HET VOORTBESTAAN NA DE DOOD
IV.
Wanneer wij voor het voortbestaan na de dood het Nieuwe Testament raadplegen, bemerken wij aanstonds, dat hier de gegevens talrijker en duidelijker zijn dan in het Oude Testament. Dat ligt ook voor de hand. Het Nieuwe Testament heeft wel geen andere boodschap dan het O.T., maar de Godsopenbaring heeft zich breder ontvouwd. Dat geldt allereerst de verlossing door Christus, die zeker ook in het O.T. verkondigd wordt, maar in de belofte, of (zoals het ook wel uitgedrukt wordt) in de dienst der schaduwen. In Christus is echter de belofte vervuld en de schaduw lichaam geworden. Met het gevolg, dat nu vanuit Christus (het vleesgeworden Woord) op alles een veel helderder licht valt dan in het Oude Testament.
Dit betreft ook de vragen aangaande leven en sterven, dood en hiernamaals. Jezus zelf heeft hier onomwonden over gesproken en wij willen dan ook beginnen met Zijn woorden, die over ons onderwerp handelen, na te gaan.
Wat ons dan direct opvalt is dit, dat Jezus nergens speciale aandacht besteedt aan de tussentoestand tussen sterven en opstanding. Hij maakt er nergens een apart onderwerp van gesprek van. Leven is in de Evangeliën altijd een leven met Hem, Die Zich de Weg, de Waarheid en het Leven noemde. En sterven betekent altijd: vallen onder het oordeel Gods, zoals het kernachtig uitgedrukt wordt in Joh. 3 : 36: „Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem". De levenden zijn in de Evangeliën de met Christus levenden en de doden, die buiten Zijn gemeenschap zich bevinden. (Vgl. Luk. 9 : 60 en Joh. 5 : 25). Alles hangt er van af of ik een rank in de wijnstok ben of dor hout, dat aan de verbranding wordt prijs gegeven. Waar wij ook de prediking van Christus tegen komen in het N.T., daar laat Hij de beslissing vallen aangaande het eeuwig wél of wéé van de mens. En tussen de regels door laat Hij dan ook enig licht vallen over wat er gebeurt als een mens de laatste adem uitblaast.
Duidelijk laat Christus dan uitkomen, dat de mens dan voortbestaat en dus niet in een soort ziele-slaap zich bevindt, of helemaal geen bewustzijn meer heeft.
Wanneer Hij Zijn twaalf apostelen uitzendt om het Evangelie te verkondigen en hen daarbij verschillende wenken en raadgevingen geeft, zegt Hij o.a. dat zij nergens voor bevreesd moeten zijn, zelfs niet voor degenen, die hun lichaam kunnen doden (Matth. 10 : 28). Wanneer dit immers gebeuren zou, zouden de vijanden het nog niet hebben gewonnen, want, behalve het lichaam is er ook nog de ziel, en die kunnen de vijanden niet doden. Wie de ziel (met het lichaam) kan prijsgeven aan het verderf is alleen God. Daarom moet Hij méér gevreesd worden dan alle mensen. Hier maakt Christus duidelijk onderscheid tussen het vergankelijke en het onvergankelijke, het aantastbare en onaantastbare in de mens. Dit laatste is zijn ziel (psyche), waarover alleen God te beschikken heeft. Weliswaar gaat het hier niet om de tegenstelling tussen ziel en lichaam te beklemtonen, maar wél mag hieruit geconcludeerd worden, dat de ziel bij het sterven voortbestaat. Nog duidelijker komt dit uit in de bekende gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Ook hier gaat het niet om de tegenstelling tussen lichaam en ziel uit te laten komen, maar om een illustratie te geven, dat er méér is dan het aardse leven en men dus niet tevreden mag zijn als men het „hier" maar goed heeft. Beide mensen sterven. Bij hun begrafenis vormt zich een scherp contrast. De één werd op plechtige wijze begraven, van de ander lezen wij niet eens van een begrafenis. Die zal wel alles te wensen overgelaten hebben. Een verklaarder merkt hier op: misschien zijn de honden wel met het lichaam (of een deel er van) vandoor gegaan. Maar hun eigenlijk leven was ergens anders, wil Jezus zeggen. De één werd gedragen in Abrahams schoot (ereplaats), de ander sloeg zijn ogen op in het dodenrijk (hades) midden in de pijn. Toen (na hun sterven) kwam werkelijk aan de dag, wie rijk was en wie arm. In welke omstandigheden de mens op aarde leeft is niet van het allergrootste belang, wil Jezus zeggen, 't voornaamste is of hij een eeuwige toekomst heeft. Dat zien wij op treffende wijze bij de moordenaar aan het kruis. Hij leed onduldbare pijnen, maar toen hij zijn gebed om erbarming tot Jezus opzond, kreeg hij als antwoord: „Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn". Heden, dat wil dus zeggen: Vandaag, éér dat de zon ondergaat. Al bezwijkt straks uw lichaam ten gevolge van de martelingen, toch gaat ge naar het oord der gelukzaligheid. En (zo vragen wij) hoe kan dat anders zijn dan met de ziel?
Nu zijn er vertalingen, die deze tekst anders weergeven, nl.: Ik zeg u heden: gij zult met Mij in het paradijs zijn. Hier wordt het tijdstip van het „in het paradijs zijn" in het midden gelaten. Maar dit is een verschuiving, die geen enkele steun vindt in de grondtekst. Hier is men gaan knoeien om een bepaalde theorie omtrent vagevuur of zieleslaap te kunnen handhaven. Nergens in de Evangeliën gebruikt Jezus achter „Ik zeg u" het woordje „heden". Wel: heden is deze Schrift in uw oren vervuld (Luk. 4 : 21), maar dit is geheel iets anders. Ons valt op, dat Jezus dikwijls het woordje „voorwaar" bezigt. Zo b.v. in Joh. 5:24: „Voorwaar, voorwaar, (amen, amen, ) Ik zeg u: Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft. Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven". In deze tekst wordt nog eens extra onderstreept, dat geloven in Christus het eeuwige leven inhoudt. Daarom staat er niet: die krijgt het eeuwige leven (bij het eindoordeel), maar die heeft het eeuwige leven. In dezelfde trant sprak Jezus tot Martha: „Wie in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven" (Joh. 11 : 25). Dat sterven belemmert het leven (met Christus) dus niet. Zo kan Jezus de Zijnen bij het afscheid troosten: „Uw hart worde niet ontroerd, gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen — anders zou Ik het u gezegd hebben — Ik ga heen om u plaats te bereiden". Altijd met Jezus zijn — dat is het stempel, dat aan de tussentoestand in de evangeliën zijn bijzonder waarmerk geeft. 1)
Van kritische zijde is opgemerkt, dat de schrijvers van de Evangeliën beïnvloed zijn geweest door Platonische gedachten omtrent de onsterfelijkheid der ziel. Over dit Platonisme hebben wij het al in één der vorige artikelen gehad. Niets is echter minder waar, want ook het N.T. kent geen tegenstelling tussen lichaam en ziel, zodat de eerste een vijand van de laatste zou zijn. Nergens wordt in de Evangeliën het lichaam veracht. Wel moet het met de ziel vernieuwd en geheiligd worden, omdat beide door de zonde aangetast zijn. Maar van een absolute tegenstelling is geen sprake. Deze tegenstelling vinden wij trouwens ook niet in de gedachten van Paulus, hoewel men dit gemeend heeft. Daarover een volgende keer.
(Rijssen)
1) Zie: J. N. Sevenster: Leven en dood in de evangeliën, Amsterdam, 1952.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's