NAAR ARABIË
Wanneer Lukas ons in Handelingen 9 vers 19b—22 mededeling gedaan heeft van de ontzetting, die Paulus' prediking in de synagoge onder de Joden te Damascus teweeggebracht heeft, gaat hij meteen voort met ons te verhalen, dat zij een aanslag beraamd hebben op Paulus' leven. Daarvan kunnen wij immers lezen in Handelingen 9 vers 23—25.
Nu schijnt het evenwel, dat hetgeen ons in Handelingen 9 vers 23—25 medegedeeld wordt, niet onmiddellijk gevolgd is op wat ons in vers 19b—22 van dat hoofdstuk bericht wordt. Daar moet een periode van enkele jaren tussen gelegen hebben.
Tot deze conclusie moeten wij wel komen, als wij de gegevens in ogenschouw nemen, die Paulus ons eigenhandig heeft nagelaten in zijn brief aan de gemeente van Galatië.
Om dit goed te mogen verstaan, dienen wij nimmer te vergeten, dat Lukas ons in het tweede boek aan Theófilus het leven van de apostel Paulus, en de arbeid, door hem in Christus' naam verricht, niet stap voor stap en van ogenblik tot ogenblik beschreven heeft. Meermalen zijn wij als vanzelf er toe geneigd om dat te denken. Maar de waarheid is dat niet. Integendeel zelfs. Het is nooit de bedoeling van Lukas geweest ons een leven van Paulus te geven. Daartoe heeft God hem niet geroepen. Lukas heeft alleen maar de gang van het Evangelie van Jezus Christus van Jeruzalem, het centrum der Joodse religie, naar Rome, de hoofdstad van het Romeinse rijk, willen schilderen, en alzo het werk van de verhoogde Christus door Zijn Geest willen verheerlijken.
Vandaar, dat wij zouden kunnen zeggen, dat Lukas slechts momenten uit het leven van Paulus gegrepen heeft. En wanneer wij ons dan ook nog even realiseren, hoeveel jaren de achtentwintig hoofdstukken van de Handelingen der Apostelen omvatten, dan zal het ons wel duidelijk zijn, dat het Lukas onmogelijk was om in dit vrij korte bestek een tijdperk van ruim dertig jaar tot in alle détails te boek te stellen. Hoogstens heeft hij dan gelegenheid genoeg gehad om de hoofdpunten te memoreren, die van belang geweest zijn voor het schetsen van de genoemde gang van het Evangelie van Jezus Christus.
Als wij het zó stellen, komt dat wonderwel overeen met het feit, dat wij in de verschillende brieven van Paulus somtijds het een en ander vinden aangeduid, dat in de Handelingen door Lukas met geen enkel woord genoemd wordt. Wij denken b.v. aan wat de apostel in zijn dusgenaamde tweede brief aan de gemeente van Corinthe eens gezegd heeft over het roemen, waartoe hij ook zelf in staat zou zijn, als hij zou zien op wat hem in zijn leven overkomen is. Hij schrijft dan: „Zijn zij Hebreën, Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad Abrahams? Ik ook. Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) Ik ben box-en hen: in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. Van de Joden heb ik veertig slagen min één vijf maal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een ganse nacht en dag heb ik in de diepte overgebracht. ..." (2 Cor. 11 vers 22 v.v.)
Alleen al als wij ons rekenschap geven van het vijfmaal de negenendertig slagen ontvangen hebben, kunnen wij niet precies nagaan, waar en wanneer dat gebeurd is. De Handelingen geven ons daaromtrent geen voldoende informatiemateriaal.
Hetzelfde oordeel moeten wij uitspreken, als wij Paulus in zijn eerste brief aan de Corinthiërs horen zeggen, dat hij te Efeze tegen de wilde dieren gestreden heeft. (1 Cor. 15 vers 32). Ook over die gebeurtenis worden wij in de Handelingen door Lukas niet nader ingelicht. Tenzij wij veronderstellen, dat Paulus over het vechten tegen de wilde dieren in overdrachtelijke zin gesproken heeft — gelijk sommigen willen — en hij daarmede zou doelen op zijn strijd tegen de volksmassa's te Efeze, die door de Grieken vaak met gevaarlijke wilde dieren vergeleken werden. Maar het is de vraag, of deze veronderstelling recht van bestaan heeft.
