Levens-devies -- Stervens-schets
Het leven is mij Christus, het sterven mij gewin Filippensen 1 : 21
„Wat is uw enige troost. . . ? " zo luidt de éérste vraag van ons aloude en getrouwe leerboek der kerk.
Het antwoord is — als in een notedop — de samenvatting van de ganse weg der zaligheid in de volgende zondagen nader verklaard.
Dat schone en diepe antwoord is ook een kernachtige omschrijving van wat de Apostel hier bedoelt in deze korte telcst. Zijn: „Levens-devies en Stervensschets".
Het is wel zéér opmerkelijk, dat we in al zijn brieven (evenmin als in die van andere bijbelschrijvers) geen volledige — of zelfs maar een beknopte — bekeringsgeschiedenis opgetekend vinden. Tevergeefs ook zoeken wij b.v. die van Calvijn in zijn „Institutie". (Hooguit een paar regels aangaande zijn geestelijke omzetting!).
De bedoeling des Geestes is, dunkt me, wel duidelijk. En de praktijk van vele eeuwen christendom heeft het blijkbaar voldoende bewezen: Geen vlees mag roemen in zichzelf! Anders wordt de eer des HEEREN in dubbele mate verduisterd ... Doch, gaat het in veler leven niet juist om eigen eer en' aanzien bij de mensen?
O, 't is zo begrijpelijk van het vlees, dat het wat wil zijn of worden in de wereld! Hoe meer en hoe groter, hoe liever .. . Niet openlijk altijd, nee maar gecamoufleerd! (Men noemt dat „nederige hoogmoed"). Zelfs het veranderde hart moet bij tijden nog klagen (als het op zijn plaats is): „O, hovaardij wat plaagt gij mij".
Paulus kende dat roemen bijzonder voor zijn bekering. Een Farizeeër uit de Farizeeërs ... ! Naar de gerechtigheid der wet: onberispelijk... Maar door Gods genade heeft hij het — na Damascus — anders geleerd! Alles wat hem lief was in zijn leven heeft hij om Christus' wil schade geacht! Hij heeft alles er aan gegeven om Christus Jezus te mogen kennen al meer en meer. Niet hebbend eigen gerechtigheid naar de wet, doch die uit het geloof is in Hem. Toen is hij pas echt gaan bidden! Hij heeft het niet zelf gegrepen, maar is door Christus stilgezet en omgezet! Nu moet hij jagen naar het doel, om de prijs der roeping Gods (Hfst. 3). Het heeft Code beliefd Zijn Zoon in zijn hart te openbaren. Deze Christus heeft hem tot Zijn eigendom gekocht met Zijn dierbaar bloed. Wat een losprijs! Hij is duur gekocht en daarom moet hij Hem verheerlijken in zijn leven.
Hij wil dat voorbeeld ook aan anderen geven: Weest allen mijne navolgers, broeders. Wat mij betreft, zo zegt hij hier: Het leven is mij Christus. Letterlijk: Mij is 't leven Christus! (Calvijn (en Beza) vertalen: „want Christus is mij, zowel in 't leven, als in de dood, gewin) d.i. „Heel mijn leven is Hem gewijd, hoe het ook gaat en wat mij overkomt". Paulus weet het: alles wordt door Gods voorzienigheid gebruikt tot bevordering van de Evangelie-predikingen ter verheerlijking van Christus.
Zo gaat hij, zittend in de gevangenis te Rome, verder met de ontsluiting van zijn innerlijk denken en begeren. Hij beziet en beoordeelt alles vanuit Christus, Wiens eigendom hij is. Alle dingen worden door Hem bepaald. „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal" is zijn voortdurende vraag. Zijn hoogste ziels-verlangen is Zijn gemeenschap. In haar ligt voor hem de ware levens-vrede en gewenste ziele-vreugd!
