Kroniek
In Rome ligt de Engelenburcht dichtbij — V.V.D-rapport over subsidiëring der kerken — Oecumeniciteit en Politiek.
In „Hervormd Nederland" van 8 juli jl. staat een alleszins lezenswaardig artikel van de journalist Jan Abt over het komende 2e Vaticaans oecumenisch concilie, dat in 1962 zal gehouden worden. Op de Engelenburcht, eens een onneembare burcht „waarin velen, die de pauselijke macht durfden trotseren, en daarin gevangen zaten en gestorven zijn", en waarin de vele commissies, benoemd ter voorbereiding van. het concilie, hun bureaux hebben, viel plotseling Abt's oog. En hoewel niet voor informaties betreffende het a.s. concilie in Rome, vatte hij het plan op zo mogelijk alles aan de weet te zien komen van die kerkvergadering wat hij maar los kan krijgen. Dat was maar heel weinig. Alles wat voorbereid wordt, schijnt te geschieden achter „een chinese muur". De stiptste geheimhouding wordt in acht genomen. Een staaltje van organisatie, zoals alleen de r.k. kerk die weet te arrangeren. Dat was dus wel teleurstellend. Maar er was bij de vele commissies ook een „secretariaat voor de'eenheid" ingesteld. Dat zou in elk geval niet teleurstellen, dacht Abt. Hoor echter wat hij erover schrijft:
„Maar de muren van de Engelenburcht staan er nog en Rome is ontoegankelijker dan ooit. Ook al laat paus Johannes af en toe nog wel eens zijn stem horen, waarin het heimwee naar eenheid steeds zwakker naklinkt, de nadruk op de geheimhouding en het feit, dat het concilie een specifiek roomskatholieke zaak is, wordt steeds sterker. Kardinaal Bea, hoofd van het secretariaat voor de eenheid, wordt steeds enger in zijn restricties bij zijn uitspraken over hereniging. Het laatste, wat ik van hem hoorde was in Milaan, waar hij betoogde, dat de r.k. kerk zon bevoorrechte positie had, omdat zij alleen de volheid van het geloof heeft, maar dat zij daarom juist bezorgd moet zijn om die volheid mede te delen aan de „andersdenkende broeders". Steeds sterker krijgt men in Rome de indruk, dat het concilie beslist niets zal afdoen aan de geprivilegieerde starheid van de roomse kerk en dat zij na het concilie nog even resoluut zal vasthouden aan het principe, dat de enige eenheid mag zijn een onvoorwaardelijke eenheid in de r.k. kerk onder het oppergezag van de paus van Rome. De honderden concilieleden uit landen als Italië, Spanje, Portugal, Zuid-Amerika en nog enkele anderen, staan daar wel borg voor. Voor hen bestaan er alleen maar christenen in de r.k. kerk, de rest is voor hen kaf, dat van het koren moet worden gescheiden. Over het algemeen heeft men te Rome de indruk, dat zij, die er iets anders over zouden willen denken, onder wie zeker de vertegenwoordigers van de noordelijke landen, voor wie het probleem veel tastbaarder en reëler is, een machteloze minderheid vormen. Men houdt er zelfs rekening mee, dat met weer een nieuw Mariaal dogma, dat van het middelaarschap van Maria, de deur tot de eenheid in plaats van geopend met nog een slot extra zal worden gesloten".
Verder weet hij te verhalen, hoe Rome een nieuwe apostolaire activiteit heeft ingezet. Men brengt op bijzondere wijze de kerk bij de mensen. Hij geeft daarvan het volgende voorbeeld. Ondanks de bittere haat tussen Rome en de Vrijmetselarij — die is uit de historie bekend genoeg — heeft een Jezuïet het bestaan een propaganda-redevoering te houden in een vergadering van de maconnerie. Ook het Jezuïtisme verloochent zijn ware aard niet! Geen wonder, dat de Wereldraad van Kerken, aanvankelijk nog hoopvol ten opzichte van het komende concilie, „het nodig heeft gevonden te waarschuwen vooral niets te verwachten van het komende concilie". Ook de nieuwe aartsbisschop van Canterbury, dr. Ramsey, heeft eenzelfde geluid laten horen. Zulks na het bezoek van zijn voorganger aan Rome.