Om kort te gaan: dit alles geeft ons eens te meer de vrijmoedigheid om het eens te zijn met de uitleggers van het Nieuwe Testament, die tussen vers 22 en vers 23 van Handelingen 9 een tijdsverschil van een paar jaren willen invoegen. De aanslag der Joden, gelijk die in vers 23—25 vermeld wordt, zou dan niet meteen plaats gevonden hebben, nadat Paulus in de synagogen begonnen was te prediken en te betuigen, met een sterk roepingsbewustzijn, dat Jezus de Zoon van Gods is.
Het heeft er immers alle schijn van, dat Paulus eerst betrekkelijk korte tijd in Damascus geweest is, vervolgens uit Damascus vertrokken is en enige jaren elders doorgebracht heeft, en tenslotte wederom naar Damascus is teruggekeerd.
Zoals wij reeds gezegd hebben, kunnen wij dat constateren uit hetgeen Paulus zelf aan de Galaten geschreven heeft. In zijn brief aan de gemeente in Galatië heeft Paulus, met het oog op zijn tegenstanders, een verslag gegeven van de wijze, waarop hij tot apostel van Christus Jezus geroepen is. En wel om aan te tonen, dat het Evangelie, dat hij verkondigde, een Evangelie was, dat hij rechtstreeks van Christus en niet van enig mens ontvangen had. In dat verslag lezen wij: „Maar wanneer het God behaagd heeft, die mij van mijner moeder lichaam aan afgezonderd heeft en geroepen door zijn genade. Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik dezelve door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed, en ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem tot degenen, die voor mij apostelen waren; maar ik ging heen naar Arabië en keerde wederom naar Damascus. Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen."
Naar Paulus' eigen woorden, is hij vanuit Damascus dus naar Arabië vertrokken. En niet naar Jeruzalem.
Met vrij grote zekerheid kunnen wij wel vaststellen, dat dit niet dat gedeelte van Arabië geweest is, waar wij aan denken, als wij het woord Arabië horen. , Het mag wel als bewezen beschouwd worden, dat het een geheel andere landstreek was, waarheen Paulus vanuit Damascus gereisd is. Dat komt, omdat men ten tijde van het Nieuwe Testament onder „Arabia" een veel groter gebied verstond dan tegenwoordig.
Men neemt daarom aan, dat Paulus, in de brief aan de Galaten over Arabië sprekend, gezien heeft op wat destijds heette: Arabia Petraea — „rotsachtig Arabië", dat ten Oosten van Palestina gelegen was, en dat grotendeels bestond uit het land, dat vroeger door de Edomieten en de Moabieten bewoond werd. Dit Arabia Petraea lag niet zo heel ver van Damascus verwijderd. Paulus kon het vanuit die stad gemakkelijk bereiken, omdat het er zich betrekkelijk dicht bij bevond.
De toenmalige bewoners van Arabia Petraea waren de Nabataeërs, een Arabische volksstam, die vooral in Petra, de hoofdstad van hun rijk, bijzonder schone uitingen van cultuur hebben nagelaten In de dertiger jaren van onze eeuw heeft de bekende Amerikaanse oriëntalist Cyrus H. Cordon, samen met zijn collega Nelson Glueck, een archaeologische expeditie naar deze streken georganiseerd. In zijn boek „Adventures in the Nearest East", dat in 1960 onder de titel „Opgravingen in Bijbelse grond" ook in Nederlandse vertaling bij het Spectrum te Utrecht verschenen is, heeft hij op buitengewoon boeiende wijze verteld van hun verkenningen in Edom en Moab.
Gordon schrijft dan o.a.: „De Nabataeers ontwikkelden hun bijzonder interessante beschaving vooral in de eerste twee eeuwen vóór Christus en bleven er wonen tot ver in de Romeinse tijd". „De beroemdste en mooiste Nabateese stad is Petra, dat een modem dichter beschreven heeft als: de rozenrode stad, half zo oud als de tijd. Men komt de stad binnen door een nauwe bergengte aan het eind waarvan men een lange rij prachtige gebouwen voor zich ziet, uit purperen bergen gehouwen met gevels in de fraaie hellenistische stijl. Binnen zijn kamers gehouwen uit de massieve bergwanden. Deze luisterrijke gebouwen staan tegenover elkaar aan beide zijden van de vallei. Het tart iedere beschrijving. Men moet het zelf zien om het in al zijn majesteit te kunnen waarderen. Dzjebel Ramm is het mooiste landschap dat ik ooit gezien heb, Petra is de mooiste combinatie van kunst en natuur." (a.w., pag. 25/6.)
