De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONTZETTING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONTZETTING

10 minuten leestijd

Paulus' eerste prediking, in de synagoge te Damascus gehouden, heeft tot thema gehad, dat Jezus de Zoon van God is. Als wij daarop letten, dan blijkt het, dat Paulus aan de Joden verkondigd heeft, wat hij nabij Damascus gehoord en gezien had. Hij heeft er mee in praktijk gebracht wat naar Gods raad, hem door bemiddeling van Ananias bekend gemaakt, het doel van zijn leven wezen zou, namelijk getuige-zijn van hetgeen hij had mogen ondervinden, toen de Heere zelf hem tot stilstand had gebracht. Bij die gelegenheid was het hem wel op een overmachtige manier duidelijk gemaakt, dat Jezus de Zoon van God is. Hij had de glans van Zijn hemelse majesteit met eigen ogen gezien, toen het licht hem plotseling omscheen. En hij had de stem des Heeren met eigen oren gehoord, toen hem op zijn vraag, wie die Heere was, die Zich aan hem in zulk een heerlijkheid openbaarde, geantwoord werd: „Ik ben Jezus, die gij vervolgt". Dat Jezus de Zoon van God is, Paulus had dat uit eigen ervaring leren inzien. De Heere zelf had Zich als zodanig aan hem te.kennen gegeven.

In Handelingen 9 vers 21 verhaalt Lukas ons nu, wat de reactie geweest is van die Joden, die in de synagogen van Damascus deze prediking van Paulus, dat Jezus de Zoon van God is, gehoord hebben. Hij zegt immers van hen: „en zij ontzetten zich allen".

Daaruit mogen wij wel opmaken, dat de Joodse kolonie te Damascus voor het grootste gedeelte er door buiten zichzelf geraakt is. De indruk, die dit optreden van Paulus als een heraut op hen gemaakt heeft, was van die aard, dat zij er door buiten de normale toestand kwamen, en dat zij bij het horen van wat hij hun te zeggen had over Jezus overstelpt werden door gemoedsbewegingen, die typerend zijn voor mensen, die opeens voor wonderlijke en onbegrijpelijke gebeurtenissen geplaatst worden. De prediking van Paulus, met zo veel gezag gebracht, verwarde hen geheel en al, en deed hen uitzinnig worden. Zij werden er door met verbazing vervuld.

De vraag kan gesteld worden, om welke reden de prediking van Paulus, dat Jezus de Zoon van God is, zulk een grote ontzetting veroorzaakt heeft onder de Joden, die te Damascus woonden. Was dit dan zo iets bijzonders?

Om op deze vraag een antwoord te bekomen, dat ons hun ontzetting nader verklaart, is het goed, dat wij ons herinneren, dat de Heere Jezus in de nacht van het verraad door het sanhedrin der Joden ter dood veroordeeld is, omdat Hij toegestemd had de Zoon Gods te zijn. De Evangelisten delen ons dat eenparig mede. Nadat het mislukt was de Heere door valse getuigen van enig kwaad te beschuldigen, daar zij (elkankrachting??) van de Wet Gods zou geweest zijn, wanneer op grond van die getuigenissen het oordeel uitgesproken was, had Kajafas met een beroep op zijn recht als hogepriester, rechter en geestelijk leider van het volk, een laatste poging gedaan om de waarheid te vernemen over de Messiaanse aanspraken van Jezus. Hij had Hem ronduit gevraagd, of Hij de Christus, de Zoon des Gezegenden, was. En Jezus had hem daarop gezegd: „Ik ben het". Ja, Hij had er zelfs nog aan toegevoegd, met een aanhaling uit Psalm 110 en Daniël 7: „En gijlieden zult de Zoon des mensen zien zitten ter rechterhand der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels" — daarbij kennelijk doelend op Zijn bijzondere verhouding tot God en Zijn komst als Rechter over levenden en doden.

Na die woorden van Jezus had de hogepriester zijn klederen gescheurd. Dat was hem eigenlijk niet geoorloofd. Een dergelijk teken van rouw mocht hij der tegenspraken, en het dus een (verniet??) eens tonen, wanneer zijn eigen familieleden hem door de dood ontrukt werden. Alleen bij het vernemen van Godslastering was het hem toegestaan. En dat Kajafas het daarom deed, heeft hij zelf betuigd, toen hij tot het sanhedrin sprak: „Wat hebben wij nog getuigen van node? Gij hebt de Godslastering gehoord. Wat dunkt ulieden? "

De ganse Joodse raad had vervolgens de Heere veroordeeld, zeker menend, dat Hij des doods schuldig was, omdat Hij gedaan zou hebben wat de Wet Gods in Leviticus 24 vers 16 met de dood gestraft wilde zien. In dat vers uit Leviticus wordt toch het volk Israël geboden te doden wie de Naam des HEEREN gelasterd heeft. (Marcus 14 vers 61-64 en par.).

