DE Dordtse LEERREGELS
En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden, en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schrift gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt. En deze wordt in ons niet teweegge~ bracht door middel van de uiterlijke prediking alleen, noch door aanrading, of zulke manier van werking, dat, wanneer God nu Zijn werk volbracht heeft, het alsdan nog in de macht des mensen zou staan wedergeboren te worden, of niet wedergeboren te worden, bekeerd te worden of niet bekeerd te worden.Maar het is een gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige, en tegelijk zeer zoete, wonderbare, verborgene en onuitsprekelijke werking, dewelke, naar het getuigenis der Schrift (die van de Auteur van deze werking is ingegeven), in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der doden; alzo dat al diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtiglijk wedergeboren worden, en daadwerkelijk geloven. En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf. Waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mens, door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert.
HOOFDSTUK III/IV Artikel 12
De goede vruchten.
Het is al vaak gezegd, dat er in de mens niets behoeft te gebeuren, om van de toorn Gods gered te worden. Alles zou op Golgotha reeds gebeurd zijn. Dat moet toch wel fout gedacht wezen. Die wedergeboorte is meer dan niets. Maar nu komt toch de vraag wat nu die wedergeborene doet of doet hij niets? Doet misschien alleen de Geest Gods iets in hem. Zo is het niet. Er wordt een nieuwe mens geboren. Daar is niet alleen een sterven van de oude mens, doch ook een opstaan van de nieuwe mens. Wat doet deze nieuwe mens? Hij gelooft. Hoe doet hij dat? Het wordt hem gegeven te geloven. De nieuwe mens en de Heilige Geest zijn immers zeer nauw verbonden. Het is moeilijk om zich op dit punt restloos duidelijk uit te spreken. De nieuwe mens is niet een nieuwe zelfstandigheid zoals Adam in het paradijs. De mens is eigenlijk niets in zichzelf, maar Christus is alles. De Apostel zegt dan ook: „Ik leef niet meer, doch Christus leeft in mij." Die Christus nu is de Geest. En de Geest woont in de mens en brengt de vruchten voort die Galaten 5 noemt. Er is dus niet een nieuwe mens, als een zelfstandigheid los van Christus en los van de Heilige Geest. Maar het is ook niet de Geest, die de plaats van 's mensen ik inneemt. Laten we daarom de nieuwe mens zo voorstellen, dat hij leeft in Christus, en niets vermag zonder de Geest van Christus. De nieuwe mens is als een wagenrad. Dat rad moet rollen. Doch dan gaat het zoals in Ezechiël 1 staat: „Als de Geest in de raderen was gingen de raderen". De genade, die de mens ontvangt is alzo de Heilige Geest, die het onderpand onzer erfenis genoemd wordt. Het gevolg van de inwoning des Geestes is, dat de mens nieuwe dingen doet, vruchten voortbrengt der bekering waardig. Wordt de mens zo in het middelpunt gesteld? Neen, want de mens is nu een rank, die alleen maar vrucht draagt, omdat hij in de wijnstok is. Daar is niets geen verdienste bij. De mens werkt wel, doch verdiend niet. Trouwens, zijn werken gaat gepaard met de erkentenis dat al zijn werk onvolkomen en met zonde bevlekt is. Nochthans door de genade Gods, is het waar, dat de wedergeborene werkt. Het eerste werk is, dat hij gelooft in Jezus Christus. Maar omdat dit geloof zo geheel en al een vrucht van de Heilige Geest en een gave Gods is, geldt dit geloof volstrekt niet als verdienste. In de gereformeerde belijdenis staat ook de mens uitgetekend. Maar hij staat daar als een verloren mens, met wie God handelt en aan wie God het geloven geeft. Bij Arminius was dat anders. Daar is het de mens, die met de hulp der genade zijn plichten vervult en die het eigenlijke subject van het geloof is. Bij Arminius verdient het geloof. Al gelovende met de helpende genade achter zich, vervult de mens zijn plicht en gelooft en verdient. Bij Arminius krijgt de zondaar een grote korting. Door te geloven betaalt de mens b.v. 10 % en deze 10 % worden door God voor de hele betaling gerekend.
Bij ons gelooft de mens ook, maar hij verdient er niet mee. Hij ontvangt er alleen de gerechtigheid van Christus mee in de hand om niet en niet minder de heiligheid van de Borg. Maar dat zijn nieuwe lessen die de gelovige leert. Gelijk hij eerst geprobeerd heeft zijn eigen gerechtigheid te verwerven, zo tracht de gelovige altijd opnieuw zijn heiligheid te werken. Toenemen in geloof betekent dan ook, dat men leert hoe ook de heiligmaking in Christus is. Een mens gaat tweemaal de zware weg der ontdekking. Eerst ontdekt God hem er aan, dat er in hem, d.i. in zijn vlees geen goed woont. Hij krijgt een mishagen aan zichzelf, omdat hij zelfs het kleinste spoortje van gerechtigheid mist. Dan begint de strijd om de heiligmaking. Een kind van God moet al dieper vernederd worden. Hij leert nu, dat hij ook de heiligheid mist. Zo nadert hij tot elk Avondmaal als een verootmoedigde, die zijn gerechtigheid en heiligheid buiten zichzelf moet zoeken. Daar is een groep gelovigen, die altijd blijdschap smaken. In de grond zijn dat geen bijbelse christenen. De Heere heeft ons wel veel verdrukkingen beloofd, doch niet altijd blijdschap. Zij missen kennelijk de ontdekking. Zij kunnen het allemaal zo zelf. Maar Gods volk moet altijd maar dieper de dood in. Het leven van een christen is doden van de oude mens en van het vlees. Het is altijd de verloochening van onszelf en het dragen van het kruis. Dat is de wijze van bekering: Christus wassen, hij minder worden. Dat dus de mens door de ontvangen genade gelooft en zich bekeert, betekent niet, dat hij nu gaat verdienen of groeien in zichzelf. Wat het wel betekent leert ons zondag 44 duidelijk. Als een gelovige in het stuk der heiligmaking oefeningen krijgt zijn er 4 dingen:
1. Hij leert meer en meer zijn zondige aard kennen. Dat blijft een stuk van zijn doorgaande bekering. Op deze wijze komt er telkens meer en dieper plaats voor het geloof. Al jagende naar heiligheid wordt elk christen steeds dieper en breder zijn onheiligheid gewaar. Vandaar die ootmoed waarmee elk ware Avondmaalsganger bezield en vervuld is. De ware Christen krijgt hoe langer hoe meer de tollenaarsgestalte. Bovendien gaat het al meer tot hem doordringen, dat hij nog steeds zijn zonde niet in haar volle diepte heeft gepeild. „Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen" (Psalm 19 : 13).