Toen Paulus naar Arabia Petraea trok, regeerde over het rijk der Nabataeërs een zekere koning Aretas. In 2 Corinthiërs 11 vers 32 zal Paulus deze koning nog noemen. Aretas, wiens naam op de oude munten Charathath luidt, was de vierde vorst over het rijk der Nabataeërs, die zo genaamd werd. Hij moet het bewind over Arabia Petraea gevoerd hebben tussen 9 vóór Christus en 40 na Christus.
Door bemiddeling van Flavius Josephus weten wij, dat Aretas IV de schoonvader was van Herodes Antipas, de viervorst, die ons uit het Nieuwe Testament welbekend is.
Herodes Antipas was met een dochter van deze Arabische vorst gehuwd geweest. Maar toen hij, op weg naar Rome, eens te Jeruzalem verbleef en daar de vrouw van zijn broeder Philippus, Herodias, ontmoette, heeft hij haar zijn liefde geschonken en de dochter van Aretas verstoten. Deze is toen weggelopen naar haar hevig vertoornde vader, die sedertdien niets liever deed dan Herodes Antipas op allerlei manieren dwars zitten. Op de rol die Johannes de Doper in deze huwelijkskwestie volgens Mattheüs 14 vers 3, Markus 6 vers 17, Lukas 3 vers 19 en Johannes 3 vers 24 gespeeld heeft, behoeven wij niet te wijzen. Die is genoegzaam bekend.
Toen Aretas aan Herodes Antipas de oorlog verklaarde en een overwinning op hem behaalde, heeft de laatste hem aangeklaagd bij keizer Tiberius. Deze keizer was zeer verbolgen, dat koning Aretas het waagde zijn viervorst Herodes Antipas te bestrijden en derhalve stonden de Romeinen geheel aan de zijde van Herodes Antipas. Generaal Vitellius, die het later nog tot keizer zou brengen in het jaar 69 na Christus, kreeg van Tiberius opdracht om Aretas te straffen vanwege zijn brutaliteit, die voor Rome onduldbaar was. Hij moest met een leger soldaten tegen Aretas optrekken. Doordat keizer Tiberius plotseling stierf, is deze straf-expeditie tegen Aretas en zijn Nabataeërs echter nooit doorgegaan.
Om welke reden Paulus naar het Arabia Petraea van Aretas IV gegaan is, wordt ons nergens uitdrukkelijk gezegd. Daar kunnen wij naar gissen zonder ooit vaste grond onder de voeten te krijgen. Mogelijk is, dat hij in dit „rotsachtige" land de stilte gezocht heeft om zich nader te bezinnen op de grote ommekeer, die er met hem plaats had op de weg naar Damascus en om zich voor te bereiden op de geweldige roeping, die God in Christus hem op de schouders gelegd had. Dan zou er een parallel getrokken kunnen worden met Mozes, die veertig jaar in Midian vertoefd heeft om daar bij de kudde van Jethro voorbereid te worden op de grote taak, waartoe God hem verkoren had bij de verlossing van het volk van Zijn verbond uit de slavernij in Egypte. Mogelijk is ook, dat Paulus Damascus verlaten heeft en tijdelijk zich in Arabia Petrae opgehouden heeft, omdat hij de Joden, die door zijn prediking in ontzetting gebracht waren, uit de weg heeft willen gaan. Dan zou hij gebruik hebben gemaakt van de spanningen, die er op het politieke vlak tussen koning Aretas IV en Herodes Antipas bestonden. Spanningen, die hem zekerheid konden geven, dat hij bij de Nabataeërs veilig was voor de haat der Joden. Beide mogelijkheden moeten wij terdege overwegen. Wij zouden ze zelfs alle twee nog kunnen combineren.
Maar welke mogelijkheid wij ook kiezen, zeker is, dat Paulus geen raad gezocht heeft bij „vlees en bloed", zoals hij zelf zegt. MenseHjke, natuurlijke opvattingen en gedachten hebben niet de doorslag gegeven. Ware dat het geval geweest, dan zou Paulus opgegaan zijn naar Jeruzalem. Maar aangezien hij niet gevraagd heeft naar de mening van „vlees en bloed", hetzij bij het vlees en bloed van zijn vrienden in Christus, hetzij bij zijn eigen vlees en bloed, leidde zijn weg van Damascus naar het rotsachtige Arabië.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's