KRONIEK
Mater et Magistra — De laatste van een sociale reeks? — Catechismuspreek — Leer en leven — Veertigjarig jubileum van onze Knapenbond.
Enkele weken geleden heeft in verschillende nummers van de N.R.Crt. een bespreking gestaan van de jongst verschenen, door Paus Johannes XXIII uitgevaardigde encycliek, „Mater et Magistra" — Moeder en leermeesteres —, gelijk zij is genoemd naar haar beginwoorden. Een encycliek was oorspronkelijk een rondschrijven, een zendbrief van een bisschop. Later werd de naam encycliek alleen gegeven aan een dergelijke brief, een rondzendschrijven, van de paus, een brief alzo aan de kerk over heel het wereldrond. Men zou een encycliek in deze betekenis kunnen vergelijken met een „herderlijk schrijven", gelijk wij dat sinds enige jaren in ons kerkelijk leven kennen. Dat hierin een zekere inwerking, zij het dan een methodische, van de r.k. kerk op de onze is te zien, is m.i. onmiskenbaar. Men zou ook kunnen spreken van een zekere navolging. Als dit imitatieve element wordt erkend, zal men liever van een navolging van de oud-christelijke, dan van de r.k. kerk spreken. Ik laat dat voor wat het is; en keer terug tot „Mater et Magistra".
Toen Johannes XXIII gekozen was, heeft men hem gesignaleerd als een „interim-paus", een die de zaken moest gaande houden tijdens zijn pontificaat, een interim, een tussenperiode. Hij heeft zich echter anders ontpopt, en doet zich kennen als een leider, die het niet ontbreekt aan politiek inzicht en tactiek. Zijn besluit tot bijeenroeping van het 2e Vaticaanse concilie is er het bewijs van en eveneens deze encycliek.
Er zijn in vorige eeuwen tal van pauselijke encyclieken verschenen. Doch een drietal daaronder — ze dateren uit het laatst der 19e en de 20e eeuw — zijn wel van bijzondere betekenis. Vooral de eerste daarvan heeft nogal deining veroorzaakt in en buiten de kerk en daar bijzondere aandacht gekregen.
E. Brongersma — de schrijver van bovenvermelde artikelen in de N.R.Crt. — memoreert die drie, omdat ze z.i. in elkaars verlengde liggen. De eerste van het drietal — ze veroorzaakte felle reacties — werd uitgevaardigd in 1891 door Paus Leo XIII en draagt de naam: „Rerum Novarum", d.i. van nieuwe dingen. Daarmede sprong de genoemde kerkvorst, om zo te zeggen, op de ketting om het lekenelement te stimuleren voor een sociale actie om de massa's der kerk voor pauperisme te bewaren. Leo XIII voegde daar later nog een andere encycliek aan toe, die het zelfde thema behandelde. Met dit ingrijpen heeft die paus — gelijk gezegd — heel wat reacties opgeroepen. Grote tegenstand openbaarde zich. De liberalen „scholden de encycliek voor socialistisch en de socialisten noemden haar liberaal". R.K.-werkgevers „toonden zich fel geprikkeld". De fransman Léon Bloy zeide, „dat de paus door zijn encycliek het canaille had opgeroepen".
Maar de storm luwde. De encycliek heeft de stoot gegeven aan de r.k. sociale actie hier te lande en elders.
De tweede van het drietal is de encycliek van Pius XII. Ze verscheen 40 jaar na die van Leo XIII en heet: „Quadragesimo Anno", d.i. in het 40e jaar. Een herdenkingsencycliek noemt Brongersma haar. Er wordt in geconstateerd, dat „de nieuwe dingen", in 1891 aangesneden, hun beslag hebben gekregen.
Nu kwam 30 jaar na „Quadragesimo Anno" Johannes XXIII met „Mater et Magistra", welke de langste van de drie is.
Nieuwe dingen werden niet aangesneden of het zou moeten zijn een fel protest tegen geboorteregeling en geboortebeperking. De Paus brengt dit ter sprake als hij het heeft over het bevolkingsvraagstuk. Prof. Schippers heeft in „Trouw" d.d. 19 aug. aan dat deel van de encycliek een hoofdartikel gewijd, waarvan de strekking mij niet duidelijk is geworden.
Merkwaardig is in „Mater et Magistra" de oproep tot samenwerking voor heel de wereld. „Maar, aan deze samenwerking staat de argwaan in de weg: Het gebrek aan wederzijds vertrouwen — zo vervolgt de tekst dan — vindt zijn verklaring in het feit dat mensen, in het bijzonder de meer verantwoordelijke mensen, bij het ontplooien van hun activiteiten geleid worden door uiteenlopende of volkomen tegengestelde levensbeschouwingen. Helaas wordt in enkele van deze levensbeschouwingen het bestaan van een morele orde niet erkend: een transcendente, universele, absolute, voor ieder gelijkelijk bindende orde".
Hier komt naar voren volgens Brongersma, dat Paus Johannes XXIII „een irenische geest" is. En hij haalt ten bewijze mede aan, wat hij (Joh. XXIII) enige tijd geleden van „de Reformatie zei, dat de rooms-katholieken destijds niet zo volledig gelijk en de protestanten niet zo volledig ongelijk hadden als sommigen wel eens beweerden".