Dat Jezus van zichzelf beleden had de Zoon Gods te zijn, was derhalve als een ernstige vorm van lastering van Gods Naam beschouwd. De verharde Joden hadden Hem niet als Gods Zoon willen erkennen. Deze belijdenis was hun een ergernis en een aanstoot geweest. Hier waren zij over gevallen. En zij hadden gedacht zich nog getrouw aan het Woord van God te houden ook, toen zij Jezus schuldig verklaarden en Hem over wilden geven aan de dood.

Omdat hun het geloof in Hem ontbroken had, daarom hadden zij in Jezus een Godslasteraar gezien, een mens, die zich vergreep aan de eer, de majesteit en de heiligheid des HEEREN, toen hij bekende de Christus, de Zoon Gods, te zijn. Naar hun inzicht had Hij zichzelf Gode evengelijk gemaakt. En zo hadden zij Hem, in hun verblinding ten opzichte van Zijn Persoon, de zonde van Adam toegerekend. Als wij deze kern van het proces van de Heere Jezus vasthouden, dan wordt het ons verklaarbaar, waarom de Joden, die in de synagogen van Damascus Paulus openlijk hebben horen verzekeren, dat Jezus de Zoon van God is, buiten zichzelf geraakt zijn van verbazing. Wat hij in zijn prediking van Jezus beweerde, dat stuitte op dezelfde afkerigheid als waarop het eigen getuigenis des Heeren gebotst was, toen Hij voor het sanhedrin stond.

De ontzetting van de Joden te Damascus is naar haar wezen niets anders dan een echo van wat Kajafas uitriep, toen hij zijn klederen scheurde. Paulus predikte van Jezus, dat Hij Gods Zoon is. En dat scheen hun toe Godslastering te zijn.

Het is in dit verband wellicht niet overbodig er zijdelings opmerkzaam op te maken, dat J. Bonsirven in zijn studie „Le Judaïsme Palestinien" betoogd heeft, dat" de Joodse theologie van die dagen niet volkomen eenstemmig was in haar opvattingen betreffende de „natuur" van de Messias, die komen zou. Daar zijn geschriften, uit deze periode stammend, die in aansluiting aan de Messiaanse profetieën van het Oude Testament de Messias als een Goddelijk wezen tekenen. Een groot deel van de literatuur, die ons bewaard gebleven is, schetst Hem daarentegen als. een louter menselijke figuur, een gestalte zonder enig Goddelijk aureool.

En een nauwkeurig onderzoek van wat in de handschriften, die sedert 1947 in de omgeving va: n de Dode Zee gevonden zijn, en die naar het gevoelen van bijkans alle geleerden toegeschreven moeten worden aan de Essenen, hierover gezegd wordt, geeft te zien, dat ook in die kringen, waaruit zij voortgekomen zijn, de Messiassen — men verwachtte er daar twee — als gewone, menselijke wezens gedacht werden, die alleen daarom van buitengewoon belang zouden zijn, omdat zij in de eindtijd door God gebruikt zouden worden om Zijn volk te verlossen en Zijn heil te brengen. Prof. van der Woude heeft dat in zijn proefschrift, in 1957 te Groningen verdedigd, dat de Messiaanse voorstellingen van de gemeente van Qumran onder de loupe neemt, helder uiteengezet en met de stukken aangetoond.

Dit alles moge dienen tot verheldering van die ontzetting, waarmede de Joden

van Damascus zich ontzet hebben, toen Paulus hun Jezus als de Zoon Gods voorstelde.

Het verging hun, zoals het Paulus zelf vergaan was in vroeger dagen. Gelijk hij het later uitgedrukt heeft, had hij destijds mede een welbehagen gehad in de dood van Stephanus, omdat naar zijn gedachten Stephanus, de getuige van Jezus Christus, die vlak voor de dood de heerlijkheid Gods aanschouwd had, en die geroepen had, dat hij Jezus aan Gods rechterhand had zien staan, zich schuldig gemaakt had aan Godslastering. Zo kwam Paulus, terstond bij zijn eerste prediking al, voor zijn eigen verleden te staan. Een verleden, waarmede Christus hem had leren breken, en dat hij voor goed de rug had toegekeerd. Maar dan toch een verleden, waarin hij, zoals wij vroeger al ontdekt hebben, in heilige overtuiging gemeend had tegen de Naam van Jezus, de Nazoreeër, vele wederpartijdige dingen te moeten doen, omdat er zijns inziens de inzettingen der vaderen door aangerand werden.

