De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

11 minuten leestijd

31

1 Thess. 4 vers 13-18 (5)

Ditmaal willen wij onze aandacht richten op datgene, wat de apostel in vers 15 schrijft.

De vorige malen zagen wij, dat hij in dit gehele gedeelte de gemeente van Thessalonica wil troosten in hun treuren om hun gestorven medechristenen. En dat hij hen tevens antwoord wil geven op vragen, welke in de gemeente leefden omtrent het lot en de toekomst van die gestorvenen.

In vers 14 wees hij er reeds op, dat de ontslapenen, éénmaal, bij de wederkomst van Christus, weer zullen opstaan en de volkomen heerlijkheid deelachtig worden.

In vers 15 gaat Paulus hier verder op door. Hij zegt nog méér over die toekomst. Doch daaraan laat hij de opmerking voorafgaan: „dit zeggen wij u door het Woord des Heeren."

Van alles, wat de apostel schrijft, geldt, dat de bron daarvan niet in zijn eigen inzicht, doch de wijsheid van Hem, Die hem geroepen heeft tot het apostelambt. Zijn Zender schonk hem daartoe in/bijzondere mate Zijn Heilige Geest. Daarom hebben zijn woorden ook bijzonder gezag. Echter, op meerdere plaatsen zegt Paulus nog eens extra, dat, wat hij schrijft, niet van hemzelf, doch van zijn Zender is. Dan hebben wij te maken met letterlijk of naar de inhoud overgenomen uitspraken van Christus Zelf.

Zo zegt de apostel ook hier, dat wat nu volgt, een woord des Heeren, d.i. een woord van Christus is.

Hier rijst even de vraag: wat heeft Paulus met dit woord des Heeren op het oog?

Er zijn uitleggers van de Schrift, die denken aan een apart aan de apostel geschonken openbaring. Inderdaad beroept Paulus zich wel meer op dergelijke openbaringen, b.v. in 2 Cor. 12 vers 1, in Gal. 2 vers 2. Anderen denken echter aan een uitspraak van Jezus over Zijn toekomst, welke de apostel hier niet letterlijk, maar wel naar haar strekking en bedoeling zou aanhalen. En zij verwijzen dan b.v. naar Matth. 24 en Joh. 6.

Weer anderen menen echter, dat het hier betreft een woord van Jezus, dat wij niet vinden in de canonieke evangeliën, doch dat voortleefde in de prediking der apostelen en in de mondelinge overlevering bij de gemeenten van hun dagen. Inderdaad zullen er meer van zulke woorden in omloop zijn geweest. Ook in Hand. 20 vers 35 zullen wij wel zo'n woord aantreffen.

In het vervolg van vers 15 hebben wij dan, hetzij letterlijk, hetzij naar de strekking, het woord, dat Paulus hier aanhaalt. „Wij, die levend zullen overblijven tot de toekomst des Heeren, zullen niet voorkomen degenen, die ontslapen zijn." 't Is duidelijk, dat de apostel hier met bijzondere opzet dit woord citeert. Men zat in Thessalonica immers met de kwestie: nu er stierven vóór de wederkomst, betekende dit geen nadeel voor die gestorvenen? Zouden zij nu nog wel delen in de glorieuze ontmoeting met Christus in Diens wederkomst? De apostel heeft als antwoord daarop al gewezen op het feit, dat de ontslapenen met Christus zullen wedergebracht worden. Wij zagen reeds, hoe daarin was gelegen de gedachte aan hun lichamelijke opstanding en hun ingaan in de volkomen heerlijkheid. Echter, de gedachte daaraan lag immers voor het bewustzijn van de gemeente van Thessalonica in de nevelen. Het gaat Paulus erom, deze nevelen te doen opklaren. Daar is hem alles aan gelegen! Daarom komt hij hier extra met een woord des Heeren zelf naar voren. Een woord, dat hier bijzonder van pas is. Denken zij in de gemeente dat de reeds ontslapenen tekort zullen komen, vergeleken met hen, die nog leven? Christus Zelf heeft er over gesproken, dat degenen, die nog zullen leven, bij Zijn wederkomst, niets vóór zullen hebben op hen, die dan reeds ontslapen zullen zijn. Aan deze laatsten zal, volgens Zijn eigen woord, niets ontgaan, wat die eersten ten deel zal vallen. Zij zullen evengoed als dezen delen in de glorieuze ontmoeting met Hem! 't Is alsof de apostel wil zeggen: Christus' eigen woord staat er borg voor, dat het geen verschil zal maken, of men bij Zijn wederkomst reeds gestorven is of nog tot de levenden behoort. De Heere zal dan alles zó leiden, dat al de Zijnen, reeds gestorven of niet, delen zullen in éénzelfde heerlijkheid! De Thessalonicenzen kunnen dus, wat dit betreft, gerust zijn!