Nu is een dergelijke uitspraak op zichzelf niet onsympathiek. Maar wie op grond daarvan toenadering verwachtten in deze zin, dat het komende 2e Vaticaanse concilie nog iets anders bedoelen zou dan een zuivere r.k. aangelegenheid tot meerdere stabilisering van het „pausdom", zijn door latere uitlatingen wel ontnuchterd.
Maar terzake. Brongersma ziet het drietal encyclieken, hierboven aangegeven, als in zulk een samenhang, dat met deze reeks aangetoond wordt, dat de kerk, wier taak eigenlijk is, de godsdienst te verzorgen, prediking, sacramentsbediening en wat daarbij behoort, de moraal handhaven, als ze het nodig oordeelt en er bijzondere moeilijkheden in de wereld zijn, ingrijpt — n.l. in het werk, dat overigens voor 't lekenelement wordt gereserveerd, — om haar gezag en leiding te doen gelden. Ik meen, dat dit oordeel juist is. Maar of er nu voorlopig een eind is gekomen aan zulk ingrijpen in de sociale sector en in het vervolg voorshands een dergelijke encycliek zal uitblijven, is nog de vraag. Want, daar de pretentie van de r.k. kerk is, dat zij het leven der „gelovigen" verzorgt van de wieg tot het graf, zal zij, indien spanningen en beroeringen in het wereldleven naar haar oordeel haar nopen tot een treden buiten haar eigenlijke taak, zulks niet nalaten.
Wel kan het zijn, dat, waar het aangegeven drietal voor een groot deel het sociale terrein bestrijkt, voorshands betreffende deze materie „Mater et Magistra" de laatste is.
In „Uit de Pers", een rubriek, die in „Gereformeerd Weekblad" (uitgave Kok) verzorgd wordt door dr. J. T. Bakker, stond in het nr. van 25 aug. jl. een stuk over de „Catechismuspreek". Het was naar aanleiding van wat mevr. Diemer- Lindeboom in „Centraal Weekblad" had geschreven over dit onderwerp. Zij meent, dat het tijd wordt, dat met de „traditie" van Dordt, elke zondagmiddag geregeld de Catechismus te prediken, gebroken wordt. Wanneer deze traditie gehandhaafd blijft, wordt ook het euvel gecontinueerd, dat aan een afgeleide bron evenveel aandacht en tijd gegeven wordt als aan de Bron zelve, de Heilige Schrift. Ze zou daarom wensen, dat de predikanten de Schrift ook in de namiddagdienst prediken, tijd kregen zo haar uit te diepen om de schatten van de Bijbel bloot te leggen, opdat het Woord Gods meer zal gaan spreken tot de harten. Zo ongeveer, is kort weergegeven, haar betoog.
Dr. Bakker, de goede bedoeling in het stuk van mevr. Diemer-Lindeboom waarderend, geeft enkele opmerkingen en „kanttekeningen", waarin hij het opneemt voor deze „traditie", niet om ze, als Rome, een zekere canoniciteit naast de Bijbel te geven, maar om in het licht te stellen, dat de Catechismusprediking evenzeer de Schrift moet laten spreken en haar schatten doorgeven.
In dit verband wijst hij er op, dat in de Catechismus „een leeuwenaandeel van de zondagen gevormd wordt door de sobere maar indrukwekkende behandeling van de twaalf artikelen, de tien geboden en het gebed des Heeren. Wie gedwongen wordt zich daarin met en voor de gemeente te verdiepen, kan zich m.i. moeilijk beklagen, dat hij in een onbijbels klimaat wordt neergezet".
Hij merkt ook nog het volgende op: „Ik kan het alleen maar heilzaam vinden, dat de keuze van tekst en preek niet helemaal opgehangen wordt aan mijn individuele keus. Dat mij in al mijn Wispelturigheid gezegd wordt, dat het nu zondag daarover zal gaan moge schijnbaar mijn vrijheid aan banden leggen, ik heb de indruk, dat dit vermaan wel eens een onbijbelse uiting van mijn willekeur in de juiste paden terugdringt".
Ik geloof, dat ook in deze zinsnede een behartigenswaardige wenk ons wordt 'gegeven. Indertijd is wijlen prof. dr. V. Hepp aangevangen met een reeks verhandelingen, waarin hij het zgn. „Bibliristische" streven d.w.z. de Bijbel laten spreken, zonder contact met confessie of dogma, te bestrijden. De reeks is een torso geworden, d.w.z. ze is niet beëindigd. Maar niettemin heeft Hepp daarin treffende dingen gezegd, die in dezelfde lijn gaan, als dr. Bakker aangeeft, als hij spreekt over „individuele keus en wispelturigheid".
