De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

OPDAT ZIJ HEM DODEN MOCHTEN...

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OPDAT ZIJ HEM DODEN MOCHTEN...

9 minuten leestijd

Uit Arabië is Paulus weer teruggekeerd naar Damascus. Het schijnt, dat hij na zijn wederkomst in de stad, waar hij zo veel had meegemaakt, vervolgens geruime tijd gearbeid heeft. Lukas spreekt in Handelingen 9 vers 23 zelfs van „vele dagen". Nu zullen wij, dunkt ons, bij die „veile dagen" ook zijn verblijf in Arabia Petraea hebben te rekenen. Dat zal daarbij wel mede inbegrepen zijn.

De hele teneur van Handelingen 9 vers 23—25 is zodanig, dat wij wel moeten aannemen, dat Paulus sedert zijn terugkeer uit Arabië niet gezwegen heeft, maar veel gepredikt en veel gesproken heeft onder de Joden. Ongetwijfeld is hij met zijn prediking, die door zijn vertrek naar Arabië werd afgebroken, voortgegaan. Weer zal hij met een sterk roepingsbewustzijn in de synagogen als een heraut van Christus Jezus zijn opgetreden, sprekend als een gezondene van zijn Heere over de boodschap, die hij de Joden te brengen had.

Het moet ons wel treffen, dat de Joden van Damascus thans scherper op Paulus' prediking reageren dan toen hij begon met onder hen te betuigen, dat Jezus de Zoon van God is. Aanvankelijk, bij het begin van zijn optreden, vóór het vertrek naar Arabië, hadden zij zich ontzet en hadden zij lucht gegeven aan hun grote verbazing over het feit, dat er zulk een grote ommekeer met Paulus plaatsgegrepen had. Nadat hij vanuit Arabië wedergekomen is, wordt het echter anders. Dan ergeren zij zich zó aan Paulus en aan de prediking, waarmee hij tot hen komt, dat zij zich van hem willen ontdoen, en hem van het leven willen beroven. Dat bewijst, dat de ontzetting, waarmee zij vervuld waren, overgegaan is in haat, in felle vijandschap. Men moet wel sterk geprikkeld zijn, als men iemand uit de weg wil ruimen.

Naar Lukas ons vermeldt, zijn de Joden op zekere dag bij elkaar gekomen om zich onderling te beraden, hoe zij Paulus konden doden. Samen hebben zij overleg gepleegd inzake een aanslag op Paulus' leven. Samen hebben zij beraamd, op welke wijze en op welke tijd zij hem het best zouden kunnen vermoorden. Wij krijgen de indruk, dat deze bijeenkomst der Joden in het geheim heeft plaats gevonden. De buitenwereld mocht er niets van horen. In het verborgene hebben zij hun voornemen gezamenlijk besproken. En zij hebben er nauwkeurig op toegezien, dat niets van hun snode plannen zou uitlekken.

Zeer zeker hebben die Joden te Damascus, die het op Paulus' leven gemunt hadden, de gedachte gekoesterd, dat de dood van Paulus een Code welgevallig werk moest zijn. Geen moment hebben zij gemeend, dat zij zodoende tegen God streden. De prediking van Paulus klonk in hun ongelovige oren zo Godslasterlijk, dat zij het stellig als een dienst aan de God der vaderen beschouwd hebben, wanneer zij de stem van Paulus konden smoren en zijn mond voor eeuwig konden sluiten. Zij achtten zich door hem aangerand in de meest elementaire stukken van hun geloof. Vandaar, dat zij er niet van terugschrokken een aanslag op zijn leven te organiseren. Daarin uitte zich hun fanatieke tegenstand tegen de inhoud van wat Paulus hun verkondigd had. Zij waren zoals Paulus zélf geweest was vóór zijn bekering: hartstochtelijke ijveraars voor de voorvaderlijke inzettingen, die dachten in de lijn der Schriften te gaan, wanneer zij deze renegaat doden zouden. Als zij Paulus zouden kunnen doden, dan zou dat geheel naar Gods Woord zijn, dat toch beval, dat de lasteraar van Gods Naam uit het midden der kinderen Israels moest worden uitgedelgd.

Zo waren het dan „vrome motieven, die hen aandreven tot hun samenzwering tegen Paulus. Voor ons is het evenwel een aanwijzing, hoe ver men zelfs met vrome motieven kan afdwalen, als de kennis van de levende God ontbreekt, en als de Godsdienst verstart tot een dode wetticistische orthodoxie.

Hoe nauwgezet de Joden van Damascus er ook voor gewaakt hebben, dat hun plannen niet bekend zouden worden, het is hun niet gelukt deze verborgen te houden. Op de een of andere manier is hun geheime bijeenkomst en hun vreselijk besluit toch nog ruchtbaar geworden. Waarschijnlijk heeft iemand zijn mond voorbij gepraat, zoals dat wel meer gebeurt, als er in het geheim iets besproken wordt. In ieder geval staat vast, dat Paulus hun „lage" ter ore kwam.

Het was voor Paulus echter niet eenvoudig om aan hun handen te ontkomen. De Joden hadden alles op alles gezet om zich van het welslagen van hun aanslag te verzekeren. Alle mogelijke middelen hadden zij aangewend om te voorkomen, dat Paulus aan hun strik ontsnappen zou. Kosten nog moeiten hadden zij gespaard om hem in hun macht te krijgen. Naar de mens gesproken, zou het Paulus niet mogelijk zijn om ongezien Damascus te verlaten en de wijk te nemen naar veiliger oorden. Naar de gedachten der Joden zat hij volkomen in de val. En bestond er voor hem geen enkele gelegenheid om te ontvluchten uit de stad, waar zijn eigen volksgenoten hem naar het leven stonden.

