De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

PELGRIMSLIEDEREN

8 minuten leestijd

Psalm 119 : 54.Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen.

„Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten", zegt een van de psalmen. Is dat voor ons ook werkelijk zo? Is het dienen van de Heere u een vreugde? Gaat u met blijdschap op onder het Woord des Heeren, wanneer het in de kerk gepredikt wordt? Is het een vreugde voor u om Gods Woord thuis te lezen? Gaat uw hart er naar uit om deel te mogen hebben aan de sacramenten?

Of is het tegendeel het geval? Gaat u lusteloos naar de kerk, slaat u de Bijbel op, alleen maar als een vorm na het eten, en laat u de sacramenten maar rustig aan u voorbijgaan?

Nu moet u eens luisteren naar wat de dichter van psalm 119 zegt. Hij heeft het over Gods inzettingen, en zegt ervan, dat ze hem tot liederen (dat is: tot blijdschap) zijn. Wat bedoelt hij nu met Gods inzettingen? Gods inzettingen — dat is hetgeen de Heere heeft ingezet, ingesteld. Nu heeft de Heere veel dingen ingezet. Ziet u maar eens naar het rijk der natuur, naar de zon en de maan, naar de dag en de nacht, enz. De Schepper gaf ze hun loop.

Maar daaraan denkt de dichter hier toch niet. Gods inzettingen zijn hier: Gods geboden. De Heere heeft een wet gegeven. Hij gaf die wet, opdat de mens daarnaar leven zou. Voor vele mensen is die wet des Heeren echter een grote last — vele mensen vinden die geboden des Heeren maar vervelend. Waarom? Omdat hun werken boos zijn — ze willen zich niet aan die wet onderwerpen: ze verzetten zich tegen de Heere.

De dichter denkt er echter anders over. Voor hem zijn die inzettingen des Heeren, die geboden Gods liederen; hij heeft er een vreugde in; ze zijn zijn vermaak. „Hoe lief heb ik Uw wet, zij is mijn betrachting de ganse dag" zegt hij. Hoe komt dat zo? Wel — dat leefde niet in zijn hart van nature, maar dat heeft de Heilige Geest hem geleerd. Hij heeft een ander leven leren kennen; hij haat de zonde, en heeft lust en liefde tot de Heere en Zijn dienst. Daarom zijn die inzettingen des Heeren, die geboden Gods, hem tot een regel, waarnaar hij begeert te leven. Neen, het is niet zo, dat hij dat in volmaaktheid doet, er is nog veel struikelen en vallen; daar is nog veel, dat strijdt tegen de Heere en Zijn inzettingen. Daar kent hij verdriet over; het is hem tot smart. Maar de begeerte is er om te leven naar al Gods geboden, en het is een vreugde voor hem.

Is het dat ook voor u geworden?

Nu is het zo, dat we onder de „inzettingen des Heeren" nog meer mogen verstaan. Ze zijn niet alleen maar de geboden des Heeren, doch eigenlijk het gehele Woord Gods. En dat Woord Gods omvat dan naast de wet ook het Evangelie. De Heere heeft ze beide ingezet. Zowel de wet, als het Evangelie zijn inzettingen Gods. De wet predikt ons, hoe de Heere ons hebben wil, en ze doet ons onze zonde zien. Door Gods Heilige Geest leren we onder de wet onze ongerechtigheden kennen; wat staan we diep schuldig tegenover de Heere; overtreders, rebellen zijn we, die de wet des Heeren met voeten treden. Het hart wordt verbrijzeld, en de geest verslagen, omdat we zo tegen de Heere gezondigd hebben en Hem hebben vertoornd door onze grote schuld.

In het Evangelie verkondigt de Heere ons de weg tot behoud; de Heere Jezus Christus, Die gekomen is om zondaren zalig te maken. Hij wilde de zonde overnemen; Hij wilde de toorn Gods dragen door Zijn verzoenend lijden en sterven. In Hem is de weg ter zaligheid geopend, omdat Hij de vloek der wet op Zich genomen heeft. Laat u met God verzoenen, want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Zo heeft de Heere ook de sacramenten ingesteld. Hij gaf ze vanwege de „grovigheid en zwakheid" van ons geloof, om ons geloof te voeden en te onderhouden. Hij wil hongerige en dorstige zieken spijzigen en laven tot het eeuwige leven. Hij gaf de sacramenten bij het Woord om daarmee de zaligheid, die Hij meedeelt, bondig en vast te maken.

Hoe is het nu met u gesteld tegenover al deze inzettingen des Heeren? Zijn ze u een vermaak; geniet u er van? of zijn ze alleen maar tot verveling? Gaat uw hart er naar uit? Het hart van de dichter wel! Weet u, waarom? Wel — omdat deze inzettingen des Heeren hem de weg ter zaligheid zijn geworden, de weg van zijn eeuwig behoud. Hij heeft er zichzelf door leren kennen in zijn zonde en schuld voor de Heere; hij heeft het recht Gods leren erkennen en eronder buigen. Maar hij heeft er ook de Heere Jezus leren kennen voor zichzelf, als zijn Zaligmaker en Verlosser, Zijn Borg en Middelaar. Hij heeft Gods genade ervaren, en door het geloof mag hij weten: „ik ben verlost; God heeft mij welgedaan." Door Gods Geest werd zijn hart vernieuwd; wie in Christus is, is een nieuw schepsel. Nu is het leven hem Christus geworden, en zal het sterven winst zijn.

