerkelijke situatie. Het is de geest van kerkelijk exclusivisme, die bedenkelijk dicht nadert tot „afgoderij met de kerk bedrijven".

Prof. Kamphuis laat dit echter in De Reformatie van 24 juni niet op zich zitten. Hij wil van ds. Velema weten waar de synode van Assen de indruk gewekt heeft uit te gaan van de gedachte dat alleen de vrijgemaakten maar kerk zijn:

We zagen dat graag nauwkeurig en precies aangegeven. We verwachten dit ook van ds. Velema, want hij heeft maar niet alleen voor zichzelf een „indruk", die hij nog toetsen moet; neen, hij geeft die indruk dóór en is dus wèl-verzekerd van zijn zaak. Dus kan hij zijn aanklacht ook waar maken en aantonen: daar en daar „zit" het in die „overwegingen" van Assen. We menen de maat van de bescheidenheid niet te-buiten te gaan, wanneer we stellen, dat, indien het de christelijke gereformeerde broeders ernst er mee is, dat zij de noodzakelijkheid van vereniging met elke op Gods Woord gegronde vergadering erkennen en doorvoelen, zij van onbewezen aanklachten zich minstens dienen te onthouden. Zijn die aanklachten eenmaal neergeschreven, dan dienen onze christelijke gereformeerde broeders ze of waar te maken of terug te nemen. Mogen we De Wekker om bewijs vragen? Dan zullen wij onzerzijds ook ingaan op wat ds. Velema meent, dat wij minstens dienen te verdisconteren. Maar éérst zijn zijn aanklachten aan het adres van die vergadering van (bijkans) afgoden-dienaars aan de orde.

Overigens kan ds. Velema zich troosten met de overweging dat hij zich met al zijn misvattingen in goed gezelschap bevindt. Immers prof. H. J. Jager, zelf ook tot de vrijgemaakten behorende, schrijft naar aanleiding van het door zijn synode genomen besluit in „Opbouw" o.a, :

Verder is mij opgevallen, dat men wel wat boven de maat in de Vrijmaking roemt... Dat in de Vrijmaking de genade des Heren werkzaam was ontken ik niet. Maar men spreekt mij al te vlot van reformatie en verlossing en wederkeer tot het Woord. Als ik eerlijk ben dan moet ik zeggen, dat ik bij velen van deze wederkeer weinig bemerk... Men schijnt de Vrijmaking soms te vergelijken met de uittocht uit Egypte en waarschuwt dan om niet naar de vleespotten van Egypte terug te keren. Dit is mij allemaal te kras. Of de Here in 1944 reformatie gegeven heeft zal de toekomst moeten leren. Dat wij waarlijk tot het Woord Gods zijn teruggekeerd, moeten we maar niet te vlot zeggen... Ik mis in de besprekingen en in het besluit maar al te veel de ootmoed, die het eerste en het tweede en het derde kenmerk van de kerk des Heren is.

Helaas hebben deze wijze en bezadigde woorden van prof. Jager niet alom, ingang gevonden. In de Persschouw van de Reformatie van 1 juh stuift men op de bekende wijze af op deze uitlatingen van prof. Jager en zal men eens even vertellen hoe het nu precies zit. Men is daar nu zo ver, dat men nauwkeurig weet welk het oordeel van de Heere Zelf is over.de vrijmaking in de 20ste eeuw;

Ik denk zo, dat prof. Jager wat in de 16de eeuw geschiedde, ondanks de gebreken, die eraan kleefden, toch wel een reformatie noemt, en ervan erkent, dat het uit God was. Ik kan me moeilijk voorstellen, dat hij ook t.a.v. de hervorming in de 16de eeuw het dilemma: was ze uit God dan wel uit de mensen, afwijst. Waarom dan wel t.a.v. de vrijmaking?

Van Mozes zegt de Heilige Geest in Hebr. 3, dat hij getrouw was in geheel zijn huis. Had Mozes geen gebreken? Helaas wel. We kennen ze uit de Schrift. Maar het samenvattend oordeel van de Heilige Geest over zijn arbeid was, dat hij getrouw was in geheel zijn huis. Zo zeg ik met de vrijmoedigheid des geloofs (zie o.a. Psalm 26), dat het samenvattend oordeel van de Heere over de reformatie in de 16de eeuw, en over de afscheiding en de doleantie in de 19de eeuw, en over de vrijmaking in de 20ste eeuw, is, dat ze uit God zijn.

Op dit punt blijven er dus geen vragen meer over; men is er. Overigens staat men verbaasd over zulk een simplistisch en rechtlijnig denken. Om nu maar eens één ding te noemen: zou nu bij deze mensen nooit eens de vraag opkomen waar nu het opvallende verschil uit te verklaren is tussen uittocht uit Egypte en reformatie in de 16de eeuw enerzijds, en afscheiding, doleantie en vrijmaking anderzijds? We kunnen immers op grond van de feiten zeggen, dat de uittocht en de reformatie radicaal en totaal was; we mogen er van zeggen, dat er niets achterbleef. Maar van de afscheiding enz. zal men dat toch misschien zo niet willen zeggen. Of zouden wij feitelijk maar op één hoop gegooid worden met Egyptenaren en Roomsen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's