De ontzetting, die Paulus' prediking bij de Joden teweegbracht, heeft zich ook in woorden geuit. Wat deze Joden uit Damascus er van dachten, hebben zij niet nagelaten tot elkander te zeggen. Naar luid van hetgeen Lukas ons daarvan overlevert, hebben zij zich in hun ontzetting afgevraagd: „Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde wie deze Naam (nl. van Jezus) aanriepen en die daarom hier gekomen is, opdat hij hen gebonden zou brengen tot de overpriesters? " Dit hebben zij niet met elkaar kunnen rijmen. Zij stonden als voor een raadsel. Een Paulus, die predikte, dat Jezus de Zoon van God is, was dat dezelfde Paulus als die eertijds al het mogelijke gedaan had om de belijders van Jezus' Naam te vernietigen, en die volgens de geruchten daartoe naar Damascus gekomen was, dat hij volbrengen zou waartoe hij eens brieven van het sanhedrin begeerd had? De vraag, die zij aan elkaar gesteld hebben, is een vraag, waarin tot uiting komt, hoezeer de persoon van Paulus hen in verlegenheid gebracht heeft. Zijn heden konden zij niet in overeenstemming brengen met zijn verleden. Een gans andere Paulus stond er voor hen in de synagogen dan zij zich ooit hadden kunnen voorstellen.

Wij kunnen ons wel enigszins indenken, wat de uitwerking van deze vraag der Joden en van de ontzetting die over hen gekomen was, op Paulus geweest moet zijn. Wie aan zijn verleden herinnerd wordt, pijnlijk herinnerd wordt, aangezien dat verleden zo geheel anders is dan het heden, die wordt bedreigd door moedeloosheid. Die persoonlijke verandering kan hem nog een sta-in-de-weg zijn voor de voortgang van het Evangelie. Wat heeft een Augustinus al niet een smaad moeten doorstaan, toen hij, wiens verleden verre van smetteloos was, tot bisschop van Hippo gekozen werd! Zijn z'n „Confessiones" niet ontstaan uit de behoefte voor ieders aangezicht rekenschap te geven van de geweldige ommekeer die zich in zijn leven voltrokken had?

Als Paulus predikt, dat Jezus Gods Zoon is, dan ontstaat er ontzetting bij de Joodse hoorders. Nog meer. Dan is het óók zo, dat Paulus zelf meer over de tong gaat dan dat er aandacht geschonken wordt aan hetgeen hij in Gods opdracht te verkondigen heeft. De Joden houden zich meer bezig met het raadsel van de persoon van Paulus dan met de zaak, waarvoor hij in de synagogen opkomt. Zij praten meer over Paulus dan over zijn prediking. Neem maar aan, dat dat zeer ontmoedigend voor Paulus geweest is. Vandaar dat het zulk een kostelijk bericht van Lukas is, dat hij in Handelingen 9 vers 22 schrijven kon: „Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damascus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is".

Paulus is niet bij de pakken neer gaan zitten. Alles wat van zijn persoon gezegd werd, heeft hem niet de mond gesnoerd en de kracht ontnomen. God heeft er in Zijn genade voor gezorgd, dat hij de energie, de geestelijke energie en dynamiek ontving, die hij van node had. Hij heeft hem versterkt. Bekrachtigd. Bekwaam gemaakt. Toegerust. En hem geestelijk gegeven, wat hij behoefde. Die werking Gods is niet verborgen gebleven. De vruchten daarvan kwamen aan het licht: Paulus heeft de Joden beschaamd kunnen doen staan, ze kunnen verwarren, als hij, zoals er in het Grieks eigenlijk staat, door samenvoeging en vergelijking bewijzen kon, dat Jezus is de Christus. En wat wil dat anders zeggen dan dat Paulus Gods Woord heeft mogen aanwenden in zijn prediking tot de Joden op zodanige wijze, dat hij niet te wederstaan was?

Niet te wederstaan, omdat God zélf hem daartoe de kracht gaf?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONTZETTING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's