Uit het Nieuwe Testament
1 Thess. 4 vers 13-18, (3)
29
De vorige maal zagen wij dus, dat de apostel schreef, dat men in de gemeente van Thessalonica niet over de gestorven gelovigen moest treuren, als de anderen, die geen hoop hebben. Want voor de gemeente was er wél hoop. Reeds wezen wij erop, dat zij dat kon weten. Zij had toch de prediking van de apostel gehoord, dus wist zij van de opstanding van Christus en van de vruchten daarvan. En één van die vruchten was toch ook, dat het sterven van hun gelovige medeleden geen hopeloze zaak was. In het woord „ontslapen", dat Paulus in vers 13 voor dit sterven gebruikt, lag deze gedachte reeds opgesloten.
Maar wij zagen tevens, dat de apostel in dit ganse Schriftgedeelte bedoelt met nadruk op dit feit te wijzen. Door de opstanding van Christus is de dood voor de Zijnen een doorgang tot de grote Morgen!
En zo zet Paulus in dit gedeelte dus nader uiteen, waarin de heerlijkheid van die grote Morgen zal bestaan. In vers 14 schrijft hij reeds iets daarover. Doch ook in dit vers blijkt, dat hij duidelijk wil laten uitkomen, dat daar niets met zekerheid over die heerlijkheid te zeggen, zou zijn, als daar niet was het feit van en het geloof in de opstanding van Christus!
Wat nu dit vers betreft: stylistisch is het eigenlijk niet zuiver; de zin loopt niet. Zou de zin stylistisch wel zuiver zijn, dan moesten de twee gedeelten, waaruit ze bestaat, op elkaar corresponderen. En ze zou moeten luiden: „Indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, alzo zullen wij ook geloven dat God de ontslapenen, in Jezus zal wederbrengen met Hem"; óf: „Indien Jezus gestorven en opgestaan is, alzo zal God ook de ontslapenen in Hem wederbrengen met Hem."
Maar de apostel heeft stellig met opzet deze zin gebouwd, zoals- die nu voor ons ligt. Immers had hij de zin geschreven op de eerste, door ons aangegeven, wijze, dan had hij datgene, wat hij hier met grote zekerheid wilde stellen, te zwak gezegd, n.l., de opstanding der ontslapenen. Om dit laatste boven alle twijfel te verheffen, schrijft hij niet: „wij geloven, dat God hen zal wederbrengen", doch: „God zal hen wederbrengen."
En, had hij de zin geschreven op de tweede, door ons aangegeven wijze, dan zou hij hier toch te weinig de grote betekenis van het geloof in de opstanding benadrukt hebben. En dat moest hier toch. De gemeente kon immers alleen getroost zijn, niet alleen, omdat daar het feit van de opstanding van Christus was, doch ook omdat zij dat geloofde! Daarom spreekt hij stellig in het eerste gedeelte van dit vers ook over dat geloof en formuleert hij: „Indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan."
Intussen, enkele andere dingen zijn in het eerste gedeelte van dit vers opmerkelijk en ook voor ons van belang.
Een fijn trekje is b.v., dat Paulus hier niet spreekt over de Christus, wat hij verder op wél doet, doch over Jezus. Natuurlijk bedoelt hij steeds Dezelfde! Doch, voelen wij, dat het hier juist gaat om wat die Christus in Zijn menselijke natuur én in Zijn vernedering op aarde heeft doorgemaakt? En dat het daarom zon fijn trekje is, dat de apostel hier de naam Jezus gebruikt? Die naam toch moest Hem gegeven worden, juist, toen Hij die menselijke natuur aannam en Zijn weg begon van de kribbe naar het kruis!
En dan is daar een ander fijn trekje, n.l. dat Paulus hier spreekt van het sterven van de Christus, 't Is wel duidelijk, dat het hem in dit verband vooral gaat' om de opstanding van die Christus. Doch deze opstanding krijgt haar bijzondere betekenis juist ook door het sterven, dat daaraan vooraf gaat. En wij begrijpen, dat de apostel ook hier dat sterven noemt.
Maar, het mag onze aandacht niet ontgaan, dat er iets fijns in zit, dat Paulus juist hier spreekt van het sterven van Jezus. Het sterven der gelovigen kon de apostel een ontslapen noemen. Immers, de verschrikking was uit dat sterven weggenomen. Doch gold dit ook van het sterven van Christus? Wij weten het antwoord. Waar het ganse menselijke geslacht vanwege de zonde onder het oordeel des doods lag en elke mogelijkheid tot verlossing was afgesneden, was deze Christus toch van God gezonden, om voor allen, die Hem van eeuwigheid gegeven waren, de weg tot verlossing weer open te breken en Zelf die weg te zijn! Doch daarom moest Hij ook, als Borg, het volle oordeel op de zonde, ook het oordeel des doods, dragen. Vandaar, dat van Zijn sterven de verschrikking niet was weggenomen. Integendeel. Zijn dood was een zeer vreselijke. Wie heeft de last van Gods toorn gedragen en wie is door de angsten der hel heengegaan, als Hij? En wie heeft doorvoeld, wat sterven is, als Hij?