Er zijn in het Nieuwe Testament twee berichten, die ons hierover informeren; Vooreerst is er het bericht, dat Lukas ons in Handelingen 9 geeft: „En zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem doden mochten". En dan is er nog het bericht, dat Paulus zelf ons in 2 Corinthiërs 11 verschaft: „Indien men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid. De God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die geprezen is in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. De stadhouder van de koning Aretas in Damascus bezette de stad der Damascenen, willende mij vangen...."

Wanneer wij de twee berichten nader bezien, blijkt hun beider overeenstemming déze te zijn, dat de uitgangen van Damascus streng bewaakt werden. En dat met het doel om Paulus te grijpen, wanneer hij zou trachten te ontvlieden. Ia het bericht van Lukas wordt met zoveel woorden gezegd, dat het de Joden waren, die daar voor zorgden. In het bericht van Paulus krijgen wij echter de indruk, dat het een groep soldaten van de Arabische koning Aretas (over wie wij de vorige maal geschreven hebben) geweest is, die deze taak op zich genomen had.

Nu behoeven de beide berichten elkaar niet tegen te spreken. Wij geloven, dat zij alle twee waar zijn. Het probleem is opgelost, als wij veronderstellen, dat de Joden een beroep gedaan hebben op de stadhouder van koning Aretas; dat zij hem misschien wel voor geld aan hun zijde gekregen hebben; en dat zij zich van zijn soldaten bediend hebben voor dit werk.

Daarmede zijn alle moeilijkheden, die deze berichten ons verschaffen, nog niet verdwenen. De vraag klemt, waarom koning Aretas, een vorst uit Arabia Petraea, die over de Nabataeërs regeerde, een stadhouder in Damascus nodig had. Het valt niet te bewijzen, dat Damascus in die dagen tot het rijk van deze Aretas IV behoord heeft. Het enige, dat wij weten, is, dat Damascus destijds deel uitmaakte van de Romeinse provincie Syria. Het was derhalve Romeins bezit, en niet Nabatees. Van deze kant beschouwd, is het wel heel erg vreemd en apocrief, dat Aretas IV een stadhouder gehad heeft, die namens hem over Damascus heerste. Dat kunnen wij niet rijmen met de omstandigheid, dat Damascus in het bezit der Romeinen was.

De meest bevredigende verklaring voor deze kwestie vinden wij nog steeds die, welke ook door prof. Sizoo in zijn „Uit de wereld van het Nieuwe Testament" aangehangen wordt. Prof. Sizoo wijst er op, dat het Griekse woord ethnarchos, dat vertaald is met stadhouder, eigenlijk betekent: volksoverste. In die zin genomen, zou het dan gaan om een voornaam figuur, die de leiding had over een volk of stam. Een soort Arabische sjeik, die als „consul-generaal" toezicht houden moest op de vele Arabieren, uit het rijk van Aretas IV afkomstig, die in Damascus handel dreven. Deze beschikte ook over soldaten, die de handelskaravanen beschermen moesten.

Van de hulp van deze sjeik zouden de Joden zich nu verzekerd hebben om Paulus gevangen te nemen. Met zijn Arabieren zou hij de wacht gehouden hebben bij de poorten der stad, om te verhinderen dat Paulus ontkomen zou.

Deze verklaring lijkt ons zeer aanlokkelijk. Méér dan die — welke anderen voorstaan — dat Damascus voor korte tijd in de macht van Aretas IV geweest is. Daar zijn namelijk geen historische bewijzen voor te geven.

Om nog eenmaal op beide berichten terug te komen: alle twee delen zij ons ook mee, dat Paulus niettemin dit ernstige gevaar voor zijn leven ontvloden is. Lukas zegt: „Doch de discipelen namen hem des nachts en heten hem neder door de muur, hem aflatende in een mand." En Paulus zelf zegt: „En ik werd door een venster in een mand over de muur nedergelaten, en ontvlood zijn (n.l. de stadhouder van koning Aretas) handen."

Wat er bij Paulus' ontsnapping geschied is, is daaruit wel op te maken: getrouwen hebben hem in een huis op de muur gebracht, waar wellicht een belijder van Christus Jezus woonde, en hebben hem in een grote mand, die voor het vervoer van etenswaren gebruikt werd, laten zakken, en alzo kon hij uit Damascus wegvluchten, gelijk weleer de verspieders uit Jericho.

De „Staten-vertaling schrijft deze poging tot ontsnapping van Paulus toe aan: „de discipelen". De beste handschriften van het Nieuwe Testament hebben hier een andere lezing. Zij vertellen, dat Paulus zijn ontvluchting te danken had aan: „zijn discipelen." In wezen maakt dat niet veel verschil. Toch is hetgeen die oudste handschriften hebben, voor ons zeer leerzaam. Het leert ons immers, dat Paulus, die optrad als een prediker des Heeren, en een heraut van Jezus Christus, vrucht heeft mogen zien op zijn verkondiging. Hij heeft een kring van discipelen, van leerlingen, om zich heen weten te verzamelen die door hem werden ingeleid in de kennis der Schriften, en die zich door hem heten onderrichten uit Gods Woord, als hij daaruit bewees, dat Jezus is de Christus. En geloof maar, dat het onderwijs, dat deze voormalige rabbijn aan zijn leerlingen gegeven heeft, gedegen onderwijs was!

In dit opzicht zal Paulus zijn afkomst niet verloochend hebben, maar met alle gebruikelijke methoden gewerkt hebben voor de zaak van het Evangelie van Jezus Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

OPDAT ZIJ HEM DODEN MOCHTEN...

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's