Intussen, twee dingen in dit vers vragen nog extra onze aandacht. De apostel heeft het over: „wij, die levend zullen overblijven tot de toekomst des Heeren". Mogen wij hieruit afleiden, dat Paulus er op rekende, zelf die wederkomst als dan nog levend op aarde, mee te maken?

Dat zou stellig een teveel afleiden zijn uit zijn woorden. Immers, hij zegt hier de dingen weer zeer compact. Want eigenlijk zegt hij het hier zó: „wij, die leven" en „wij, die zullen overblijven tot de toekomst des Heeren." Daar zit toch stellig ook déze gedachte in: er zijn er reeds gestorven en er leven er nog; doch voordat die toekomst aanbreekt, zullen er nog meerderen sterven. Maar uiteindelijk zullen er, als die toekomst daar is, nóg op aarde leven. Weet de apostel echter zeker, dat hij daar bij zal zijn? Wij voelen, dat wij stellig teveel afleiden uit zijn woorden, als wij daaruit de conclusie trekken, dat hij er op gerekend heeft, zelf die toekomst als dan nog op aarde levend, mee te maken!

Echter, dit betekent niet, dat wij hier in het andere uiterste moeten vervallen. En dus gaan aannemen, dat Paulus volstrekt zeker geweest zou zijn van het tegendeel. Dat zou botsen met wat hij zelf schrijft in 1 Thess. 5 vers 1 en 2: „Maar van de tijden en gelegenheden, broeders, hebt gij niet van node, dat men u schrijve. Want gij weet zelf zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de, nacht." Of met wat Jezus Zelf zegt in Mattheüs 24 vers 36: „Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen".

Een andere kwestie, — en dat is ook voor ons van belang, — is of de apostel niet gehoopt heeft, die toekomst nog zo te beleven.

Wij wezen er reeds op, dat ook in de gemeente van Thessalonica sterk gedachten leefden omtrent een nabije wederkomst. Op zichzelf waren die gedachten niet onjuist. Wel de consequenties, welke men daaruit trok. Daarin was veel onzuivers.

In die sterke toekomstverwachtingen stond de gemeente van Thessalonica evenwel niet alleen. Die leefden meer bij de eerste christen-gemeenten. En stellig ook bij Paulus. Daar leggen wij ditmaal even de vinger bij.

Verstaan wij deze dingen? Hoe sterker, onder de machtige werking van de Heilige Geest het geestelijk leven opbloeit, des te meer zullen pok de dingen van het Koninkrijk Gods voor het bewustzijn staan. Dan zal tevens sterk beseft worden, dat de heerlijkheid van dat Koninkrijk in deze bedeling nog zo onvolkomen gerealiseerd wordt en dat tegenover de heerschappij van de Koning der Koningen nog zovele andere machten zich breed maken in eigen hart en in de wereld. En zo zal temeer het verlangen naar de volkomenheid van die heerschappij een beheersende plaats in het hart innemen.

En dan zullen de dingen van het tijdelijke leven niet veronachtzaamd worden; iets, wat men in Thessalonica inderdaad deed, doch fout was. Maar die dingen zullen wel in de juiste verhoudingen gezien worden, in het grote perspectief van de komst van dat Koninkrijk. In dat perspectief wordt dan de tijd, op zichzelf niet onbelangrijk, oneindig verkort.

En zo verstaan wij, dat wij niet kunnen zeggen: Paulus heeft er vast op gerekend, dat hij nog als levend op aarde de wederkomst meemaken zou. Echter ook niet: hij heeft er vast op gerekend, dat hij dat alzo niét beleven zou. Maar, dat wij wél kunnen zeggen: hij heeft zó geleefd, dat hij er rekening mee hield, dat het elke dag zou kunnen gebeuren, dat Jezus wederkwam!

Vertoont ons kerkelijk leven iets van deze spankracht des geloofs? En ons eigen leven?

Het valt enerzijds niet te ontkennen, dat door de geweldige gebeurtenissen in de wereld de laatste jaren, het besef verlevendigd is, dat wij wel eens snel konden opschuiven naar't eind der tijden. En dat God bezig is de gezichten, die Johannes zag, toen de laatste zegelen van het boek van Zijn Raadsbesluiten geopend werden, te vervullen. In de prediking klinkt dit vaak door!

Doch anderzijds valt juist te constateren, dat de gemeenten te zeer het beeld vertonen van de slapende maagden uit de gelijkenis. Velen laten zich meezuigen door de geest van de tijd, die offert aan de afgoden van het stoffelijke, van de welvaart, bezit en genot. Velen gaan daar zó in op, alsof dat eeuwig zou zijn! Echter, waar vindt men nog een leven, waarin duidelijk openbaar komt, dat men niet in ziekelijke zin, doch nuchter, rekent met het feit, dat geweldige, Jezus' wederkomst, kan elke dag plaats vinden? Wij keren weer tot onszelf in. Kunnen wij, ook wat dit betreft, niet van Paulus leren?