Vanzelfsprekend is daarom, voor hem ook die andere verbinding een correlatie: „Wiens ik ben ... Welken ook ik dien". Dat poneert hij maar niet in een rustig en blij ogenblik van zijn leven, doch n.b. na een schipbreuk van 14 dagen!! Dan, als iedere stoere zeeman redeloos is en reddeloos schijnt. Hij bedoelt o.m.: „Ik ben Zijn eigendom en lig voor Zijn rekening en daarom: Tot Zijn dienst bereid". Ik sta onder Zijn bescherming! In de grootste smart blijft mijn hart in de HEERE gerust! Dat is mijn enige troost! Maar dat dienen houdt veel in!! Om iets te noemen: Het bidden en danken! De offerande en de liefde! Het houden van Gods geboden en het gaan in Zijn weg, enz. Maar het is een dienen van God in de Geest. Hij wordt door die Geest gevormd en gedreven. (Anders kwam er in het leven van de gelovigen ook niets van terecht).
Sinds hij Christus dus in zijn leven ontmoet heeft, is Hij hem zijn alles geworden. Hij ziet Hem in zijn schuldontdekking, als ook in zijn zonde-vergeving! Hij ontdekt Hem in Zijn genade en trouw, in Zijn liefde en hulp! Hij is hem alles geworden: zijn Zon en Schild, zijn Borg en Middelaar. Het enige goede en schone, het ware en zalige in al zijn hebben en houden. In heel zijn doen en laten. Kortom: zijn levensdoel en levensdeel! Hijzelf leeft niet meer, maar Christus leeft in hem. En wat hij nu nog naar het vlees leeft, dat leeft hij Gode, door het geloof in Hem, Die hem heeft liefgehad en Zich voor hem heeft overgegeven". (Gal. 2 : 20).
Velen vatten deze uitdrukking van zijn levens-devies heel anders op! Christelijk leven is netjes leven en ieder het zijne geven ... Getrouw je godsdienstige plichten, ook jegens de naaste, waarnemen . . . Ter kerk gaan en je kerkelijke bijdragen betalen ... Je kinderen goed voorgaan en opvoeden tot alle „christelijke en maatschappelijke deugden" en zo al meer! Dan komt het straks wel in orde . ..
Hun leven is onberispelijk ... maar niet Christus gewijd, niet Hem toebehorend! Zo kan men heel dierbaar spreken over God en geestelijke zaken en toch Hem niet kennen, noch iets met Hem te maken hebben. Ons leven is dan eigenlijk los van Hem (Hij is er — en wij zijn er — en verder niets . . .). Wij leven onszelf!
Alles draait dan in ons leven om onszelf, om het hele-grote-dikke-IK .. .!
Ach, wat zijn we toch Ik-zuchtig in onze begeerlijkheid en in onze kwetsbaarheid, waarin we rondlopen als één, die nu ja, nog wel vergeven, doch z; o heel slecht vergeten kan!
We klagen heel „dierbaar" over gebrek aan naastenliefde. (Dat is mode!). Over gemis aan geestelijk leven! Over materialisme en achteruitgang van het kerkelijke leven! Over „die jeugd-van-tegenwoordig". Over cultuur-verheerlijking en stof-aanbidding . . . ! Over wereldgelijkvormigheid en wat niet al!
Dat staat ook wel héél vroom en klinkt zeer diepzinnig, maar (per slot van rekening): er verandert op-zich-zelf niets door! Wij zelf moeten veranderen, maar God niet! Daarom, lezer(es): vraag om ontdekking, opdat u moogt zien dat: generaal „Ikzucht, en overste „Hebzucht", ja ook koning „Eerzucht" bij ons van nature ons oog en oor, ja ons hart en gevoelen regeren en tyranniseren!
We willen nog wel trouw naar de kerk, maar de dominee moet ons niet al-teveel-te-na-komen! Hij moet ons maar rustig aan onze plaats laten . . . !
„Dat die domenéér niet naar de kermis gaat, moet hij zelf weten", zo luidde het slot van een geestig-kritisch commentaar in „Het Vrije Volk" op een vermaning tegen „wereld-gelijkvormigheid" in onze kerkbode — „maar wij moeten toch vrij blijven".
Dat is de „natuurlijke" mens ten voeten uit getekend.
Doch hoe staat het met u, trouwe kerkganger; kunt u ja en amen zeggen op 't antwoord van vraag 1 der Heidelberger Catechismus? ...
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's