Het is bij deze stand van zaken te verstaan, dat Abt besluit:
„Overal zien wij dat tegemoetkomend missionair indringen van de roomse kerk. Is dat misschien de eerste vrucht van het op gang zijnde concilie? Dan vragen wij ons af, of dat iets is om blij of misschien om bang voor te zijn".
Rome zal zijn machtspositie door het 2e Vaticaanse concilie zeker trachten te versterken. Schril steekt daartegen af de ontluistering van het rooms-kathólicisme in Praag. Daarover schrijft ds. Krop in hetzelfde nr. van „Herv. Nederland". Hij verhaalt van Hus, voorloper der reformatie. Nog staat in Praag een Husmonument. Daar achter de Moeder Gods Kerk, eens de hoofdkerk van de Hussieten. De contra-reformatie maakte een einde aan de Hussitische beweging. Ten teken van haar overwinning heeft de contra-reformatie in de plaats van de kelk — symbool, dat het Avondmaal door Hus en de zijnen onder beide tekenen werd gevierd — een Mariabeeld gesteld. Maar sinds 1948 is aan de glorie van Rome een eind gemaakt. De kerk wordt geduld, maar in de St. Vituskathedraal staat al jaren de bisschoppelijke zetel leeg. De aartsbisschop is reeds jaren uit zijn diocese verbannen. Zo kan het ook. Sic trancit gloria ecclesiae, zo vergaat de glorie van de kerk, zouden we kunnen zeggen. Of het 2e Vaticaanse concilie hierin verandering kan brengen? Wie die het gelooft?
De volkspartij voor Vrijheid en Democratie heeft in der tijd een commissie ingesteld ter bestudering van de opheffing van het processieverbod en de subsidiëring van kerken. „Trouw" d.d. 4-7- '61 geeft een kort overzicht van het verschenen rapport. Ik heb daarin niet veel kunnen lezen hoe de commissie oordeelt over opheffing van het processieverbod. Wel lees ik het volgende:
„De commissie meent dat de overheid de bevordering van het kerkelijk leven niet onverschillig mag laten. Zij moet hiertegenover een positieve instelling tonen. Daar de bevordering van het kerkelijk leven het openbaar belang dient, mag hiervoor van de zijde van de overheid steun worden verwacht".
Algemene opmerkingen, die iets, maar niet veel zeggen. Positiever is de uitspraak inzake subsidiëring van te bouwen kerken. Men oordele zelf:
„De commissie acht subsidiëring van de kerkenbouw uit de overheidskas principieel onjuist. Zij meent, dat de oplossing' gezocht moet worden door het stimuleren van particuliere bijdragen met behulp van een fiscale maatregel".
Dat geeft, althans wat de V.V.D. betreft, niet veel hoop voor de kerken. Gegeven het eerste citaat — algemene uitspraak — stelt het teleur. De kerk wordt zuiver gesteld op het vlak van gewone verenigingen. De fiscale faciliteiten, waarvan ook in het rapport wordt gerept, — ze moeten ook toegepast worden voor „levensbeschouwelijke verenigingen voor lichamelijke en geestelijke volksgezondheid" — zijn het enige waartoe deze liberale groepering genegen is. Hier is geen schijn noch schaduw van enig besef voor de ere-positie van de kerk. Art. 36 N.G.B, is geheel uit het gezichtsveld verdwenen. Dat is heel jammer, al had men dit helaas kunnen verwachten. Evenwel, het rapport is — althans naar het verslag ons inlicht — waar het de kerk praktisch degradeert tot het niveau van een vereniging, zij het misschien een culturele vereniging, niet in overeenstemming met de praktijk. Toneel, opera en dergelijke culturele instanties worden niet aan stimulering door particulieren overgelaten, maar krijgen geregeld subsidie, en zulks met steun van de liberalen. En niet weinig ook!