Zou dit geen vreugde zijn? Natuurlijk. Het kan niet anders. Daarom zijn die inzettingen des Heeren hem gezangen, liederen. En liederen wijzen op blijdschap.

Is het bij u ook zo? Neen? Hoe komt dat toch?

Komt het misschien hierom, omdat u van het tweede gedeelte van de tekst maar liefst niet weten wil? Daar spreekt de dichter over: „ter plaatse mijner vreemdelingschappen". Wat bedoelt hij daarmee? Bedoelt hij te zeggen, dat hij op dit ogenblik in het buitenland is, of zoals psalm 42, in het overjordaanse, ver van Jeruzalem en de tempel? Neen, zeker niet. De dichter heeft hier het oog op het aardse leven. Hij gevoelt het aardse leven als de plaats der vreemdelingschappen. „Ik ben, o Heer', een vreemdeling hier benêen." Dat staat in Hebreen 11 ook geschreven van Abraham en andere vromen. „Zij hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren." En Paulus schrijft: „ons burgerschap is in de hemelen" (Filippenzen 3 : 20). Ziet u — hun vaderland is boven. Daar staan ze ingeschreven. De aarde is maar de tijdelijke woonplaats. Dat geldt natuurlijk van ons allen, wie we ook zijn. Wij allen hebben geen blijvende stad hier beneden; wij zijn reizigers op weg naar de eeuwigheid. Maar velen leven, alsof ze nooit behoeven te sterven; ze nestelen zich met hun begeerten en verlangens zo vast in dit aardse leven, alsof ze er altijd zullen blijven. En dat is toch zeer zeker niet het geval. We zullen allen eens sterven en allen eens voor de Heere verschijnen om geoordeeld te worden, ten goede of ten kwade, eeuwig wel of eeuwig wee.

Nu gaat het hart van de dichter uit naar het betere vaderland; hij voelt zich vreemdeling op de aarde. Betekent dat nu, dat hij zich terugtrekt in stilte, en niets doet? O, neen, helemaal niet! Hij doet getrouw zijn werk; hij heeft zijn vrouw en kinderen hartelijk lief; hij geeft zich aan het maatschappelijk leven, met toewijding en liefde. Het is de taak, die de Heere hem geeft. Maar toch is de aarde de plaats der vreemdelingschappen voor hem; hij spreekt een andere taal, hij heeft andere gewoonten. Dat is niet altijd zo bij hem geweest. Vroeger was het anders: toen voelde hij zich ook thuis, hier in dit zondige leven: toen was zijn begeerte ook beneden, en zijn verlangen richtte zich op datgene, wat vergaat. Door Gods genade werd het anders; hij zag het ijdele en het lege van het leven buiten de Heere, en zijn oog ging open voor de heerlijkheid van de dienst des Heeren. Hij leerde een andere taal: de taal van een arme zondaar, die om genade smeekt, en op de Heere Jezus alleen hoopt als de enigste grond tot zaligheid. Hij werd een ander mens, met andere gewoonten: zijn hart werd vernieuwd, en er is liefde tot de Heere Christus, Die hem kocht het Zijn bloed van alle zonde. Wat is dat een heerlijke rijkdom: hij verheugt er zich zo in. Daarom is hij zo blij met die inzettingen des Heeren. Ze zijn hem liederen uit zijn vaderland. De wereldse mens geeft om deze dingen niet. Hij lacht er om, hij maakt er geen ernst mee, hij kent er de vreugde niet van. Er is bij hem geen lust om Gods Woord te horen en te overdenken: hij vindt het niet nodig zich er in te verdiepen en mee bezig te houden. Daarom zal hij ook nooit eeuwig bij de Heere kunnen zijn in de hemel. Hij zou er geen schik hebben om daar bij God te zijn. Wat moet hij daar doen? Hij zal voor eeuwig in de buitenste duisternis komen, ver van de Heere!

Maar voor Gods volk is het anders. Ook zij zijn op pelgrimsreis, maar op deze reis zijn de inzettingen des Heeren gezangen van blijdschap, een bron van echte vreugde. Het leven is niet altijd gemakkelijk; veel tegenspoed is het deel der vromen; ook zij ondervinden leed en smart, ziekte en dood. Toch is er een innerlijke blijdschap: ze hebben vrede met God gevonden, gerechtvaardigd door het geloof, door de Heere Jezus Christus. Zij wandelen in het licht van Gods Aangezicht, en zullen eens voor God in Sion verschijnen om voor eeuwig vol blijdschap te zijn. Daar zullen ze zingen — eeuwig — niet van zichzelf, maar van Gods goedertierenheid, en zij zullen het Lam, Dat geslacht werd, loven en prijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's