Zeker, uiteindelijk heeft Christus aan het kruis, nadat Hij Zijn: „Het is volbracht" had uitgeroepen, als Overwinnaar Zijn geest bevolen in de handen van Zijn Vader. Doch natuurlijk moeten wij Zijn sterven ook nemen in bredere zin; — in de zin van, heel Zijn lijden, met name aan het kruis! En dan verstaan wij ook, dat het een fijn trekje is en diepe zin heeft, dat de apostel in tegenstelling met het ontslapen van de gelovigen hier spreekt van het sterven van Jezus. Boven Christus' ruw houten doodsbed klonk eerst geen hemelse muziek; rondom Zijn kruis waren wolken en donkerheid!
Vooral de opstanding van Christus brengt Paulus echter, in dit vers, in herinnering. Om die opstanding ging het! Och, als Christus niet was opgestaan, wat dan? Doch, niet alleen in 1 Corinthe 15, doch steeds weer is er in de brieven van de apostelen de jubel, dat Christus is opgestaan. Dit feit is voor hen het onomstotelijk bewijs, dat Zijn offerande bij God is aangenomen en eeuwige geldigheid heeft, dat Hij de dood heeft overwonnen en voorgoed achter Zich heeft gelaten. Wat schrijft Paulus elders in zijn brieven over de betekenis en de kracht van die opstanding! Loon betekent ze voor de Christus Zelf, en rijke zegen voor allen, die Hem van eeuwigheid gegeven zijn en in Hem leren geloven; rijke zegen ook voor de ganse schepping Gods! En zo noemt de apostel ook hier die opstanding als het grote feit, waaruit alle heil voor de gemeente voortvloeit, ook de troost ten opzichte van het lot en de toekomst der gestorven gelovigen. Waarbij weer een fijn trekje ons niet mag ontgaan. Veel vaker spreekt Paulus van de opstanding van Christus als van een opwekking. Want dan ziet hij dat feit immers als een daad van de Vader vooral. Die Zijn zegel hecht aan het volbrachte werk van Zijn Zoon. Dat toch legt pas goed de kracht in die opstanding en maakt haar pas goed tot een bron van eeuwige zegen. Immers, het werk van Christus was toch voor alles een werk dat zich voltrok tussen Hem, als de Zoon en de Borg, én Zijn Vader! 't Ging daarbij in de eerste plaats om de handhaving van de eer des Vaders en om de voldoening aan Diens recht; zo pas was onze zaligheid en het herstel der schepping Gods daarbij betrokken! En daarom moest dit werk eerst aan de keur van de Vader onderworpen worden en van Zijnentwege gewaarmerkt worden. En dat geschiedde in Jezus' opstanding, welke voor alles een opwekking was!
Niet voor niets schrijft de apostel herhaaldelijk over die opstanding als over een opwekking. Doch hier gebruikt hij stellig met opzet het woord opstaan. Tevoren had hij het over het ontslapen der gelovigen, waarin ook een opstaan ligt opgesloten. Hier herinnert hij aan het opstaan van Jezus. Déze is echter niet ontslapen, maar gestorven. En omdat Deze is gestorven, mocht Hij ook opstaan. En omdat Hij mocht opstaan, zullen alle gelovigen eenmaal opstaan! Door heel deze manier van zeggen van de apostel in dit vers, speelt de gedachte uit 1 Corinthe 15 heen: Christus is de Eersteling van de volle oogst; de volle oogst volgt!
Echter, iets anders is in het begin van dit vers nog van belang. Daar staat: „Indien wij geloven". Het woord, dat de apostel hier voor „indien" gebruikt, wijst er niet op, dat hij dit geloven als iets twijfelachtigs stelt, doch juist als iets, waarvan hij weet, dat het er is. Wij begrijpen, hoe wij dit dan moeten nemen. Paulus wist ook Wel, dat het in zijn dagen eveneens niet alles Israël was, dat Israël heette en dat er veel kaf onder het koren was. De apostel schoor zeker niet alles over één kam. En hij riep niet voor niet op tot zelfbeproeving of men in het geloof was. Doch de gemeente was voor hem niet een veld met kaf, waarop ook nog eens wat koren mocht staan, doch een korenveld, waarop helaas ook nog kaf groeide. Hij wist, hoe de Heere de prediking van het Evangelie zegende en de waarachtig gelovigen waren voor hem het wezen der gemeente. En zo wist hij ook, dat er in de gemeente van Thessalonica gelovigen waren. In déze zin schrijft hij dan ook: „Indien wij geloven", en hij bedoelt: dat is toch ook zo! Doch, zo bedoelt hij verder te zeggen, dan mogen wij toch weten van de kracht van Christus opstanding, ook voor de anderen, die geloofden, en ons voorgingen. Opdat wij over hun toekomst getroost zouden zijn!