Bij deze stand van zaken begrijp ik niet, dat de kerk het loodje moet leggen. Nu zal het haar ere moeten zijn te doen, wat haar Koning vraagt voor Zijn dienst. Een offer. Het zij met vreugde en gewilligheid, vooral in een tijd van welvaart.
Maar daar ging het niet over al meent het rapport, dat ons kerkmensen nog eens te moeten zeggen. Het ging over de waardering van de kerk. En die is, ondanks betuiging in de trant van platonische liefde, niet groot. Een teken des tijds. Men lette er op.
Met een zekere profetische stelligheid en oecumenische bewogenheid heeft prof. G. C. V. Niftrik op de zomerconferentie der C.H.U. het pleidooi gehouden voor de éénwording der A.R.P.en C.H.U. De rede zal wel ingeslagen zijn. Ze was vooral in intonatie van een warme overtuiging. Ik heb een gedeelte gehoord via de Radiokrant van de N.C.R.V. Naar mijn smaak iets geaffecteerd, maar dat neemt men — vooral onder de jongeren, van wier verlangen de rede met name gewag maakte — wel. Onze nuchtere tijd heeft wel behoefte aan wat romantiek.
De rede was geen nieuw geluid. Wel was nieuw, dit pleidooi uit de mond van prof. Van Niftrik te horen. Hij schaamde zich niet voor zijn „oude plunje", maar kwam er ruiterlijk voor uit in dezen van zienswijze te zijn veranderd. Juist om de nood des tijds. Hij wilde de oecumeniciteit zelfs zover doorvoeren, dat hij ook samengaan met de K.V.P. aanbeval. Die buigen immers voor dezelfde God, zo zei hij ongeveer. Als wijlen dr. Abraham Kuyper ter vergadering aanwezig had kunnen zijn, zou hij, meen ik, wel instemmend geknikt hebben bij dit laatste, oecumenisch wijdere, gezichtspunt. Hij had wellicht zo iets van „stoelen op één wortel des geloofs" gezegd. Of de spreker dit gehonoreerd had? Misschien had hij betoogd, dat Kuyper's visie een andere was dan de zijne. Maar is er wezenlijk verschil?
Wellicht had Kuyper met streng gebaar zijn afkeuring geuit over het feit, dat twee leden der C.H.U. in de staten van Friesland hun stem gegeven hebben aan een voorstel om subsidie te verlenen aan het comité, dat in Leeuwarden een standbeeld voor mr. P. J. Troelstra wil oprichten. Hij zou wellicht gerept hebben van te weinig partijdiscipline en te ver doorgevoerde individualistische vrijheid.
Maar ter zake. Prof. v. Niftrik heeft een belangwekkende rede gehouden; gekruid, gelijk men het van hem gewend is, met humor en af en toe een „note gaie", een vrolijke noot. Zo, toen hij opmerkte, dat prof. V. Itterzon acceptabel was bij de geref. kerken, hij niet. De rede zal in eigen kring de nodige kritiek wel krijgen. Maar zij zal zeker bijdragen tot stimulering van een proces, dat reeds enkele jaren werkt.
Sprekend over de noodzaak van een concentratie van de chr. protestantse partijen heeft hij niet gerept om de S.G.P. er in te betrekken. Een vergeten hoofdstuk? Maar de S.G.P. behoort ook tot de familie. Wel is zij niet het gemakkelijkste lid. Het zij zo. Doch als de nood des tijds, de nood van de chr. religie en Christus' Kerk tot samenbinding dringt, dan moet zeker de poging gewaagd om ook een minder gemakkelijk familielid tot samenwerking te bewegen. In gemeenteraden trekt men wel gemeenschappelijk op. Prof. v. Niftrik beriep zich in zijn pleidooi op het Hogepriesterlijk gebed. De bede daarin om eenheid schakelt toch „het vergeten hoofdstuk" niet uit. Ook zover moet m.i. oecumenische bewogenheid zich uitstrekken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's