2. Zondag 44 geeft als tweede punt de begeerte naar de vergeving van zonden en het zoeken van de gerechtigheid van Christus. Men stelle zich niet voor, dat het leven van een christen een rechte lijn is naar boven. Het is op en neer. Men kan ook zeggen: het is steeds verder neer. De christen moet tot niets worden in zichzelf. En zo laat de gelovige zich steeds dieper zakken en zinken op het volbrachte werk van de Middelaar. Maar de oude mens zal toch telkens weer proberen enige heiligheid zelf te verwerven. De mens is en blijft van nature een vijand van vrije genade. Daarom is het telkens Opnieuw een noodsprong, dat men zich wendt tot de genade des Zoons. Telkens weer is het een door de nood gedreven. Er is een voortdurende afbraak nodig van eigen heiligheid. Doch wat wordt in deze weg Christus dierbaar. Nu zal ik nog maar niet uitvoerig schrijven over de diepe val die een christen kan maken of over het langzame ingewonnen en ingesponnen worden door de wereld. David heeft een val gemaakt, Salomo is ingesponnen. Wat is erger? Wanneer echter genade aan de ziel verheerlijkt is blijft het geloof en de bekering werkzaam. Denk nu echter niet, dat de heiligmaking gelijk is aan de rechtvaardigmaking. De laatste rust volkomen op de kruis- en zoenverdiensten van de Heiland. De eerste wil altijd uitbreiden over de hele mens. De rechtvaardigmaking zoekt het ene punt, de heiligmaking wil het „hoe langer hoe meer" der vernieuwing van alle delen.
3. Zondag 44 spreekt ons dan ook ten derde van naarstigheid en gebed om de genade des Geestes, om hoe langer hoe meer naar Gods evenbeeld te worden vernieuwd. Hoe weinig of een gelovige er ook in de praktijk van terechtbrengt, dit neemt niet weg, dat hij een begeerte heeft om naar al Gods geboden te leven.
Weet dan de gelovige wat God wil? Heel dikwijls weet hij dat duidelijk. Er zijn wel eens gevallen, dat de mens zoeken moet wat de Code welbehaaglijke weg zij, maar meestal weet hij wel, in welke gedachten, woorden en werken hij moet wandelen. Gelovigen hebben verlichte ogen des verstands, maar dikwijls zo'n onwillig hart. Menigmaal stemmen zij in met Paulus: „Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde." Maar dan toch een grote begeerte om vernieuwd te worden in hun denken en begeren en praten en doen. Het ene sluit het andere niet uit, doch in. Vandaar dat gedurig bidden om vernieuwing des harten, om bescherming tegen de verzoekingen des duivels en om krachtiger beïnvloeding door de Heilige Geest. Zij leren immers dat zij zelf niets vermogen. Toch bidt hij niet alleen, maar werkt ook. Bij tijden zet hij de nagels wel eens in zijn vlees. De gelovige bekeert zich ook zelf! Dat is zeker waar.
Maar al dat eigen werk is een vrucht van de drijving des Geestes en de vermaning des Woords. Hier hebt ge de vruchten der wedergeboorte. Daar komt een mens die gelooft en zich bekeert. Tenminste hij is op deze gebieden werkzaam. Soms is het zover weg, dat hij vreest, dat alles bedrog is. Er zijn christenen, die alleen willen weten van een gematigde strijd. Het moet niet te existentieel worden. De mogelijkheid van verloren gaan moet een gelovige nooit voor de ogen komen, menen ze. Ik geloof niet, dat dit het echte christendom is. Het is te tam. Het is te makkelijk. Het is te zelfverzekerd. Het is in de grond te zeker van zichzelf. Zeggende op God te vertrouwen vertrouwen ze op hun geloof en godsdienst. De Bijbelheiligen leren ons in de psalmen wel anders. Die zijn de dingen.nog wel eens kwijt. Die roepen nog wel eens uit de diepte om God. Die moeten nog wel eens lang wachten. Doch er is een geslacht, dat gelooft altijd en heeft het altijd en raakte nimmer verloren in zichzelf. Moeten we de nood en de put en de twijfel zoeken? Dat zij verre. Maar ik dacht dat de duivel er wel voor zorgt samen met ons vlees, dat ze er komen. En dan is het aan ons om Christus te zoeken en ons in te spannen gelovig tot Hem te vluchten. Inderdaad, als God werkt, komt de mens ook in beweging. Hij gelooft en bekeert zich.
Lezer, werkt God in u dit grote werk? Of gaat alles bij u vanzelf?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's