De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

In „In de Waagschaal" van 2 september reageert dr. J. J. Buskes op een artikel in Het Parool van 29 juni, geschreven door Johan Winkler. Het gaat weer over het geval prof. Smits en over de leertucht-kwestie van de Herv. Kerk in het algemeen. Met name gaat dr. B. in op hetgeen J. Winkler schrijft in het slot van zijn artikel, dat als volgt luidt: Onzalig ogenblik toen de historische Hervormde Synode van 1950 in haar K.O. tot een weren van het weersprekende besloot in plaats van zoveel vertrouwen te hebben in de werking van de Heilige Geest, dat zij daaraan de zaak van belijden en belijdenis rustig overliet.

Naar aanleiding van deze passage gaat dr. B. nu aan Winkler twee vragen stellen:

Mijn eerste vraag is, of hij inderdaad meent, dat zijn slotwoorden corresponderen op wat het Nieuwe Testament ons over de eerste christengemeente in de apostolische brieven meedeelt. Ben ik er naast, wanneer ik meen, dat wat de Hervormde Kerk in artikel X 6 van haar K.O. uitspreekt in het apostolisch getuigenis gegrond is of meent Winkler, dat dit niet het geval is? Op grond waarvan meent hij, dat de kerk zoveel vertrouwen in het werk van de Heilige Geest moet hebben, dat zij artikel X 6 schrappen en de zaak van haar belijden en haar belijdenis rustig aan de Heilige Geest overlaten moet?

Winkler's oordeel, dat het een onzalig ogenblik was, toen de Synode van de Hervormde Kerk besloot artikel X6 in haar K.O. op te nemen, omdat dit blijk gaf van een tekort aan vertrouwen in de werking van de Heilige Geest, kunnen wij toch alleen aanvaarden, wanneer het door hem bijbels gefundeerd en gemotiveerd wordt.

Die fundering en motivering ontbreken in zijn artikel geheel en Winkler is het natuurlijk met mij eens, dat zijn oordeel voor ons geen gezag heeft, omdat het zijn oordeel is. Ken ik het Nieuwe Testament dan zo weinig en zo slecht, dat ik geen aanknopingspunten voor dit oordeel van Winkler vinden kan?

In zijn tweede vraag richt dr. B. zich meer op de praktijk van de prediking en hij stelt het volstrekt nog niet zo ondenkbare geval, dat een predikant het in z'n hoofd gaat halen om in de onbevlekte ontvangenis en de lichamelijke ten-hemel-opneming van Maria te gaan geloven. Wanneer die predikant dit nu bij de voortduur in z'n prediking gaat verwerken, moet de Herv. Kerk hem daartoe dan maar alle ruimte laten en in dit opzicht de zaak van het belijden maar rustig overlaten aan de Heilige Geest? Of vindt J. W. het dan ook nog een onzalig ogenblik als de kerk dit tegenspreken van haar belijden weert?

Als tweede voorbeeld noemt dr. B. een predikant die het antisemitisme zou gaan toejuichen en ging verkondigen dat de uitroeiing van zes miljoen joden een rechtvaardig oordeel van God was over de joden. Moet de kerk dan ook zulk een prediking tolereren in rustig vertrouwen in de werking van de Heilige Geest? Dr. B. eindigt dan z'n artikel:

Op het vlak van de menselijke verhoudingen ben ik bereid tot het uiterste tolerant te zijn — wij hebben ook in de kerk menselijk met elkaar om te gaan — maar als het gaat om de waarheid en het heil van God verbiedt het Evangelie ons toe te laten, dat de gemeente in geestelijke verwarring wordt gebracht. En het komt mij voor, dat het beroep op de Heilige Geest in dit verband volstrekt misplaatst is.

Leertucht is niet het minst een zaak van barmhartigheid ten opzichte van de gemeente en de wereld.

Stellig kunnen we op het erf der kerk ook het verschijnsel „mode" signaleren. En niet alleen is de mode in de kerk, evenals in de kleding-industrie bijv., vaak grillig en onberekenbaar, maar in de kerk-mode vinden we nog een andere typische mode-eigenschap terug. Immers de mode beweegt zich doorgaans niet voort langs een rechte lijn maar meer langs de lijn van de cirkel. Soms is het zo, dat men met het één of ander plotseling weer geheel in de mode is, alleen maar doordat men wat hardnekkig en lang aan het oude vastgehouden heeft. Het ritmisch zingen zou hier als voorbeeld kunnen dienen, wanneer er namelijk mensen geweest waren die op dit punt eeuwen lang een oude traditie hadden weten vast te houden.