Intussen is ook hier weer van belang wat de apostel bedoelt met dat „wij geloven", 't Is duidelijk, dat het hier gaat om een geloof, dat zich richt op de heilsfeiten. Inderdaad, het zaligmakend geloof is een band tussen de zondaar en Christus en het erkent die Christus van harte als de enige en volkomen Zaligmaker en het vertrouwt als zodanig op Hem. Doch dit kan niet zo zijn, zonder dat dit geloof ook gericht is op de heilsfeiten. Immers, hoe is Christus de Zaligmaker, dan als Degene, Die als Borg is gestorven en opgestaan? Daarom liggen die heilsfeiten Zijn gemeente hoog. 't Gaat daarbij voor haar om het hart van de zaak en om haar zijn of niet zijn! En daarom wagen wij het ook om te zeggen dat, wanneer iemand beweert een echt gelovige te zijn en zijn geloof richt zich niet steeds weer op die heilsfeiten, zoals de Schrift daarover haar licht werpt, diens geloof niet het geloof, in de Schriftuurlijke zin van het woord, is. Diens geloof leeft uit andere bronnen, dan waaruit het Schriftuurlijk geloof leeft, n.l. uit de bronnen van wijsgerige gedachtengangen! Wie tornt aan het lijden van-Christus en aan de betekenis daarvan, welke de Schrift daar duidelijk aan geeft, én aan de opstanding van Christus, zoals de Schrift ook daarvan getuigt, valt toch wel onder dit oordeel! Hier heeft de Kerk de wacht te betrekken en zo nodig, handelend op te treden. Wie denkt hier b.v. niet aan de kwestie prof. Smits? Hier gaat het om het hart van het Evangelie en om het rechte geloof. En om de eer van Christus en om het welzijn der gemeenten!
Echter, wanneer wij zeggen, dat het echte geloof zich richt op de heilsfeiten, en die aanvaardt, zoals de Schrift daarvan getuigt, is daarmee natuurlijk niet alles gezegd. De duivelen geloven ook en zij sidderen, 't Kan zijn, dat iemand die feiten als waar aanneemt, en niet graag zou ontkennen, wat de Schrift daarvan getuigt, doch dat hij overigens met heel zijn bestaan er niet echt bij betrokken werd. Die feiten staan als louter historische data ver weg van zijn bestaan, nu. Die mens mist natuurlijk ook het echte geloof. Want waar het echte geloof gevonden wordt, geschiedt juist dit wondere, dat die heilsfeiten niet langer historische data blijven, ver weg van iemands bestaan nu. Daar worden die feiten en dat bestaan nauw met elkaar verbonden. Omdat immers het echte geloof inhoudt, dat daar die band is tussen de zondaar en Christus en Deze van harte als de Zaligmaker wordt erkend en vertrouwd.
Daarom, het leven van de waarachtig gelovige wordt een sterven met Christus, om alzo met Hem te leven. Dat Christus éénmaal, als Borg, gestorven is, is voor hem géén feit meer, dat als een stuk verleden geen betekenis meer heeft, doch een feit, dat van de grootste betekenis is in zijn leven nu. Want dat hijzelf een verloren mens is onder i.et oordeel, zonder mogelijkheid zichzelf daarvan te verlossen, is hem ook een realiteit geworden. En zo moest hij sterven aan zijn eigen werken en mogelijkheden. Doch het kruis van Christus kwam in zijn leven te staan als de enige mogelijkheid!
En dat Christus éénmaal, als Borg, is opgestaan, is voor hem evenmin een feit, dat als een stuk verleden geen betekenis meer heeft, doch eveneens een feit, dat van de grootste betekenis is in zijn huidig bestaan. Want dat in hemzelf geen kracht is tot nieuw leven is hem ook een realiteit geworden. En zo kan hij niet meer buiten de kracht van Christus' opstanding en de opgestane Christus Zelf!
Het echte geloof is altijd onvolmaakt en wordt steeds bestreden, maar het vertoont immer dit karakter. Paulus wist, dat het in de gemeente van Thessalonica gevonden werd. Al was de kennis dan niet altijd even helder en al was de hoop nog gebrekkig en onzuiver, dit geloof was er. En daarom had men ook in Thessalonica band aan Christus en deel aan de vruchten van Diens werk, waarvan de opstanding van allen, die geloofden, er één was. Van die geloofden, waren er reeds heen gegaan. Zou men dan om hen treuren als mensen, die zonder hoop zijn? Wij betrekken nog even ons zelf erbij. De vorige maal eindigden wij met de opmerking, dat er geen ontslapen kan zijn, als er in dit leven niet een waken, bidden en strijden was in de diepe zin van het woord. Ditmaal eindigen wij met de opmerking, dat er voor ons geen hoop zal zijn, als wij in dit leven dit geloof, zoals wij dat omschreven, niet hebben gekend. Beproeven wij ons dan, of wij in dit geloof zijn!
Een volgende keer doen wij weer een stap op de weg door dit rijke Schriftgedeelte!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's