In Bremmer's boek „Herman Bavinck Dogmaticus" trof mij in de correspondentie tussen Gunning en Bavinck, wat de eerste schreef naar aanleiding van de vereniging van de Afgescheiden kerk en de kerken uit de Doleantie (1892). Gunning noemt 3 punten, waarom hij zich in die „hereniging" verblijdt. Ik neem alleen iets uit wat hij in het 3e punt noemt over; hij zegt nl. zich te verblijden, „dat de hervormde kerk een aanzienlijke confessionele macht naast zich krijgt, die... haar beter deel tot heilzame opwekking zal zijn om uit de schatten van waarheid, aan uwe zijde bewaard haar voordeel te doen" (blz. 99). Dit is inderdaad geschied. De opleving van het reformatorisch belijden in onze kerk, is mede, ik zeg met nadruk mede, geschied door inwerking van „de confessionele macht" naast ons. Dat heeft ook ingewerkt op de catechismusprediking en hare handhaving in onze gemeenten. Helaas is die influencering naar ik meen, afnemend geweest tengevolge van een inzinking in de geref. kerken. Misschien werkt ook deze in zoverre onder ons door, dat meerdere onzer predikanten niet trouw zijn in de regelmatige catechismusprediking en die, met of zonder consent hunner kerkeraden, veelvuldig onderbreken of weglaten. Ik weet niet uit weUce motieven. Of hierin „bibliristische" neiging werkt, of andere factoren, laat ik in het midden. Maar jammer is het. Voor de dominees zelf. De geregelde en herhaalde catechismusbehandeling noopt tot studie in de H. Schrift, de dogmatiek en de ethiek. Bovendien, een tekstkeuze is vaak niet gemakkelijk; het wikken en wegen eist tijd. De catechismuspreek helpt hier in zoverre, dat niet voor twee preken de „individuele keus en wispelturigheid" dubbel vrij spel krijgen en kostbare tijd nemen.
Jammer is het ook voor de gemeente, die niet geregeld de schatten van de Schrift, de schat van haar belijden bloot gelegd en aangeprezen krijgt. De Catechismus is immers bijzonder pastoraal. Hoorcommissies informeren nogal eens of de predikant veel werk van de jeugd maakt. Ik zou ondeugend kunnen vragen of de ouderen dan geen ziel te verliezen hebben. Doch dit dan terzijde. Maar ik zou vooral hoorcommissies op het hart binden te vragen, hoe de dominee staat tegenover de catechismuspreek en zijn antwoord daarop zou, was ik lid van de commissie, voor mij terdege gewicht in de schaal leggen. En dan geen catechismuspreek op een koopje!
In „Hervormd Gemeenteleven", het kerkblad van de Herv. Gem. van Zeist, trof ik het volgende stukje, dat ik hier doorgeef. Het luidt aldus:
„Prof. dr. J. Waterink heeft de oproep tot eenheid, uitgegaan van de Herv. en Geref. predikanten, een déraillement genoemd. Nu lopen de dingen soms ook wel gek door elkaar. Een Herv. arts en Geref. jonge vrouw gaan trouwen. Zij wonen geen van beiden in Utrecht, maar hebben toch de wens te kennen gegeven hun huwelijk in de Geref. Kerk van Utrecht-oost te laten bevestigen. Echter niet in één der kerkgebouwen van die gemeente, doch in een Hervormd bedehuis, de Domkerk. De bruidegom heeft niet gevraagd om lid te mogen worden van de Geref. Kerk. Zo krijgen we dan één Hervormd-Gereformeerd bruidspaar, in een dienst van de Geref. Kerk, die gehouden wordt in een Herv. Kerk. Het lijkt haast een déraillement. En wie zegent het huwelijk in? Prof. dr. J. Waterink".
Commentaar overbodig. Leer en leven zou men kunnen zeggen.
Augustus van dit jaar is het 40 jaar geleden dat de Bond voor Hervormde Knapenverenigingen op G.G. werd opgericht. In „Hervormd Kerkblad voor de Ring Ridderkerk" las ik daarvan het volgende:
„Het hoofdbestuur wenst dit heugelijke feit niet onopgemerkt voorbij te laten gaan. In verband hiermede is een Jubileum-commissie benoemd, welke ten doel heeft de werkzaamheden voor een dankbaar gedenken voor te bereiden. In deze commissie hebben zitting: de heren B. Roos te Nijkerk, voorzitter; C. van der Heijden te Rotterdam, secr.; A. Vente te Middelhamis, penningmeester; mej. G. M. Schaap te Driebergen, lid; de heren D. van Bennekom te Linschoten, lid en ds. C. A. Korevaar te Rotterdam".
De kerkelijke herdenking zal D.V. plaatsvinden op zaterdag 16 september e.k. in de St. Laurens te Rotterdam, in welke dienst zal voorgaan ds. R. E. Kuus uit Linschoten, in de Bond geen onbekende. De leden der verenigingen werden zaterdag 2 september in de Rivièrahal in de Maasstad verwacht, om apart hun deel van het feest te krijgen.
Deze Bond, — naar ik meen onder onze Bonden de jongste, — is misschien in zijn werk niet zo bekend als de andere; niettemin doet hij prachtig werk en verdient zeer ons aller meeleven. Al heb ik hiervóór een lans gebroken voor de oudere generatie, de jongere is mij niet minder hef. En daarom, mijn hartelijke gelukwens. God geve een fijn en gezegend herdenken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1961
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's