We kwamen echter op deze gedachte bij het lezen van een artikel van ds. Burger in Woord en Dienst van 2 september over De nieuwe Psalmberijming. In dat artikel gaat hij ook in op de vraag of het nodig is om naast een nieuwe psalmberijming ook nieuwe psalmmelodieën te zoeken. Nu vindt ds. B. dit nog wel wat voor de nieuwe gezangenbundel, maar de kwaliteit van de Geneefse psalmbundel, die aan de onze ten grondslag ligt, is dermate klassiek dat het zonde en jammer zou zijn, indien men deze zou gaan „verbeteren" met moderne wijzen. Wat de nog steeds springlevende Gregoriaanse kerkzang is voor de roomse kerk, dat is het psalter van Geneve voor het calvinisme. Wat nu de mode in de kerk betreft, er schijnt toch weer iets nieuws (ouds) op til te zijn:

Er vindt op het ogenblik al een verschuiving plaats in de waardering van het kerklied. Het romantische en piëtistische, laat staan het methodistische, raakt er meer en meer uit. Er is vraag naar het lied, dat het numineuze oergebeuren, de directe ervaring van het Mysterie van Gods majesteit, tot uitdrukking brengt. En waar geschiedt dit directer en machtiger dan in de psalmen? Een remonstrants prediker zei laatst: „Ik laat tegenwoordig steeds meer psalmen zingen". Het zijn juist de vrijzinnigen, die het minst psalmzingen en daarom zegt zo'n uitspraak meer dan anders. Ik zelf moet erkennen dat veel gezangmelodieën, juist de populairste, mij spoedig vervelen; de psalmmelodieën vervelen, als ze goed gezongen worden, nooit. 

U hebt natuurlijk al erg gehad in de typische „termen" uit de mode-industrie: Iets raakt er meer en meer uit en er is vraag naar een ander iets.

Nu is het bij de mode ook nog zo, dat men voorop kan lopen of ook wat meer achteraan kan komen. Dat is ook in de kerk zo, want in hetzelfde nummer van W. en D. vinden we een artikel van ds. A. Dronkers, die schrijft over het Landelijk Beraad voor Volkskerstzang. Allerlei vragen hierover werden op die conferentie samengevat in 19 discussiepunten. In zijn artikel noemt en bespreekt ds. D. dan enkele van die vragen. En zo komt dan ook deze vraag op de tafel: Zijn de kerstliederen met hun soms wat zoetelijke sfeer wel geschikt voor een moderne generatie, die oorlogen achter zich heeft, en de ruimtevaart vóór zich? Maar de conferentie komt dan tot de conclusie: Onderschat de betekenis niet van het aanwezige erfgoed (de dunne draad, die soms nog verbindt met een traditie, die voor velen illusoir is geworden). 

In het algemeen kan men hier dus zeggen dat op dit punt de conferentie wat ouderwetser is dan de remonstrantse prediker uit het artikel van ds. Burger. Wanneer men echter op een ander punt van de (mode)-cirkel gaat staan, kan men met evenveel succes het omgekeerde beweren.

Het is eigenlijk al net als met de betiteling: Zwarte-kousen-kerk. Als men die benaming vandaag de dag tegenkomt, dan zou men zich kunnen afvragen: Wie bedoelt men daarmee aan te duiden, de Oud Geref. Gemeente of de bijeenkomsten van ds. Schoch?

In Woord en Dienst van 16 september bespreekt ds. J. H. Grolle de door de synode uitgegeven Richtlijnen voor de behandeling van de leer der uitverkiezing. Hij heeft het boekje met een jubelend hart gelezen; voor hem is het een geschrift waar hij al jaren lang naar gezocht heeft.

Uit de aard der zaak gaat zijn belangstelling vooral ook uit naar wat 't boekje opmerkt over de verhouding verkiezing-Israël. Ook daarover vindt hij vele goede dingen in het geschrift, maar daar zet zich Ook zijn — zelfs afwijzende — kritiek in:

Bepaald afwijzend, en niet enkel bezwaard word ik bij het lezen van de uitdrukking op bladzijde 21 over „het Farizeïsme, dat Jezus heeft gekruisigd". Dit is jammer tot in de hoogste graad. Moet nu uitgerekend dit boekje, waarin voor het eerst de verkiezing van Israël op een weldadige bijbelse wijze wordt belicht, opnieuw een stoot geven tot dom intisemitisme? Want, dit is in geen geval waar wat hier staat. In de eerste plaats is het niet eens het joodse volk, dat Jezus heeft gekruisigd; de belijdenis der 12 artikelen stelt met nadruk dat Jezus geleden heeft onder Pontius Pilatus, dus de vertegenwoordiger van alle volken. Wij staan hier met Israël even schuldig. Maar bovendien was het in de boezem van het joodse volk zelf juist niet het Farizeïsme (dat is de voorloper van de huidige joodse orthodoxie), maar het Sadduceïsme, dat aangedrongen heeft op de kruisiging van Jezus. De Sadduceese priesterpartij stond hier achter en zou, als het op stemmen aan was gekomen, zeker het Farizeïsme hebben overstemd. Ik moet dus protesteren. . . . . .

Toch menen we dat hier, van de zijde van ds. Gr., van een zekere overbelasting sprake is." Al is nu het toenmalige Farizeïsme een voorloper van de huidige joodse orthodoxie, dan zegt dat toch nog niets t.a.v. het aandeel van de toenmalige Farizeërs in de dood, van Christus. Wat voorts die stemverhouding betreft, in ieder geval had het Farizeïsme en niet het Sadduceïsme van die dagen de vat op het joodse volk, dat de dood van Christus eiste. En tenslotte wat Pilatus betreft, op de Pinksterdag te Jeruzalem zegt Petrus, dat zij, Israëlitische mannen, Jezus hebben genomen, en door de handen der, onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood hebben. Zij hebben Jezus gekruisigd. (Hnd. 2 : 23 én 36).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1961

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's