Er is in vers 15 nog iets, dat onze bijzondere aandacht vraagt. De apostel heeft het in dit vers dus over de toekomst des Heeren. Hij gebruikt daarvoor in het oorspronklijke een merkwaardig woord: parousie.

Dit woord betekent letterlijk de aanwezigheid of de komst van iemand. Zo kan het in heel gewone, alledaagse zin voor bet komen van iemand gebruikt worden. Maar het werd in Paulus' dagen ook in verhevener zin gebezigd. Bij de heidense godsdiensten betekende het bijv. het te voorschijn treden van de anders verborgen godheid in allerlei verschijnselen in het leven, waarin deze dan bijzonder zijn macht openbaarde. En het werd ook wel gebezigd bij bepaalde cultische handelingen, waarin de aanwezigheid'van de godheid „gevierd" werd.

Echter, het woord werd vooral nog in een andere zin gebruikt. Men duidde er ook het bezoek van één of andere machtige heerser mee aan. Zo eveneens de intocht van de nieuwe keizer in Rome, van wie men verwachtte, dat hij na jaren van strijd en verwarring, vrede en orde brengen zou.

Tegenover dit laatste krijgt het woord „parousie" in het Nieuwe Testament en bij Paulus een bijzondere diepte. Wat zou er vervuld worden van die verwachting bij de komst van die bovengenoemde'heersers? Zouden zij ooit onder hun heerschappij de échte vrede en de ware orde aan de wereld kunnen brengen? Wij weten het antwoord.

Doch daartegenover staat het getuigenis van het Nieuwe Testament en van Paulus. Daar is een andere Heere en Diens komst zal niet teleurstellen. De echte vrede, — en dat is de vrede der verzoening met God, en de ware orde, — dat is dat alle dingen weer in de rechte verhouding tot God komen te staan, — zijn door Hem verworven en zullen door Hem gerealiseerd worden; Allen, die in Hem geloven, dragen het beginsel daarvan reeds in hun leven mee. Doch wat is er vaak nog in de grote wereld van te bemerken? Maar éénmaal komt deze Heere weder. Dan houdt Hij Zijn glorieuze intocht en zullen de vruchten van Zijn strijd volkomen openbaar worden. Dan zullen de ganse wereld en de ganse schepping Hem toebehoren en zal blijken, dat hét Koninkrijk Hem gegeven is. Dan zal Hij het de Vader wedergeven en zullen de vrede en orde volkomen zijn! En, terwijl de boze en alle goddelozen voor eeuwig in de buitenste duisternis zullen moeten wegzinken, zullen alle gezaligden eeuwig in die vrede en orde delen!

Wij verstaan, dat zó gezien, dit woord parousie voor de christenen van Paulus' dagen een geweldige, troostrijke inhoud had! En hoe is dat voor ons? Ook wij leven in een tijd, dat de grootmachten der wereld zich verheffen, meer dan ooit te voren. En het gaat om de heerschappij over de volkeren der aarde. Waarbij ieder belooft dé vrede en dé orde te zullen brengen. En nu mogen wij zeker ook hier niet alles over één kam scheren. Het maakt nog wel verschil of er onder een bepaald staatsbestel nog vrijheid van godsdienst en geweten is, of niet. Het éne staatsbestel vertoont nog meer het karakter van dienaresse Gods en het andere al meer dat van het beest! Wij weten echter, dat bij geen van alle, zolang deze bedeling duurt, de echte vrede en de ware orde te vinden zijn. De Schrift spreekt in dit opzicht niet van een ontwikkeling ten goede, juist van het tegendeel. Zij bereidt ons voor op de komst van een wereldmacht, welke zeer duidelijk het karakter van het beest zal vertonen. Doch daarachter doet zij voor ons oprijzen de werkelijkheid van de komst van Hem, Die God gezalfd heeft als Koning over Sion en Die een Naam heeft ontvangen boven alle naam! En Die dus in dat Koninkrijk, waar de volmaakte vrede en orde zullen heersen, zal doen ingaan allen, die in Hem hebben leren geloven!

't Is geen wonder, dat dié moderne mens, die het licht van het Woord heeft uitgedoofd in zijn leven, ten diepste pessimist is. Welk uitzicht houdt hij over? Als hij van het oordeel niet wil weten, maakt hij uiteindelijk de dood tot de zin van het leven! Tegenover deze mens staat de christen. Wij zeiden reeds, dat er zo weinig bloeiend geloofsleven is. En dit geldt als een zware aanklacht. Doch, als het geloofsleven bloeit, hoe gans anders is dan de christen, dan die moderne mens! Welk een voorrecht én verantwoordelijkheid draagt hij! Te tonen, dat hij weet, welke Toekomst hij tegen gaat!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's